Dendrochronologie - Omgeving in de Praktijk

Dendrochronologie
UDC 691.11:529
Dendrochronology
RVblad 01-1
Dendrochronologisch
onderzoek
da terings-
Dendrochronological
research
dating
zijn dendrochronologische
dateringen die, onder gunstige omstandigheden, het vellen van het hout tot
op het jaargetijde nauwkeurig
kunnen bepalen.
D.J. de Vries
1. Inleiding
In bouwmaterialen kan een datering besloten liggen. Handgevormde, roodbakken bakstenen
met grote afmetingen zijn bijvoorbeeld ouder dan kleine, gele exemplaren die op hun beurt aanzienlijk
ouder zijn dan de strakke, geperste
stenen in waalformaat. Uit de
specifieke samenstelling van een
baksteen valt ook de ouderdom of
de herkomst van de klei te bepalen.
De stand van (magnetische) ijzerdeeltjes, die tijdens het bakken
werd gefixeerd, kan voor een
datering worden gebruikt, omdat
de richting van de magnetische
noordpool aan verandering onderhevig is. Deze methode noemt men
archeomagnetisme of paleomagnetisme. Eveneens meetbaar is de
afname van de alfa- en bêtastraling
die aan kwartskorrels tijdens het
bakken van stenen werd meegegeven 1 ofwel de thermoluminescentie van de korrels. Beide
methoden spelen in Nederland niet
of nauwelijks een rol bij architectuurhistorisch onderzoek. Om de
herkomst van klei te bepalen, is wèl
ervaring opgedaan met keramologisch onderzoek via de afkoelingskrommen van de baksels, ook van
middeleeuwse dakbedekkingsmaterialen 2.
De ouderdom van hout kan vastgesteld worden volgens de Cl4
methode of met dendrochronologisch onderzoek. Via de lucht
nemen planten, dieren en mensen
koolzuurgas op en daarmee een
geringe hoeveelheid radioactieve
Cl4 moleculen 3. Met het afsterven
van een organisme neemt de
(meetbare) hoeveelheid Cl4 geleidelijk af, totdat deze na circa 70000
jaar niet meer te meten is. Deze
methode geeft een globale bepaling van de ouderdom, met marges
die variëren van tientallen tot
honderden jaren. Meer nauwkeurig
RDMZ R V 1994/36
30
Sinds 1981 wordt jaarlijks een
toenemend aantal dendrochronologische dateringen aan Nederlandse
monumenten uitgevoerd. Vanaf
het begin van de twintigste eeuw is
bekend dat jaarringen bruikbaar
zijn om hout te dateren. Op de
werkwijze komen we dadelijk
terug. Deze technologie kwam
dankzij A.E. Douglas in de Verenigde Staten van Amerika tot
ontwikkeling. Douglas dankt zijn
inzichten waarschijnlijk mede aan
de Nederlander J.C. Kapteyn en de
Rus 0. Svedov die eerder op dit
terrein actief waren 4. Na de
Tweede Wereldoorlog waren het
vooral Duitse onderzoekers die de
technologie verder uitwerkten in
Hamburg en Trier. Naast vele
dateringen publiceerde E. Hollstein
ook elementair-statistisch onderzoek waarin de marges, de minimale voorwaarden, voor een
verantwoorde datering vastgelegd
werden 5.
In Nederland werkten de Rijksdienst voor het Oudheidkundig
Bodemonderzoek te Amersfoort
(ROB), het Rijksmuseum te Amsterdam en het Biologisch Archeologisch Instituut in Groningen samen
met de universiteit van Hamburg
en in het kader van archeologische
dateringen, het Rembrandt- en het
Adriaen van Wesel-project en een
onderzoek van scheepsresten 6. In
opdracht van de RDMZ dateerde
Hollstein in 1970 enkele dennehouten vloerbalken van huis
Drakenburg, Oude Gracht 114 te
Utrecht afkomstig uit het jaar 1291 7.
Tegenwoordig wordt op het terrein
van de dendrochronologie
aanvullend en vernieuwend onderzoek
verricht in diverse Europese instituten en in de Verenigde Staten van
Amerika. Dit onderzoek vindt
plaats met geavanceerde technische hulpmiddelen, dat wil zeggen
met geautomatiseerde meetinrichtingen en programmatuur
die op computergebruikis afgestemd.
Het vakgebied van de dendrochronologie lijkt zich globaal in twee
richtingen te bewegen: a. laboratoriumwerk, zoals meten en
dateren en b. analyse: het toepassen van eerdere dateringen. In
Nederland wordt dit eerste gedaan
door E. Jansma bij de Stichting
RING. De analyse van jaarringpatronen kan informatie opleveren
over herkomst, klimaat in verleden,
heden en toekomst, frequenties van
natuurrampen, reconstructies en
dus prognoses van periodiek
optredende fenomenen zoals
droogte, enz. Voor dergelijke
analyses zijn de vereisten:
1. metingen met een hoge resolutie
(l/lOO mm): 2. een goed beheerd
gegevensbestand; 3. kennis van en
toegang tot statistische programmatuur.
Hoewel universitaire instellingen
dateringen verrichten, heeft zich
door een toenemende vraag in de
archeologische en architectuurhistorische wereld een andere
sector ontwikkeld die tegen betaling monsters dateert. Deze richting
is niet primair gericht op de
ontwikkeling van het vak, maar
verricht diensten in relatief korte
tijd. In Nederland is daartoe de
Stichting RING bij de ROB in
Amersfoort gehuisvest, waar
E. Jansma, P. van Rijn en E. Spoor
werken. Sinds kort kan men terecht
bij de ‘borende’ particulier
J.W. Bloemink in Deventer, ook
verbonden aan het Instituut voor
Bouwhistorie, Inventarisatie en
Documentatie (IBID) te
‘s-Hertogenbosch. Op dit ogenblik
zijn voor het Nederlandse onderzoek verder van betekenis:
P. Hoffsummer verbonden aan de
universiteit van Luik, H.H. Leuschner
te Göttingen, H. Tisje te Neu Isenburg die onder andere een groot
aantal gebouwen in Twente voor
de RDMZ dateerde en E. PressIer
die vanuit Gersten in het Emsland
ook in Noord-Nederland actief is.
Verder verricht de RDMZ op kleine
schaal dateringen als aanvulling op
architectuurhistorisch onderzoek.
De benodigde meetapparatuur en
computerprogrammatuur
werden
daartoe zelf ontwikkeld in 1981,
Dendrochronologie
A
RVblad 01-2
maar zijn - hoewel effectief - in
vergelijking met de middelen
waarover men elders beschikt, niet
bruikbaar om grote aantallen te
verwerken. Dankzij een jaarlijks
door de RDMZ gereserveerd
budget, is inmiddels een groot
aantal monumenten in Nederland
gedateerd, vooral dankzij samenwerking met Jansmaen Tisje 8.
Vanuit deze ervaringen volgen
hierna de praktische mogelijkheden en voorwaarden in relatie tot
de dendrochronologische methode.
1. Sprejdsel, gekloofd
zijn (1993).
en aan één zijde geschaafd
waarop de jaarringen
haaks geplaatst
2. Het principe van de datering
2.1 Groeigedrag
Met een bomenboor kan men een
monster uit een levende eik met
een dikke stam nemen. Het is
voorjaar 1994 en onder de schors
heeft zich juist het eerste stukje van
een nieuwe jaarring gevormd.
Wanneer even vóór Koninginnedag
de knoppen uitlopen, komt het
transport van voedselsappen op
gang tussen de wortels en de kruin
van de boom. In dikkere stammen
is niet meer de hele houtdoorsnede
nodig voor het vochttransport en
worden bij de eik de doorgaande
kanalen van de binnenste jaarringen afgesloten door vliezen, ook
wel tbyllen genaamd. Dit proces
noemt men verkernen en levert
hout op dat sterker is en beter
bestand tegen schimmels en
insekten dan het open, buitenste
hout. Bij de eik tekent het kernhout
zich met een donkere kleur duidelijk af ten opzichte van het open,
lichtere hout van de buitenkant,
ofwel het spinthout. Afhankelijk
van de leeftijd van de boom,
varieert het aantal spintringen
globaal tussen 10 en 30. De dikte
van de ringen van het spinthout is
niet anders dan die van het aansluitende kernhout, maar het voor
aantasting gevoeliger spint is niet
altijd compleet meer aanwezig.
’ Grove onderdelen van kap- en
vloerconstructies bevatten meestal
behoorlijk wat spint, in tegenstelling tot spreidsel afb. 1, panelen en
meubels. Uit middeleeuwse bestekken weten we, dat het ook in grove
houtconstructies verboden was
‘spijnt ofte roeollemt ofte
onredelicke falikant’ q te laten
zitten, maar in de praktijk heerste
op dit punt kennelijk een grote
tolerantie.
2.2 Standaardcurve
Het hierboven getrokken monster,
blijkt 150 jaarringen te bevatten
met een jongste complete ring uit
het jaar 1993. Zo is per jaar de
dikte van de ringen vanaf 1843
meetbaar. Een ander stuk hout dat
omstreeks 1900 gekapt werd, heeft
met het eerstgenoemde monster
een overlapping van ruim 50 jaar
en zo kon dankzij een groot aantal
overlappingen de gemiddelde
groei, ofwel de dikte van de ringen
tot enkele duizenden jaren voor
Christus gereconstrueerd worden
afb. 2. De gedateerde curve is
doorgaans samengesteld uit de
middeling en standaardisering van
een groot aantal monsters, liefst
2. Samenstelling van een standaardcurve
onderlinge overlapping (1994).
afkomstig uit één gebied. Deze
gedateerde curve noemt men de
standaardcurve of de referentiechronologie. De visuele presentatie
van de ringbreedten is doorgaans
logaritmisch weergegeven, waardoor karakteristieke dieptepunten
duidelijker en de minder belangrijke hoge waarden ‘afgetopt’
worden afb. 3.
Voor verschillende Duitse regio’s
zijn standaardcurven samengesteld:
de meest bruikbare voor Nederland
is die van Westfalen, opgesteld
door Tisje. Inmiddels zijn er ook
curven voor het Maasbekken
gemaakt (Hoffsummer en Jansma).
Aan de hand van Twentse dateringen stelde Tisje een standaardcurve
samen die grotendeels uit regionaal Twents hout zal zijn opgebouwd. Voor de IJsselstreeken
Midden-Nederland maakten we
twee deelcurven die echter relatief
veel geïmporteerd materiaal bleken
uit verschillende
houtmonsters
dankzij
IDendrochronologie
RVblad 01-3
0
L
r‘
3. De logaritmische schaal Die gebruikt wordt om de diktes van laarrmgen grafisch uit
te beelden (1990).
4. Een boorkern met een doorsnede van ca. 70 mm, afgesneden aan de bovenzijde
waarop de vijftallen van de jaarringen gemarkeerd zijn.
5. Het meten van de jaarringen met behulp van een stereomicroscoop en een geautomatiseerde meettafel door E. [ansma
van het IPP te Amsterdam (1991).
te bevatten. Het samenstellen van
een regionale standaardcurve heeft
slechts zin, indien deze uitsluitend
of hoofdzakelijk is opgebouwd met
curven van hout afkomstig uit de
betreffende regio.
In standaardcurven vinden we de
gemiddelde dikte van de ringen
grafisch uitgetekend met de dikte
op de y-as en het jaar op de x-as. De
jaarringen vertonen een specifieke
afwisseling van stijging of daling
ten opzichte van het voorafgaande
jaar. Dit patroon gebruiken we om
een monster te dateren.
2.3 Me ten en dateren
Nadat met een scherp mes de
toplaag van de kopse zijde is
weggesneden en de vijf- en/of
tientallen zijn gemarkeerd afb. 4,
kan de meting van ring tot ring
plaatsvinden. Per stap meet men de
dikte van telkens één jaarring afb. 5.
Onder een microscoop, met een 15
- 30 voudige vergroting, tekent zich
een patroon van ‘gaatjes’ en
massief hout af. Die gaatjes zijn de
kanalen die zich in het voorjaar
vormden, terwijl het vaste hout in
de zomer werd afgezet afb. 6. Het
open voorjaarshout en het zomerhout vormen samen de dikte van
één jaarring, te meten in honderdsten van millimeters, 164 = 1,64
mm. Eén ring kan soms kleine
variaties in dikte tonen: men houdt
dan de aemiddelde waarde aan. De
meting begint bij het hart van de
fí. Vergrote structuur van jaarringen in loofhout zoals men die
onder een microscoop kan waarnemen.
v
] jaarring.
RDMZ RV 1994l36.31
V voorjaarshout,
Z zomerhout,
I
M merqstraal,
Z
S spinteijde.
H lijde
hart
Dendrochronologie
RVblad 014
7. Vergelijking van een ongedateerd monster (boven) met de Twentse standaardcurve (onder). Uit de vergelijking blijkt een
‘Gleichläufigkeit’, gelijk opgaande beweging van 71,4% bij het jaar 1541, terwijl de tweede beste mogelijkheid op 1659 valt en met
662% daar royaal onder blijft (1993).
boom en eindigt met de laatste
spinthoutring. Als het spint ontbreekt en men niet weet aan welke
zijde het hart zich bevindt, is dat
hart te situeren aan de zijde waar
zich de grootste kanaalopeningen
bevinden, richting zomer worden
de kanalen namelijk kleiner. Bij
plakken ziet men direct waar het
hart zit: de haaks op de ringen
georiënteerde mergstralen waaieren naar buiten toe uit en geeft
met de kromming van de jaarringen verdere oriëntatie.
De curve van het onbekende
monster wordt vergeleken met de
gedateerde standaardcurve. De
kans dat de onbekende curve
ergens willekeurig op de standaardcurve past, wordt groter
naarmate het monster minder
ringen heeft. Om in navolging van
Hollstein een gewenste zekerheid
van 96,5% te krijgen, moet de
overeenkomst tussen twee korte
curven erg hoog zijn l”. In de
praktijk betekent dit, dat monsters
met minder dan 60 ringen niet
geschikt zijn om te verwerken.
Binnen een gesloten context moet
er ten minste één monster met
100 jaarringen aanwezig zijn of
drie met ten minste 70 ringen ll.
Enkele decennia geleden schoof de
dendrochronoloog
de curve van het
ongedateerde monster letterlijk
over de standaardcurve om de
plaats van optimale overeenkomst
te bepalen. Dit optisch vergelijken
gebeurt tegenwoordig nog als
eindcontrole op een geautomatiseerde berekening. Een computer
berekent namelijk op een objectieve manier de optimale plaats van
overeenstemming. Dit rekenen kan
op verschillende manieren gebeuren.
Standaard is de berekening van de
Gleichläufigkeit, dat wil zeggen
door de stijgingen en de dalingen
van beide curven met elkaar te
vergelijken. Twee curven die niets
met elkaar van doen hebben, geven
gemiddeld 50% overeenkomst.
Afhankelijk van de lengte van het
monster, kan tussen globaal 60 en
80% overeenkomst een significante
waarde tevoorschijn komen afb. 7.
Significant wil zeggen: een opvallend hogere score dan bij een
willekeurig aantal andere posities
op de standaardcurve. De uitkomst
van de vergelijking tussen het
ongedateerde monster en de
standaardcurve is volgens onze
rekenmethode het zestal posities,
dat het hoogste percentage van
overeenkomst heeft. Tisje geeft als
uitkomst de speelruimte in jaren
waarbinnen een datering bijna
100% zeker is.
Bij andere rekenmodellen ondergaan de meetresultaten eerst een
standaardisatie (Jansma) “. Vervolgens dateert zij met behulp van een
kruis-correlatie, getalsmatig uitgedrukt als een Pearsons correlatie-
coëfficiënt (r). De waarde kan niet
kleiner worden dan -1 en niet
groter dan +l. In het laatste geval
zijn twee patronen volkomen
identiek. Meestal ligt de correlatie
met de standaardcurve ergens
tussen de 02 en 0,6. Om de uitkomst statistisch betrouwbaar te
maken, wordt r aangepast aan de
lengte van de overlapping, in de
regel de lengte van het monster.
In een berekening kan men ook op
het corresponderen van wijzerjaren
letten, dat wil zeggen de veel
terugkerende dieptepunten in
bepaalde jaren of op de overeenkomst in ‘golfpatronen’ die zich
over meer jaren uitstrekken.
Wanneer het hout uit dezelfde
regio of uit hetzelfde bos afkomstig
was, zal na middeling van de
individuele monsters, en eventueel
na standaardisering, een gemiddelde curve ontstaan die een hoge
overeenkomst met de standaardcurve heeft. Het is mogelijk dat bij
het ontbreken van een gemeenschappelijke herkomst het gemiddelde juist een daling te zien geeft
ten opzichte van de standaardcurve
en een onderlinge samenhang zelfs
geheel kan ontbreken. Het hangt
dan van de individuele significantie
van het monster af of het zelfstandig drager van een datering kan
zijn. Als het niet lukt met één van
de standaardcurven tot een datering te komen, kan men besluiten
RVblad 015 1
de onbekende monsters nog eens
te vergelijken met andere curven,
bijvoorbeeld met samenvattingen
van groepen monsters waarvan de
datering wèl gelukt is.
Een beroeps-dendrochronoloog
zal
niet alleen jaartallen als uitkomst
geven, maar ook een toelichting
met percentages en waarden. Van
het onderzoek in opdracht van de
RDMZ worden in Zeist de oorspronkelijke houtmonsters opgeslagen
om de dateringen eventueel nog
eens over te kunnen doen.
2.4 Het belang van spinthout
Maatgevend voor de datering zijn
de monsters met compleet spinthout. Onder de microscoop is dit
controleerbaar, omdat de eindgrens van het hout parallel moet
lopen met de rij vaten van de
jongste jaarring. Wanneer de
eindgrens deze rij doorsnijdt, weet
men, dat de wankant niet aanwezig
is. Bij het ontbreken van wankant
kan men een schatting maken van
het vermoedelijke aantal spintringen. Afhankelijk van de leeftijd
van de boom, houdt Hollstein
daarvoor aan 13:
stammen tot 100 jaar oud:
16,0 f 4,5
100 - 200 jaar oude stammen:
20,4 LIZ6,2
stammen van meer dan 200 jaar
oud: 25,9 5 7,l.
Deze aantallen voegt men toe
indien de aanwezigheid van de
spintgrens geconstateerd is. Bij het
ontbreken van die grens, kan
hooguit een terminus post quem
gegeven worden. Dit wil zeggen
dat de laatste gemeten jaarring
vermeerderd wordt met een
geschat aantal spintringen en de
datering dan ergens na dat punt
valt.
Na individuele meting en datering
kunnen de monsters onderling
gesynchroniseerd en bij aantoonbare correlatie met elkaar gemiddeld worden. De aanwezigheid van
spinthout, ook al is het niet bij alle
monsters compleet aanwezig, kan
ook hier van groot belang zijn. De
onderlinge samenhang blijkt
RDMZ R”
1994/36
32
namelijk uit het ongeveer samenvallen van de spintgrenzen.
3. Geschiktheid van het hout voor
een datering
Uitgangspunt is eikehout, een
duurzame soort die in heel Nederland tot het begin van de zeventiende eeuw toepassing vond in
draagconstructies van gebouwen.
Eikehout kwam in grote hoeveelheden via de Rijn en Maas richting
Nederland en biedt daardoor goede
mogelijkheden tot vergelijking met
Duitse en Belgische standaardcurven. Vooral in Oost-Nederland
ging het gebruik van eikehout nog
geruime tijd door, terwijl men
elders in de 17de eeuw overging op
naaldhout. Voor sommige onderdelen werd nog steeds eikehout
gebruikt, consoles onder balken,
trappen en dergelijke. Hoewel er
mogelijkheden zijn om naaldhout
te dateren, is daarmee in Nederland weinig of geen ervaring
opgedaan.
Zoals we eerder zagen is de kans
op een betrouwbare datering zeer
gering, wanneer er slechts één balk
of één monster beschikbaar is.
Daarom nemen we een groter
aantal monsters, gemiddeld vijf per
bouwfase. De kans op samenhangende ouderdom en herkomst,
binnen één groep van monsters, is
uiteraard groter bij een aantoonbare bouwkundige samenhang. De
mogelijkheden om dit te controleren, zijn in een gebouw met oude
houtconstructies gelukkig ruimschoots voorhanden. De kans op
een datering van een oude houtconstructie is in bouwkundige
context namelijk aanzienlijk groter
dan die van materiaal afkomstig uit
een archeologische ‘site’, waar zich
niet meer herkenbare verstoringen
voorgedaan kunnen hebben.
In kapconstructies laat zich de
samenhang binnen één bouwfase
goed controleren aan de hand van
de telmerken. Het aanwijzen van
bouwkundig gezien bij elkaar
horende onderdelen, is bij uitstek
werk voor de bouwhistoricus. Hij of
zij kan aan de houtverbindingen
en
aan het oppervlak van het hout
zien of er sprake van hergebruikt
materiaal is. Zonder deze voorkennis loopt men het risico onsamenhangende monsters te boren. In
een datering steunen of versterken
die elkaar niet, waarmee het geheel
op een mislukking kan uitdraaien.
Soms komt uit de resultaten naar
voren, dat binnen één veronderstelde bouwfase zich toch hout uit
twee verschillende perioden
aandient. Dit deed zich voor bij het
pand Melkmarkt 10 in Zwolle waar
zich tussen hout uit 1474 een
oudere bouwfase aftekende,
daterend uit 1369 14.De sporenkap
met enkelvoudige jukken werd in
het eerstgenoemde jaar verbouwd
tot een vorm met dubbele jukken
en flieringen. Slechts de onderdelen
van het tweede juk verschaften de
jongere datering. Een aantal van de
oudere onderdelen droeg bij
nadere beschouwing twee verschillende typen telmerken. Kortom, de
kans op onderlinge samenhang van
het materiaal en daarmee op een
succesvolle datering neemt toe bij
een meer zorgvuldige monstername. Door een grondige visuele
inspectie van het houtwerk, voorafgaande aan de monstername, kan
men dergelijke complicaties
voorkomen.
Voordat men overweegt monsters
te nemen, dient eerst een selectie
tussen balken met grove en fijne
jaarringen plaats te vinden. Hout
met fijne jaarringen verdient de
voorkeur boven hout met grove
ringen 15.Grove ringen zijn gemiddeld dikker dan twee millimeter,
oplopend tot vijf à negen millimeter. Deze grove jaarringen zijn
kenmerkend voor de groei gedurende de eerste decennia van de
meeste jonge bomen en verder ook
bij bomen die permanent onder
gunstige omstandigheden groeiden. Hiermee bedoelen we bomen
die met hun wortels direct in het
grondwater stonden en weinig
concurrentie ondervonden van
andere exemplaren in hun directe
omgeving. Deze toestand doet en
deed zich vooral voor in de Nederlandse laagvlakte waar zich aan de
stammen grote zijtakken vormden.
Hier tegenover staat hout afkomstig
Dendrochronologie
RVblad 01-6
Het komt ook voor, dat men in het
verleden reeds balken heeft doorgezaagd, waarvan men zonder grote
schade een extra stukje af kan
zagen of een uiteinde van los kan
peuteren. Zulke mogelijkheden
doen zich onder meer voor ter
plaatse van een later ingebroken
trapgat of bij doorgezaagde
korbelen en windschoren. Een plak
hoeft niet dikker dan enkele
centimeters te zijn.
8. Plak van een stuk eikehout die aan de rand is bijgesneden, waar zich de jaarringen
duidelijk aftekenen. Het lichte spinthout rechts onderscheidt zich van het kernhout.
van bomen uit bergachtige streken
met aaneengesloten bosbestanden.
Zij waren afhankelijker van regenwater en ondervonden concurrentie van andere bomen en
ontwikkelden zich vooral in de
hoogte. Het ontstaan van zeer
kleine jaarringen hoeft niet alleen
op ‘arme’ groeiomstandigheden te
wijzen, maar kan ook te maken
hebben met ziekte of aantasting
van de boom.
Op plaatsen waar de vezels loodrecht zijn doorsneden, bijvoorbeeld
aan de kopse kant van een balk of
ter plaatse van een inkeping of gat,
is het patroon van de jaarringen
doorgaans direct zichtbaar. Krabben met een scherp mes kan
daarbij helpen. Ook met het blote
oog onderscheidt ongeschilderd,
grofnervig eikehout zich ten
opzichte van fijnnervig materiaal.
Het zijvlak van een ongeschilderde
balk toont een vlammend patroon,
als gevolg van tangentiale doorsnijding van de jaarringen. Op plaatsen waar zich grotere noesten ofte
wel zijtakken van de boom bevinden, verlopen de tangentiale,
parallelle ringen naar een cirkelvormig en haaks patroon. Na enige
oefening kan men zo hout met vrij
fijne structuur onderscheiden,
zonder de zichtbare aanwezigheid
van een kopse kant.
4. Monstername
Een ‘leesbaar’ patroon van jaarringen kan op drie verschillende
manieren ontstaan: 1. door het
zagen van plakken; 2. door het
boren van een monster met behulp
van een holle boor; 3. door de
ringen met een loupe direct op de
kopse kant te meten.
1. Het zagen van plakken is de
meest destructieve manier om
monsters te nemen en kan in de
regel alleen plaatsvinden tijdens
ingrijpende verbouwingen, indien
er hout ‘overschiet’. Het is riskant
monsters te selecteren uit een
stapel afgezaagde stukken hout die
de aannemer naast zijn bouwkeet
neerlegt. Hieruit blijkt zelden nog
de oorspronkelijke samenhang van
het materiaal. Samenwerking met
de aannemer kan nuttig zijn om
plakken gezaagd te krijgen, nadat
vooraf duidelijk op ieder van de
toekomstige monsters de plaats van
herkomst wordt geschreven. Het
voordeel van plakken is, dat een
aanzienlijk deel van de doorsnede
van de stam zichtbaar is om zo een
gunstig traject voor het meten van
de ringen uit te zetten afb. 8.
Een enkele keer kan men buiten
een verbouwing om ook een plak
bemachtigen, door een stukje van
een uitstekende balk af te zagen.
2. In gebouwen waar gewerkt of
gewoond wordt, is een holle boor
voor het nemen van monsters het
meest geschikt. Bosbouwers kennen
dunne handboren die echter niet
geschikt zijn voor het harde,
gedroogde eikehout in monumenten. Wij gebruiken daarom hardstalen boren die Tisje ontwikkelde
afb. 9. Deze hebben een buitendoorsnede van 22 millimeter en
leveren in een boormachine bij
1000 tot 2000 toeren per minuut
een monster met een dikte van
circa 10 millimeter afb. 4. Het
verschil tussen de doorsnede van de
boor en de doorsnede van de kern
wordt weggeboord door vier tot zes
snijvlakken in de kop, waarbij de
spanen via spiraalvormige groeven
langs de buitenzijde worden
afgevoerd. Dankzij de konisch
geruimde binnenruimte, loopt het
monster niet vast tegen de binnenwand van de boor. Als gevolg van
de overvloedige produktie van
spanen of door verandering in de
9. Het boren van een houtmonster met
behulp van de holle boor in een korbeel
uit 1374 (Kamperstraat 14 in Zwolle,
1987).
RVblad 01-7
richting van het boren komt het
echter voor dat de boor vastloopt of
het monster afbreekt 16.Door de
boor uit elkaar te schroeven, kan
men een afgebroken monster er uit
halen. Het gat hoeft niet dieper
geboord te worden dan tot het hart
van de boomstam, dikwijls het
midden van de balk. De schuine
kanten, ook wel wankanten genoemd, bepalen de richting waarin
we werken. Wanneer we namelijk
haaks op dit (ronde) buitenvlak
boren, komen we theoretisch exact
in het hart van de boom uit.
Aangezien de holle boren geen
punt hebben, gebruiken we een
ruim passende ring die met scherpe
punten in het hout geslagen wordt.
Zo is een vast punt bepaald, van
waaruit rustig en onder één vaste
hoek geboord wordt.
Omdat ook het boren (licht)
destructief is, dienen vooraf, na
zorgvuldige inspectie van het
oppervlak, de gewenste plaatsen
aangegeven te worden om overbodige gaten en teleurstellende
monsters - met weinig ringen - te
voorkomen. De gaten dient men
uitsluitend te boren in ruim
bemeten balken zodat er geen
gevolgschade in de vorm van extra
doorbuigen of breuk kan ontstaan.
Men boort niet in balkkoppen of
ingemetselde voeten van spantbenen, omdat zich hier risico’s van
aangetast hout kunnen voordoen.
Evenmin boort men ter plaatse van
gaten of kepen voor respectievelijk
gepende en gelipte verbindingen;
een extra boorgat kan de balk hier
doen ‘kraken’. Het boren van
balken in het midden van de
overspanning is eveneens af te
raden, omdat daar de grootste treken drukkrachten optreden. Omdat
aan veel opleggingen in traditionele houtconstructies een gedeeltelijke inklemming
toegekend mag
worden 17,is het gunstig het gat
bijvoorbeeld op 1/8 of 1/5 van de
balklengte bij de oplegging te
boren Is. Men boort ook niet in de
directe nabijheid van noesten,
wegens verstoringen in het groeipatroon, noch door krimpscheuren
heen en men dient bedacht te zijn
op de aanwezigheid van spijkers,
RDMZ RV 1994136
- 33
ankers, krammen en dergelijke.
Verder hangt de geschiktheid van
het hout af van de esthetische en
materiële waarde van het oppervlak. Zo zal het boren in een
spantconstructie op minder bezwaren stuiten, dan in een zichtbare
plafondbalk. Wanneer een oude
kapconstructie ontbreekt, of de
vloeren uit een andere tijd dateren,
boort men eerder in een balk dan
in een fraai bewerkte console. In
alle gevallen kan een strak passende prop in het hout geslagen
worden, die men eventueel in de
kleur van de balk kan bijwerken.
Ethisch gezien is het niet verantwoord monsters uit meubilair,
lambrizeringen, spreidsel en
dergelijke te boren; hier kan men
beter de derde methode inzetten.
3. De jaarringen worden direct op
de kopse zijde gemeten. Men snijdt
hooguit een fractie van dit vlak af,
om de ringen beter zichtbaar te
maken. We praten hier over
museale objecten zoals schilderijen
op paneel,
meubilair,
houten
beelden, deuren en dergelijke. Met
een loupe die 7 tot 15 keer vergroot en voorzien is van een
schaalstokje, kunnen ringdikten tot
in tienden van millimeters gemeten
worden. Het is ook mogelijk een
verplaatsbare microscoop over een
vast opgesteld kunstvoorwerp te
laten gaan en zo de meetwaarden
vast te stellen. Panelen, spreidsel en
dergelijke zijn slechts bruikbaar
indien de jaarringen haaks op de
breedte van de ‘plank’ staan, die
dus radiaal gezaagd of gekloofd
zijn.
Bij het nemen van alle monsters
geldt dat de buitenkant van de
voormalige boom belangrijker is
dan het hart. Het jonge boompje
groeide doorgaans snel en vormde
dikke jaarringen die minder
significant zijn dan de dunne,
latere ringen. De buitenkant van de
stam is daarentegen onmisbaar
voor een nauwkeurige datering.
We hebben er alle belang bij de
jongste jaarring, direct onder de
schors te kennen, omdat die
aangeeft wanneer de boom geveld
werd. Bij verzaagde boomstammen
blijven stukjes van die buitenkant
meestal wel herkenbaar in de vorm
van afgeronde hoeken, soms nog
met schors.
Voor de plaatsaanduiding van de
houtmonsters uit kapconstructies
kan men het beste de aanwezige
telmerken gebruiken. Zo herkent
men later de exacte plaats in het
gebouw. Het toekennen van fictieve
nummers of letters aan monsters
heeft als nadeel, dat men een
geschreven toelichting nodig heeft,
om de juiste plekken terug te
vinden.
5. De tijdsspanne tussen kappen en
toepassen van hout
Regelmatig duikt de vraag op, in
hoeverre er een samenhang bestaat
tussen het tijdstip van het vellen
van de boom en de toepassing van
het hout in een gebouw. Analoog
aan de huidige gang van zaken in
de houthandel, suggereert men
langdurige watering en droging.
Het is daarom interessant
dendrochronologische
dateringen
te vergelijken met historische
gegevens over diezelfde objecten.
Dit hebben we in Nederland
nauwelijks gedaan, omdat dergelijk
onderzoek reeds in Duitsland
plaatsvond en het daarom een
onrendabele besteding van de
beperkte tijd en middelen zou zijn.
Hollstein vond, dat in 67% van de
gevallen het hout binnen één jaar
verwerkt werd, 29% tussen één en
twee jaar (dus 96% binnen twee
jaar) en dat bij 4% de toepassing
meer dan twee jaar op zich liet
wachten ly.
Er waren praktische redenen die
maakten dat eikehout meestal vers
en in vrij natte toestand verwerkt
werd. Aan deze handelwijze ligt de
toenemende hardheid ten grondslag die intreedt na droging. Men
zaagde eikehout uitsluitend met
menskracht; het verwerken van aan
de lucht gedroogd hout zou een
aanzienlijk grotere inspanning
vergen. Andere redenen zijn
eveneens van praktisch-economische aard: een niet-gekapte boom
neemt in omvang toe, terwijl
Dendrochronologie
RVblad 01-8
kappen en opslaan gepaard gaat
met een verhoogd risico van
aantasting door insekten.
Tegenwoordig eist de bouw goed
gedroogd hout, omdat de huidige
gebouwen intensief verwarmd
worden. Vroeger kon een balk in
het gebouw relatief langzaam aan
de lucht drogen, omdat de mogelijkheden van verwarming beperkt
waren. Deze werkwijze blijkt uit de
manier waarop veel oude balken
gekrompen zijn. Wegens een
excentrische positie van het hart
trad in de doorsnede een ongelijkmatige krimp op. Zo is te zien dat
rechthoekig gezaagde balken na
jarenlange droging een scheve
doorsnede kregen. Dit scheeftrekken ontstond voornamelijk ten
gevolge van de tangentiale krimp
die aanzienlijk groter is dan de
radiale krimp afb. 10. Deze typerende vervormingen bewijzen, dat
bomen vers en in vochtige toestand
tot balken en andere produkten
verzaagd werden. Tenslotte geeft
de spreiding in de datering van
twee of meer monsters met wankant uit één context ook informatie
r over deze vraag. Die spreiding valt
bijna altijd binnen twee jaar, dus
binnen de door Hollstein aangehouden marges. Conclusie:-hout
werd meest vers en vochtig verwerkt en wel in 96% van de gevallen binnen twee jaar na het kappen
van de boom.
6. Evaluatie van de resultaten
6.1 De percentages geslaagde
dateringen
Gedurende een periode van ruim
drie jaar namen we in Nederlandse
monumenten, daterend uit de late
middeleeuwen, 679 houtmonsters
om 146 verschillende bouwfasen te
dateren. Gemiddeld zijn er derhalve 4,65 monsters per bouwfase
geboord. Van de 146 bouwdelen
konden er 114 gedateerd worden,
hetgeen neerkomt op een positief
resultaat van 78%. Deze relatief
gunstige uitslag is niet alleen te
danken aan zorgvuldig selecteren
van het eikehout, maar ook aan het
gemiddelde aantal van 4,65 monsters per bouwfase. Indien we het
aantal succesvolle dateringen van
individuele monsters, in totaal 350,
vergelijken met het geheel van 679,
komen we op een geslaagde score
van 51,5%.
Het positieve resultaat blijkt in
sterke mate afhankelijk van de
plaats waar het hout werd toegepast 2o.In de steden was men veelal
aangewezen op geïmporteerd hout.
De plek van toepassing, de locatie
van de betreffende stad had een
relatie met het achterland, ofwel
met het stroomgebied van nabijgelegen rivieren. Eikehout toegepast
in grote steden kwam eerder over
een grote afstand dan hout voor
gebouwen op het platteland en in
dorpen, hetgeen blijkt uit het
schema op blad 9.
Als voorbeeld selecteerden we
Maastrichts en Utrechts hout dat
het gemiddeld met de Duitse en
Belgische standaardcurven beter
doet dan hout uit plaatsen in de
ruime omgeving van die steden. In
de stad Utrecht lukte het 51,4% van
de monsters te dateren, overeenkomstig het landelijk gemiddelde.
Met de monsters uit de provincie
Utrecht en het ten zuiden hiervan
gelegen West-Gelderland lukte het
slechts in 31,6% van de gevallen.
Het verschil tussen Maastricht plus
één gebouw in Venlo enerzijds en
het Zuidlimburgse platteland
anderzijds is eveneens opmerkelijk.
De houtmonsters in de steden
konden voor 75,8% gedateerd
worden, terwijl de omgeving van
Valkenburg-Eijsden slechts 42,9%
scoorde. Een laag resultaat boekten
we in Holland en Brabant waar
gemiddeld 37,5% van de monsters
gedateerd kon worden. NoordHolland steekt met 43.6% gunstig
af tegen Zuid-Holland en Brabant
waar slechts 34.3% van de pogingen succeshad.
Er is een tweede argument om te
veronderstellen dat het eikehout in
de steden Utrecht en Maastricht
eerder geïmporteerd werd, dan dat
op het omliggende platteland.
Hiervoor kijken we naar de gemiddelde dikte van de ringen.
De 74 monsters uit de stad Utrecht
hebben gemiddeld 1,62 mm dikke
ringen; in de omgeving zijn ze
2,09 mm. In Maastricht bleken
89 monsters een gemiddelde
ringbreedte van 1,48 mm te
hebben tegen 2.07 mm op het
Limburgse platteland.
Eerder merkten wij in algemene
zin op, dat eikehout met fijne
jaarringen zich gemakkelijker laat
dateren dan grover hout. Om dit te
onderbouwen, hebben we van de
bovengenoemde 679 monsters de
gemiddelde ringbreedte per gebied
vergeleken met de positieve score,
ofwel het percentage geslaagde
dateringen. Gelet op de gemid-
Dendrochronologie
RVblad 01-9
Ja
%
Nee
%
Totaal
aantal
Holland/Brabant
Noord-Holland
Z-Hol/Brabant
Utrecht/W. Gelderland
Utrecht stad
Prov. Ut./Geld.
Limburg
Maastricht/Venlo
Zuid-Limburg
Overijssel/Gelderland
Groningen/Friesland
60
24
36
56
38
18
84
72
28
131
19
37.5
43,6
34,3
42.7
51,4
31.6
68.3
75,8
42,9
60,4
39,6
100
31
69
75
36
39
39
23
16
86
29
62.5
56.4
65.7
57.3
48.6
68,4
31.7
24.2
57,l
39.6
60,4
160
217
48
Totaal
350
51.5
329
48,5
679
Gedateerd:
delde ringbreedte, levert dit
globaal twee groepen op afb. ll.
De bovenste groep heeft een
ringbreedte van rond de 21 mm:
de onderste komt gemiddeld in de
buurt van 1,6 mm. De onderste
groep scoort als geheel beter, ligt
meer naar rechts, dan de bovenste
groep. Hierbij dient men te bedenken, dat er gedateerd is met
131
123
standaardcurven die zijn samengesteld uit Twents, Westfaals,
Westduits en Oostbelgisch hout.
Wanneer we naar de onderste
groep kijken, valt het op, dat de
steden die hoog scoren (Maastricht,
Arnhem en Deventer) gelegen zijn
aan rivieren die direct verbonden
zijn met het achterland. Naarmate
de plaats van toepassing verder
ll. Het in Nederland
toegepaste
hout laat zich op grond van de gemiddelde
ringbreedte globaal in twee groepen
onderbrengen,
boven: gemiddeld
2.1 mm dik,
onder: gemiddeld
1.6 mm dik. De bovenste
groep blijft wat achter t.o.v. de onderste
groep. Boven zien wij v.l.n.r. Brabant,
platteland
Utrecht, platteland
Zuid-Limburg,
Kampen,
Borne; onder: Friesland/Groningen,
Zuid-Holland,
Noord-Holland,
de stad
Utrecht,
Zwolle, Deven ter, Arnhem
en Maastricht
(1993).
2.5
t
‘“t
RDMZ RV 1994136
10
34
20
30
40
50
60
70
80
90
100
% succesvol dateerbaar
daarvan verwijderd is, loopt de
kans op succesvolle dateringen
terug, zoals we respectievelijk in
Zwolle en in Utrecht ervoeren.
Binnen dezelfde groep is de kans
op een geslaagde datering zowel in
Holland als in Groningen en
Friesland rond de 40%. De kleine
gemiddelde ringbreedte van het
hout in deze laatste provincies wijst
op import, hetgeen in het noordelijk kustgebied evenzeer noodzakelijk was als in het westelijk
kustgebied. Noord-Holland deed
het een fractie beter dan ZuidHolland en de noordelijke provincies, hoewel de gemiddelde
ringbreedte van het Noordhollands
hout groter is. Dit wijst in NoordHolland mogelijk op een relatief
groter aandeel van Westfaals en/of
Twents hout dat gemiddeld vrij
brede ringen heeft en waarvan
standaardcurven bekend zijn.
Van de tweede groep, met een
gemiddelde ringbreedte van
2,l mm, is alleen het in Borne en
Kampen toegepaste hout voor meer
dan 60% dateerbaar. Vermoedelijk
dient de herkomst van dit (grove)
eikehout grotendeels in de richting
van Twente/Westfalen gezocht te
worden. Het hout dat in Twente
werd toegepast, is beter dateerbaar
dan het hout van het Zuidlimburgse platteland. Vermoedelijk
hebben we in het laatste geval te
maken met afwijkend gegroeid
eikehout uit rivier- en beekdalen,
dat moeilijker te dateren is dan het
Oostbelgische hout uit hogere
streken. In de omgeving van
Utrecht, inclusief de stad Amersfoort, kregen gebouwen constructies waarvoor men mogelijk bomen
van de omliggende zandgronden
benutte, zoals waarschijnlijk ook in
Brabant. Het percentage gedateerde monsters bedraagt hier
slechts circa 20 - 30. Wellicht dat in
deze gebieden met (nog te maken)
lokale standaardcurven betere
resultaten geboekt kunnen worden.
Opmerkelijk is, dat we in Helmond
met moeite een aantal positieve
resultaten bereikten, terwijl westelijker in Vessem (bij Eindhoven) en
in Breda de meeste dateringen
mislukten.
Dendrochronologie
RVblad 01-10
6.2 Het aantal ringen spinthout
Bij het boren van de houtmonsters
is er steeds naar gestreefd spinthout liefst compleet met wankant
te boren. Wankant was bij
220 boringen ofte wel 32,4% van
het totaal aanwezig. Hoewel de
holle boor in principe richting hart
gaat, wordt het hart of de omgeving daarvan meestal niet exact
geraakt. Een complete doorsnede,
dus een combinatie van wankant
en hart troffen we in 90 gevallen
aan. Deze 90 geven de mogelijkheid de aanname van Hollstein,
inzake het te schatten aantal
spintringen, nog eens te verifiëren.
Hollstein vormde aan de hand van
200 monsters drie categorieën die
we hierboven noemden. Hieruit
kan men afleiden dat een oudere
boom niet alleen meer spintringen
heeft, maar dat ook de grootte van
de marge toeneemt. Indien wij de
gegevens van die 90 monsters
grafisch uitzetten, blijkt 77,8% van
de Nederlandse monsters binnen
het door Hollstein geschetste raam
te vallen 21afb. 12. Dit is bijna 10%
lager dan de geclaimde score, dat
87,2% binnen een variatie van
13 tot 30 spintringen zou vallen 22.
Vooral de abstracte scheiding die
Hollstein door ziin rekenwiize bii de
grens van 100 jaar geeft, dÓet ’
afbreuk aan het meer gelijkmatige
verloop, dat wil zeggen het meer
geleidelijk klimmen van het aantal
spintringen bij toename van het
totaal aantal jaarringen.
De 90 monsters die wij analyseerden, hadden gemiddeld 87,4 jaarringen en gemiddeld 16,7 spintringen. Ons inziens doet een
lineaire of logaritmische verhouding tussen het aantal spintringen
en het aantal ringen van het
monster meer recht aan de werkelijkheid dan Hollsteins ‘blokkenmodel’.
In de volgende vergelijking vatten
we 87% van de door ons verwerkte
Nederlandse houtmonsters samen:
aantal spintringen = aantal ringen
stam x 0,0875 + 9 f 6
Door de marge ruimer te nemen,
kan de vergelijking voor 95,6%
opgaan:
aantal spintringen = aantal ringen
stam x 0,0875 + 10 ?-8,2
12. De verhouding
van het aantal spintringen
tot het totaal aantal ringen van het
houtmonster,
gebaseerd
op 90 monsters
van in Nederland
toegepast
hout. De rechthoe
kige vakken
tonen Hollsteins
rekenmodel:
in de zone tussen de schuine, doorlopende
lijnen valt 87% van de monsters:
tussen de schuine streeplijnen
valt 95,6% van de
monsters
(1993).
30
.&-f+’
/’
De constanten 0,0875 en 9 volgen
uit de schuinte en uit het startpunt
van de lijnen in afb. 12. De marges
en de (gebroken) rekenwaarden
zijn gebaseerd op monsters die
door min of meer toevallige
omstandigheden compleet bewaard waren. Bij vergroting of
verkleining, dan wel bij een andere
samenstelling van de groep, zullen
de daaruit voortvloeiende rekenregels voor het aantal spintringen
ongetwijfeld (iets) wijzigen. In een
dendrochronologische
datering
geeft men de marges van het te
schatten aantal spintringen doorgaans met gehele (afgeronde)
getallen aan.
Als voorbeeld: een monster met
84 ringen, inclusief vijf spintringen,
komt op een datering in het jaar
1367. Het hart van de boom is niet
aanwezig. Omdat de ringen aan
het begin van het monster een
sterke kromming vertonen, kan het
aantal ontbrekende ringen tot het
hart op 10 worden geschat. Het
aantal spintringen stellen we op a
en bedraagt volgens de formule:
aantal ringen stam x 0,0875 + 9 i 6.
Het aantal spintringen (a) = totaal
aantal ringen (10 + 79 + a) x 0,0875
+ 9 f 6; a = 18,4, afgerond 18 f 6.
Hierin is het aantal ringen van de
stam gelijk aan 84 - 5 + 10 = 89 plus
het berekende aantal spintringen
18 + 6.
Omdat het monster reeds 5 spintringen telt, dienen we 18 - 5 = 13
jaar bij de datering op te tellen. Die
datering is dan: 1380 f 6 jaar (d).
Bij de vermelding van een jaartal
kan men daaraan een (d) toevoegen om aan te geven dat het een
dendrochronologische
datering
betreft. Het verdient echter aanbeveling, om in een voetnoot te
vermelden wie de datering heeft
uitgevoerd, met welke waarden en
percentages als uitkomst en met
welke standaardcurven de afzonderlijke monsters een positief
resultaat gaven.
Herkomst
50
100
150
>
200
aantal ringen stam
van de afbeeldingen
D.J. de Vries: 1, 2, 5, 6, 7, 10, 11, 12
H. Tisje: 3
RDMZ: 4, 8, 9,
Dendrochronologie
RVblad 01-11 1
Noten
i” Hollstein 1980 (noot 5) 29.
r J.C. Holst, ‘AbschluBbericht zum
Forschungsvorhaben. Thermolumineszenzdatierung ältester Backsteinbauten.
Entwicklung und Erprobung von Modellen und Techniken’. Lübeck/Berlin 1992, 2
(fotokopie van rapport door auteur ter
beschikking gesteld).
r1 Hollstein 1980 (noot 5). 32.
’ In 1989 verrichtte J.A. Brongers van de
ROB te Amersfoort ceramologisch
onderzoek op vijftien monsters, echter
zonder duidelijke verschillen tussen de
baksels afkomstig uit de stroomgebieden
van enkele rivieren en andere, (waarschijnlijk) gemaakt van zeeklei.
3 Zie: J.H.F. Bloemers, L.P. Louwe
Kooijmans en H. Sarfatij, Verleden
Archeologische
opgravingen
land, Amsterdam 1981, 18
Land.
in Neder-
- 19.
l2 Gegevens ontleend aan folder van
‘RING’, Stichting Nederlands Centrum
voor Dendrochronologie,
Kerkstraat 1,
3811 CV Amersfoort.
r3 Ernst Hollstein, ‘Jahrringchronologische
Datierung von Eichenhölzern ohne
Waldkante’, in: Bonner Jahrbuch
165
(1965): 12 - 27, m.n. tabel 1 p. 16.
l4 De Vries 1992 (noot 8), 34.
*’ Hollstein 1980 (noot 5), 29.
r6 De risico’s van vastlopen zijn voor de
bediener van de boormachine aanzienlijk
kleiner (600 tot 1000 watt voldoet), indien
deze van een slipkoppeling is voorzien.
’ D. Eckstein, J.A. Brongers en J. Bauch,
‘Tree-ring research in the Netherlands’, in:
Tree-ring
Bulletin
3.5 (1975): 1 - 13 en
J.A. Brongers, ‘Dendrochronological
investigation of recent oak (Quercus sp.)
in the Netherlands’, in: Berichten ROB 23
(1973): 459 - 464.
l7 Ook al gaan constructeurs doorgaans
uit van punt-opleggingen.
5 E. Hollstein, Mitteleuropäische
Eichenchronologie,
Mainz 1980.
2o De Vries 1992 (noot 8). 27.
’ Uitgevoerd door A.F.L. van Holk in 1986.
7 H. van der Wal, ‘De bouwgeschiedenis
van huis Drakenburg te Utrecht’, in:
Bulletin
KNOB
l8 Omdat men theoretisch hier ergens het
momenten-nulpunt
kan verwachten.
lg Hollstein 1980 (noot 5) 38.
” Indien we de helft van de acht monsters
die precies op de grenslijnen vallen als
negatief verwerken, daalt de score zelfs
tot 73,3% hetgeen in de richting komt
van de normaalverdeling van 67.7%.
1975, 79.
22 Hollstein 1965 (noot 13). 17.
8 Zie de korte verslagen daarvan: D.J. de
Vries, ‘Monumenten dendrochronologisch
gedateerd (l), Bulletin KNOB 1987, 85 89; Id., ‘Monumenten dendrochronologisch gedateerd (Z)‘, Bull. KNOB 1988,
71- 73; Id., ‘Monumenten dendrochronologisch gedateerd (3)‘, Buil. KNOB 1990,
19 - 26; Id., ‘Monumenten dendrochronologisch gedateerd (4)‘, Bull. KNOB 1992,
27 - 35; Id. ‘Monumenten dendrochronologisch gedateerd (5)‘. Buil. KNOB 1993,
64 - 71.
’ D.J. de Vries, “Soe dattet een Ewych
Werck mach bliven’; de bouw van de
Onze Lieve Vrouwetoren of Peperbus te
Zwolle’, in: Jaarboek Monumentenzorg
199295 - 96 (bestek uit 1539 voor een
houten spits).
RDMZ RV 1994/36
35
Summaxy
In The Netherlands, dendrochronology is the only wel1 known
scientific method used on a large
scale for monuments. At the
universities of Amsterdam and
Utrecht, research is done in this
area. One can apply to the Department of historie buildings and sites,
the RING Foundation in Amersfoort
and Bloemink in Deventer for
dating research, as wel1 as to
dendrochronologers active in
neighbouring countries. Research
in The Netherlands is as yet
restricted to oak. Wood samples are
usually obtained with hollow drills
designed especially for this purpose.
The suitability of the wood depends
on certain conditions which must
be known before the sample can be
taken. An average of 4.65 samples
were taken per building phase; the
samples should contain a minimum
of 60 growth rings, preferably a few
with an unbeveled edge. The
chances for a successful dating
depend on a careful, selected
sampling and on the location of the
object. Chances for success increase
with the use of smaller rings, and
with wood from more elevated
woodareas. During the past three
years, an average of 51.5% of the
679 wood samples commissioned
by the Department of historie
buildings and sites were successfully dated. The wood, which was
used in The Netherlands, could
often be dated with the standard
curve of Westfalen compiled by
Tisje. In the late Middle Ages, there
was usually a correspondence
between the felling of trees and the
use of wood: in 96 percent within
two years of the felling. The wood
used in The Netherlands can be
divided into two groups on the
basis of the width of the rings: an
average of 1.6 and an average of
2.1 millimetres wide. Due to a lack
of local curves, oak from sand
ground in Centra1 Netherlands or
Brabant is difficult to date. lmported
wood that was used in river towns
such as Deventer, Arnhem and
Maastricht can be dated very well.
It is notable that the (imported)
wood used in Utrecht and Maastricht is easier to date than me
coarser wood from the surrounding
areas. In the provinces of North
Holland, South Holland, Friesland
and Groningen, they used finegrained wood that was imported
from great distances. lt is relatively
difficult to date, possibly due to
different origins. The diagram that
Hollstein published in order to
estimate the number of growth
rings in the sapwood can be improved.
A linear equation can be used for
87% of the wood samples used in
The Netherlands: the amount of
rings in the sapwood = the amount
of rings in the trunk x 0.0875 + 9 f 6.