de-rijn-en-rijntakken-verleden-heden-en

De Rijn en Rijntakken
Verleden, heden en toekomst
Notanr. 93.004
4^
w
.
s
Y
H
i
*r
De Rijn en Rijntakken.
Verleden, heden en toekomst
RIZA
Hoofdafdeling Informatie en Ontwikkeling
nota nr. 93.004
ISBN 903690282 7
ing. R.M.A. Breukel
Lelystad, februari 1993
Und im Sand den ich so todlich
Hasse, schlepp' ich mud mein Dasein
Und ich bin schon lang gestorben
Eh' das Meeresgrab mien aufnimmt'
(Uit: Der Trompeter von Sackingen, 1854)
Voorwoord
Door het RIZA wordt in het kader van de Monitoring van de Waterstaatkundige
Toestand des Lands (MWTL) in de Rijn al vele jaren onderzoek verricht op het
gebied van hydrologie, morfologie, waterkwaliteit en ecologie. De resultaten van
dergelijk onderzoek zijn geregeld in nota's, werkdocumenten en andere geschriften
gepubliceerd.
Het onderzoek richtte zich in de loop der jaren steeds op nieuwe onderwerpen. Dit
wordt gei'nitieerd door veranderingen in de problemen die bij het rivierbeheer spelen,
maar ook doordat andere maatschappelijke en politieke opvattingen en ontwikkelingen met betrekking tot dit beheer opgeld doen.
Nieuwe ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld de verschuivingen in de aandachtsvelden met
betrekking tot de waterkwaliteit en de ontwikkelingen met betrekking tot de natuurontwikkeling.
Om een overzicht te geven van de stand van zaken werd het zinvol geacht deze
ontwikkelingen aan te geven door een nota over de belangrijkste Nederlandse rivier:
de Rijn. Het produkt ligt nu voor u.
Bij de totstandkoming van de nota is dankbaar gebruik gemaakt van de gegevens van
andere instanties waaronder de Directie Gelderland (Rijkswaterstaat) en de RIWA
(Samenwerkende Rijn- en Maaswaterleidingbedrijven).
Verder wil ik de diverse collega's bedanken die hun medewerking hebben verleend,
met name H.L. Barreveld voor zijn medewerking aan hoofdstuk 5, ir. H. Kersten en ir.
J. Coppoolse voor het leveren van de basisteksten voor hoofdstuk 6, verder A. Bij de
Vaate voor zijn medewerking aan hoofdstuk 7 alsmede R. Venema, P. Hoogeveen en
J. Schreur die de grafieken en illustraties hebben verzorgd.
De auteur.
Inhoud.
pagina
0. Samenvatting en conclusies
7
1. Inleiding
15
2. Het watersysteem Rijn
2.1 Het watersysteem.
2.2 Hydrografie.
2.3 Functies.
2.3.1 Aan- en afvoer van water, sediment en ijs.
2.3.2 Scheepvaart.
2.3.3 Natuur, ecologie.
2.3.4 Koelwater, waterkracht, delfstoffen.
2.3.5 Landbouw en visserij.
2.3.6 Recreatie.
2.3.7 Drinkwater.
2.4 Streefbeeld.
2.5 Organisatie van het beheer.
2.6 Internationaal overleg.
17
17
17
19
20
21
22
3. Hydrologie
3.1 Afvoer.
3.2 Waterbalans.
3.3 Hoog- en laagwater.
3.4 Waterverdeling in Nederland.
25
25
27
27
28
4. Morfologie en landschap
4.1 Historische landschappelijke waarden.
4.2 Rivierbodem.
4.3 Oevers.
4.4 Uiterwaarden.
4.5 Oude rivierarmen.
31
31
32
32
32
33
5. Water- en waterbodemkwaliteit
5.1 Algemeen.
5.2 Meetprogramma's.
5.3 Natuurlijke samenstelling.
5.4 Algemene parameters.
5.5 Zuurstofhuishouding.
5.6 Nutrienten.
35
35
36
38
38
39
40
5.7
5.8
5.9
5.10
5.11
5.12
Zouten.
Zware metalen.
Organische microverontreinigingen.
Toetsing 1989 - 1992.
Waterbodems.
Inventariserend onderzoek microverontreinigingen.
41
42
43
46
48
49
6. Emissiereductie
6.1 Algemeen.
6.2 Nutrienten.
6.3 Zware metalen.
6.4 Organische halogeenverbindingen.
6.5 Bestrijdingsmiddelen.
6.6 Overige organische verbindingen.
6.7 Conclusies emissiereductie.
55
55
55
56
58
59
60
61
7. Flora
7.1
7.2
7.3
7.4
7.5
7.6
7.7
en fauna
Invloed verontreiniging.
Fytoplankton.
Macrofyten/waterplanten.
Zooplankton, macro-evertebraten.
Vissen.
Amfibieen en zoogdieren.
Vogels.
63
63
64
64
65
68
69
69
8, Natuurontwikkeling.
8.1 Algemeen.
8.2 Huidige situatie en referentiebeeld
8.3 Herinrichtingsmaatregelen.
8.4 Maatregelen i n de Rijntakken.
8.5 De projecten.
73
73
73
74
75
77
4
Literatuur
80
Bijlage 1: Toetsingen waterkwaliteit
Bijlage 2: Overzicht van de stoffen die bij de verschillende onderzoeken in meetbare gehalten zijn voorgekomen.
Bijlage 3: Overzicht lozingen en verwachte reducties RAP/NAP stoffen in het
Rijn stroomgebied, onderverdeeld naar industrie, huishoudens en diffuus.
Rijnstroomgebied.
0.
Samenvatting en conclusies
•algemeen
Een watersysteem zoals de Rijn is een samenhangend geheel van water, waterbodem,
oevers, technische infrastructuur (waterstaatswerken), grondwater en biologische
componenten (planten en dieren). De Rijn is met de Rijntakken Waal, Neder-Rijn en
IJssel veruit het belangrijkste watersysteem in Nederland. Het is de grootste Nederlandse rivier. De enorme hoeveelheid water en slib die de rivier aanvoert, heeft direct
of indirect invloed op zo'n 65% van het Nederlandse oppervlaktewater.
Het stroomgebied van de Rijn (185.000 km2) strekt zich uit over (delen van) Zwitserland, Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Italie, Belgie, Luxemburg, Liechtenstein en
Nederland. Van het stroomgebied ligt 25.000 km2 in Nederland.
•belang
De afvoer van de Rijn (gemiddeld 2200 m'/s bij Lobith) is relatief gelijkmatig verdeeld
over het jaar. Dit maakt de rivier bijzonder geschikt voor de scheepvaart. De Rijn is
de belangrijkste scheepvaartroute in Europa. Ongeveer de helft van de Rijnvloot
bestaat uit Nederlandse schepen. Door de Rijn-Mai n-Donau verbinding is nu via de
Rijn ook Oost-Europa per schip bereikbaar.
Uit ecologisch oogpunt is de rivier van internationaal belang als habitat voor flora en
fauna, en als ecologische verbindingsweg. Tegenwoordig wordt dit belang onderkend
en worden de mogelijkheden voor natuurontwikkeling even zwaar gewogen als andere,
vaak economische, belangen zoals die van scheepvaart en landbouw.
Zo'n 20 miljoen mensen in West-Europa zijn voor hun drinkwater afhankelijk van de
Rijn. In Nederland wordt bij Nieuwegein (Lekkanaal) en bij Andijk (Usselmeer)
Rijnwater ingenomen voor de bereiding van drinkwater. Het belang van Rijnwater als
grondstof voor de drinkwaterproduktie zal in de toekomst alleen maar toenemen,
omdat grondwater steeds minder voor dit doel geschikt en beschikbaar blijkt te zijn.
•internationaal overleg
Internationale afspraken zijn nodig voor een adequaat en effectief beheer van de Rijn.
Deze worden in verschillende overlegkaders gemaakt. De Internationale Commissie
ter bescherming van de Rijn tegen verontreiniging (IRC) bewaakt de verdragen over
de zoutproblematiek en chemische verontreiniging (Rijn-chemieverdrag). Recentelijk is
dit beleid met het Rijnactieprogramma (RAP) verder uitgewerkt en zijn er vergaande
afspraken gemaakt over het terugbrengen van lozingen en over het ecologisch herstel
van de rivier.
•ingrepen in de rivier
Er is altijd volop aan en om de Rijn gebouwd en verbouwd om de rivier te controleren. Al vele honderden jaren geleden is men begonnen met het aanleggen van dijken.
Aanvankelijk lagen veel dijken niet parallel aan de rivier, maar stonden er haaks op.
Dit om het via de uiterwaarden afstromende rivierwater terug te dwingen in de brede
hoofdgeul. Later werden er dijken langs de Rijn aangelegd en werden de eerste
polders gevormd. Sinds 1450 is de rivier min of meer volledig bedijkt. Een rivierdijk
heette 'weerd'of 'waard'.een woord dat nog in veel plaatsnamen voorkomt.
Later (vanaf 1850) werden normalisatiewerken uitgevoerd.
•erosie
Door alle maatregelen ter verbetering van de afvoer en de hogere stroomsnelheden
die hiervan het gevolg waren, is in de afgelopen 100 jaar de bodem van de Rijn sterk
uitgeschuurd. Bij Lobith daalt de bodem gemiddeld met 2 centimer per jaar. Mede
hierdoor werd in 1991 een record-lage waterstand gemeten bij Lobith.
De oevers hebben te lijden van de afslijtende werking van het water, zeker waar
intensieve scheepvaart plaatsvindt. Langs de IJssel en de Neder-Rijn en Lek zijn de
oevers vrijwel overal verhard met steen. De Waaloevers zijn voor het merendeel nog
niet verdedigd.
• uiterwaarden
De uiterwaarden (het gebied buiten de winterdijken) en de kolken, kleiputten en oude
rivierarmen die in de uiterwaarden liggen, zijn een onderdeel van het riviersysteem.
Vaak ligt tussen de uiterwaard en het zomerbed een lage zomerdijk. In totaal ligt er
langsdeNederland.se Rijntakken circa 28.000 hectare aan uiterwaarden. Hiervan kan
6.900 hectare vrijelijk overstromen bij hoogwater. Vooral langs de IJssel kan de
breedte van de uiterwaarden varieren van enkele meters tot enkele kilometers.
Meander-ruggen in de uiterwaarden bestaan uit een basis van grof materiaal, dat
afgedekt is met een laag fijn slib. Tussen de ruggen liggen vochtige lagen zware klei,
die daar tijdens overstromingen zijn afgezet.
•waterkwaliteit.
Tussen 1960 en 1970 was de waterkwaliteit van de Rijn sterk verslechterd. Sinds 1970
is hard gewerkt aan een verbetering van deze situatie. Na een sterke verbetering in de
jaren zeventig en begin tachtig, gaat de vooruitgang nu minder hard. De oorzaak
hiervan is dat bij afnemende waterverontreiniging steeds geavanceerdere zuiverings en
procesmethoden nodig zijn om relatief kleine verbeteringen tot stand te brengen.
Bovendien wordt nu een relatief groot aandeel van de verontreiniging veroorzaakt
door moeilijker aan te pakken oorzaken zoals de diffuse verontreinigingen.
Voor sommige stoffen zijn de gehalten de laatste jaren weinig meer verbeterd (stikstof). Van andere stoffen, zoals fosfaat, is de concentratie wel afgenomen. De
zuurstofhuishouding is tegenwoordig zelfs goed te noemen. Ook de gehaltes aan
metalen en diverse bestrijdingsmiddelen zijn sterk gedaald. Toch zijn er nog volop
problemen, zoals de gehalten aan stikstof, zout en bestrijdingsmiddelen.
Maar vooral in zwevende stof (slibdeeltjes) zijn de gehaltes aan PAK, PCB en bestrijdingsmiddelen nog duidelijk te hoog. Hierdoor wordt nog niet voldaan aan de normen.
Ook de waterbodems zijn nog lang niet schoon genoeg, deels door historische
belasting maar deels ook door nieuw nog steeds verontreinigd slib. Baggerwerkzaamheden, sanering van vervuilde waterbodems maar ook de plannen voor natuurontwikkeling dreigen vertraging op te lopen door het ontbreken van geschikte methoden en
locaties om het vrijkomende slib te reinigen en/of te bergen.
In het Rijnactieprogramma (RAP) hebben de Rijnoeverstaten zich verplicht de lozingen van een groot aantal stoffen te halveren. Dit geeft een nieuwe impuls aan de
verbetering van de kwaliteit van de Rijn. De in het RAP gemaakte afspraken voor
emissiereductie worden voor een groot deel van de genoemde stoffen (ruim) gehaald.
Voor een aantal stoffen worden echter lagere reductiepercentages verwacht. Met
name de invloed van de diffuse bronnen, waaronder de landbouw. is hierbij een
probleem.
8
Ook de strengere normen van de Algemene Milieu Kwaliteit (AMK, gepubliceerd in
de Derde Nota Waterhuishouding) zal mogelijk een stimulans zijn voor het waterbeheer. Verder is in het internationale overleg als uitwerking van het Zoutverdrag een
regeling getroffen die de hoogste zoutbelasting moet reduceren.
Behalve de verbeterde waterkwaliteit is ook het aantal calamiteiten afgenomen.
Een bemoedigend teken voor de invloed van al deze ontwikkelingen is dat de laatste
tien jaar het aantal soorten organismen in en om de Rijn is toegenomen.
•ecologie
Een gezonde rivier bevat een uitgebreide flora en fauna. Rond 1970 was het ecosysteem van de Rijn sterk verarmd; het werd gedomineerd door enkele soorten die de
slechte waterkwaliteit goed konden verdragen. De sterke waterstandsfluctuaties en
stroming vermindert de kansen voor met name water- en oeverplanten. Tegenwoordig
is het ecosysteem weer meer soortenrijk en veelzijdig, al domineren nog steeds de
minst-eisende soorten. Wel zijn er al weer soorten teruggevonden die lange tijd
rondom de Rijn waren uitgestorven zoals de eendagsvlieg (Groot Haft of Oeveraas).
Een goede kwaliteit van water en slib is een randvoorwaarde voor het vdorkomen van
aquatische organismen. Er is echter meer nodig. De natuurlijke habitats van de
verschillende planten en dieren moeten langs de rivier aanwezig zijn en ze moeten
bereikbaar zijn. De zalm wordt in dit verband vaak als voorbeeld genoemd.
Langs de sterk genormaliseerde Rijn wordt vaak aan deze laatste eis niet voldaan. Er
is weinig ruimte voor spontane ontwikkeling van de natuur. Ook heeft het traditionele
kleinschalige en afwisselende uiterwaardenlandschap grotendeels plaats moeten maken
voor uitgestrekte soortenarme graslanden en grote zandwinplassen.
•natuurontwikkeling
Voor grote delen van de Rijntakken zijn natuurontwikkelingsprogramma's opgesteld.
De terugkeer van zeldzame dier- en plantensoorten moet mogelijk worden als het
riviersysteem weer beter is 'ingericht', bijvoorbeeld door de aanleg van plantenrijke
wateren, grindbanken en langzaam meestromende nevengeulen.
Bij het herinrichten van de oevers en -uiterwaarden worden nevengeulen en poelen
gegraven, en wordt natuurvriendelijke oeververdediging toegepast. Verder zullen
rivierduinen de kans moeten krijgen om zich te ontwikkelen en worden oude riverarmen en strangen weer aan de hoofdstroom gekoppeld. Zelfs het doorsteken van
zomerkaden behoort tot de mogelijkheden. Deze inrichtingsplannen moeten hand in
hand gaan met aanpassingen in het kwantitatieve waterbeheer en extensivering van
landbouw en recreatie.
De Rijn krijgt hierdoor binnen de projectgebieden weer invloed op de toestand van
het aangrenzende land; de dynamiek van het riviersysteem neemt sterk toe. Er zullen
habitats ontstaan voor verschillende dier- en plantensoorten. Flora en fauna krijgen
weer een kans in specifieke biotopen, zoals langzaam meestromende nevengeulen,
slikkige oevers, poelen, en moerassen. Hoofdstroom, nevenstromen, oevers en uiterwaarden van de Rijntakken moeten weer groene linten in het landschap vormen
waarlangs allerlei dieren en planten zich kunnen verplaatsen.
Natuurontwikkelingsprojecten zijn gepland en in uitvoering langs de IJssel tussen
Wijhe en Olst (Duursche Waarden), langs de Neder-Rijn en Lek (Blauwe Kamer),
langs de Waal bij Sint Andries en, het meest ambitieus van allemaal, tussen Lobith en
Nijmegen: de Gelderse Poort.
'
1
Rijnstroomgebied.
10
0.
Summary and conclusions
•general
A water system such as the Rhine is a cohesive entity of water, channel bed, banks,
technical infrastructure, groundwater and biological components (plants and animals).
With its branches the Waal, the Lower Rhine and the IJssel, the Rhine is by far the
most important water system in the Netherlands. It is the largest river in the Netherlands. The enormous quantities of water and silt carried by the river exercise a direct
or indirect influence on some 65% of the surface waters in the Netherlands. The
Rhine catchment area extends over parts of Switzerland, Austria, Germany, France,
Italy, Belgium, Luxembourg, Liechtenstein and the Netherlands. 25,000 km2 of the
catchment area lie in the Netherlands.
• importance
The discharge of the Rhine (an average of 2,200 m 3 /s at Lobith) is distributed
relatively equally over the year. This makes the river highly suitable for shipping. The
Rhine is the most important shipping route in Europe. Dutch vessels constitute about
half the Rhine fleet. It is now possible for shipping to reach countries in Eastern
Europe by way of the Rhine, through the Rhine-Main-Danube link.
The river is also internationally important from the ecological angle, as a habitat for
flora and fauna and as an ecological connecting route. This importance is now being
recognised and the opportunities for naturel development weigh just as heavily as
other, often economic, interests such as shipping and agriculture.
Some 20 million people in Western Europe are dependent on the Rhine for their
drinking water. In the Netherlands, Rhine water is extracted near Nieuwegein (the Lek
Canal) and Andijk (the Usselmeer) for the preparation of drinking water. The
importance of Rhine water as the raw material for drinking water can only increase in
the future, because groundwater seems to be increasingly less suitable and available
for this purpose.
• international consultations
International agreements are necessary for the adequate and effective management of
the Rhine. These are produced in various consultative bodies. The International
Committee for the protection of the Rhine against pollution (IRC) prepared the
treaties dealing with the salt issue and chemical pollution (Rhine Chemicals Treaty).
Recently this policy was further developed in the Rhine Action Programme (RAP)
and agreements have been made about the reduction of wastewater discharges.
• interventions in the river
There has always been much building and rebuilding around the Rhine to keep the
river in check. Dykes were constructed many hundreds of years ago. Originally, many
of the dykes did not run parallel to the river but stood at right angles to it. This was to
force flood water to return to the main channel by way of the floodplains. Later, dykes
were constructed along the Rhine and the first polders were drained. Since 1450 the
river is completely diked. A river dyke is called a "weerd" or "waard" in Dutch, and the
root is encountered in many place names. Later (since 1850) normalisationworks were
executed.
11
•erosion
Because of all the measures to improve the discharge and the resulting higher flow
velocity, the bed of the Rhine has been severely scoured out in the past hundred
years. At Lobith, the bed is being deepened by an average of 2 centimetres a year.
This partly explains the record low-water level at Lobith in 1991.
The banks suffer from the wear caused by the water, especially where shipping is
intensive. The banks along the IJssel and the Lower Rhine-Lek have largely been
reinforced with stone. Much of the Waal banks have not yet been revetted in this way.
• floodplains
The floodplains (the area outside the winter dykes) and the pools, clay digs and old
backwaters situated in the floodplains, are a part of the river system. Often a low
summer dyke is situated between the floodplains and the summer bed. The total area
of the floodplains along the Dutch branches of the Rhine is some 28,000 ha (47,600
acres). Some 6,900 ha. (17,300 acres) are flooded freely at high water. The breadth of
the floodplains, in particular those along the IJssel, may vary from a few metres to
several kilometres.
The depositional bars in the floodplains consist of a core of coarse material overlaid
by a layer of fine sludge. Damp layers of heavy clay, which are often displaced during
flooding, are found between the bars.
•water quality
The quality of the Rhine water deteriorated sharply between 1960 and 1970. Hard
work to improve the situation has been going on since 1970. After a considerable
improvement in the 1970s and early 1980s, recent progress has been less rapid. The
cause of this is that, with the decrease in the level of contamination, ever more
advanced purification methods are needed to achieve relatively small improvements.
And also a relatively large part of the pollution is difficult to tackle, e.g. pollution from
the diffuse sources such as the agriculture.
The levels of some substances (e.g.,nitrogen) have barely improved in recent years.
The concentrations of other substances, such as phosphates, have improved. Oxygen
levels may even be regarded as good nowadays. The levels of metals and various
pesticides have also dropped considerably. Yet there are still many problems, such as
the levels of nitrogen, salt and pesticides.
But the levels of PAH, PCB and pesticides in suspended matter (silt particles) are still
clearly too high. The standards have not yet been met. Hence, many channel beds are
by no means clean enough, partly because of the older deposits but also because of
newer, still contaminated, sediment. Dredging-operations, decontamination of polluted
soils, but also the plans for nature development could be delayed because of the lack
of suitable methods and/or locations to clean or store the dredged spoil.
In the Rhine Action Programme (RAP), the Rhine Bank States pledged to halve the
discharges of a large number of substances. This gave a fresh impetus to improving
the quality of the Rhine. The agreements about emissionreductions, made in the RAP
will be (amply) met for many of the mentioned substances. For a number of substances however, lower percentages of reduction are expected. Especially the influence of
the diffuse sources, among which the agriculture, causes a problem.
The more severe standards of the Algemene Milieu Kwaliteit (AMK, General
12
Environmental Quality, published in the Third Policy Document on Water Management) may have a positive effect. Furthermore, regulations to reduce the highest salt
load have emerged from the international consultations detailing the Salts Treaty.
Apart from the improvement in water quality, the number of accidental spills has also
reduced. An encouraging sign of the influence of all these developments is that the
number of organisms in and around the Rhine has increased in the last ten years.
•ecology
A healthy river has a wide variety of flora and fauna. The ecosystem of the Rhine was
drastically impoverished around 1970; it was dominated by a few species that were
well able to withstand the poor water quality. The sharp fluctuations in water levels
and currents reduced the chances for mainly fluvial and riparian plants. Nowadays the
ecosystem has again more species in a greater variety, even if the less demanding
types are still dominant. Some species that had long ago died out along the Rhine are
being found again, such as the mayfly.
Good quality water and sludge is a precondition for aquatic organisms. However, more
is necessary. The natural habitats of the various plants and animals must be available
along the river and need to be accessible. The salmon is often mentioned as an
example in this context.
This last condition is not often met along the strongly normalised Rhine. There is too
little space in which wild life can develop spontaneously. The traditionally small-scaled
and variegated floodplains landscape has largely given way to extensive stretches of
monotonous grasslands and large sand pits.
•nature development
Nature development programmes have been drawn up for large stretches of the Rhine
branches. The return of rare species of animals and plants must be facilitated if the
drainage system is better organised, for instance, by laying out waters rich in plants,
gravel banks and slowly flowing river arms.
When the river banks and floodplains are restored, side-channels and pools are dug
and the bank defences are made more friendly to wild life. Furthermore, the riparian
dunes are given a chance to develop by themselves and old cut-offs and oxbows will
again be connected to the main channel. Even piercing the summer dykes is among
the options. These organisational plans go hand in hand with modifications to
quantitative water management and limiting agriculture and recreation.
Because of all these measures, the Rhine is again exerting an influence on conditions
in neighbouring land; the river area is becoming increasingly dynamic. Habitats will
emerge for various plant and animal species. Flora and fauna will again be given a
chance in specific biotopes, such as side-channels slowly flowing in the same direction
as the main channel, banks where silt accumulates, pools and marshes. The mainstream, the side-channels, the banks and the floodplains along the Rhine branches
must again become ribbons of green in the landscape, along which all types of animals
and plants can move.
Nature development projects have been planned for the IJssel between Wijhe and
Olst (the Duursche Waarden), the Lower Rhine-Lek (Blauwe Kamer), the Waal near
Sint Andries and, most ambitiuos of them all, between Lobith and Nijmegen (the
Gelderse Poort).
13
Foto 1:
Satelietopname hoogwater (2 april 1988).
14
1.
Inleiding
De Rijn en haar Nederlandse vertakkingen (Pannerdensch kanaal, IJssel, Neder-Rijn,
Lek, Waal) is veruit het belangrijkste rivierenstelsel voor het Nederlandse oppervlaktewater. Het watersysteem Rijn heeft diverse functies, waarvan de economisch
belangrijke functie voor de (internationale) scheepvaart wellicht het meest in het oog
springt. Maar ook de afvoer van water, ijs en sediment, de landschappelijke en
ecologische waarden en de winning van drinkwater stellen hoge eisen.
Niet alleen is de Rijn de grootste Nederlandse rivier, de enorme hoeveelheden water
en sediment die via dit stelsel worden aangevoerd bei'nvloeden sterk de kwantiteit en
kwaliteit van grote delen van het Nederlandse oppervlaktewater. De aandacht voor de
Rijn in Nederland is dan ook verklaarbaar.
Maar ook voor de andere Rijnoeverstaten is de Rijn van zeer groot belang gezien de
sterke concentraties van steden en industriele gebieden langs de oevers zoals het
Ruhrgebied in Duitsland.
Het RIZA brengt jaarlijks rapportages uit van de waterkwaliteitsgegevens van de Rijn
(en Maas) [Heymen, 1992]. Hierin zijn de meetgegevens opgenomen. Verder worden
periodiek nota's opgesteld waarin meer uitgebreid wordt ingegaan op de waterkwaliteitstoestand en de trends daarin [Broekhoven, 1987]. Deze nota moet worden gezien
als een vervolg in die reeks waarbij, conform de meer integrale denkwijze die in het
waterbeheer zijn intrede heeft gedaan, ook andere aspecten dan de water- en
slibkwaliteit aan de orde komen.
In hoofdstuk 2 wordt een globale beschrijving gegeven van het watersysteem, de
functies en het beheer. Hoofdstuk 3 behandelt de hydrologie, hoofdstuk 4 de morfologie. De kwaliteit van water en waterbodem komt in hoofdstuk 5 aan de orde. In
hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de reducties in de lozingen die in het kader van de
Rijn- en Noordzeeactieprogramma's zijn overeengekomen. Hoofdstuk 7 beschrijft de
flora en fauna terwijl in hoofdstuk 8 tenslotte wordt ingegaan op de plannen voor
natuurontwikkeling in het Nederlandse Rijnstroomgebied.
15
r
Foto 2:
Foto 3:
Foto 4:
• - ca. '-..>w
Veeteelt is in de uiterwaarden een veel voorkomende vorm van agrarisch
gebruik.
Recreatievisserij komt veel voor.
Zesbak-duwvaart vergt extra zorg voor de infrastructuur.
16
2.
Het watersysteem Rijn
2.1
Het watersysteem.
In de Derde Nota Waterhuishouding wordt het begrip watersysteem gedefinieerd als:
het kader gevormd door het waterhuishoudkundige systeem met zijn relevante omgeving,
waarvan de begrenzing mede afhankelijk is van de functioned samenhang(en) waarop
men de aandacht richt.
Het waterhuishoudkundig systeem wordt gedefinieerd als:
het samenhangend geheel van water, waterbodem, oevers, technische infrastructuur en
biologische component alsmede de grondwatervoorkomens.
Uit deze definities spreekt al de verbreding van de werkwijze bij het waterbeheer.
Meer dan voorheen wordt hierbij uitgegaan van de samenhang en relaties tussen
kwantiteits- en kwaliteitsaspecten van oppervlakte- en grondwater.
Ook is de aandacht met betrekking tot de kwaliteitsaspecten niet meer primair op de
waterfase gericht maar op het totale samenhangende geheel waaruit het waterhuishoudkundige systeem is opgebouwd, dus inclusief de waterbodem, de oevers en de
uiterwaarden. Overigens is dit een ontwikkeling die al is begonnen voordat de Derde
Nota Waterhuishouding verscheen. Met name de aandacht voor microverontreinigingen aan het zwevende stof en sediment bestaat al jaren. Ook de ideeen over alternatieven voor de "harde" oeververdediging dateren al van voor de Derde Nota. De meer
integrale watersysteembenadering is echter wel vooral de laatste jaren gemeengoed
geworden.
2.2
Hydrografie.
Naar Nederlandse begrippen is de Rijn een grote rivier. Mondiaal gezien, gerangschikt
naar afvoer staat de Rijn echter slechts op de 38-ste plaats. De gemiddelde afvoer is
maar 2,3 % van die van de grootste rivier ter wereld: de Amazone. Gerangschikt naar
lengte komt de Rijn niet eens bij de eerste honderd. In totaal is de rivier 1320 km lang
waarvan enkele afstanden in Nederland als volgt zijn: Lobith-Kampen (IJssel): 133
km.,Lobith-Gorkum (Waal): 93 km. en Gorkum-Hoek van Holland 75 km.
Het stroomgebied omvat geheel of gedeeltelijk: Zwitserland, Oostenrijk, Duitsland,
Frankrijk, Italie, Belgie, Luxemburg, Liechtenstein en Nederland en is 185.000 km2
groot waarvan 25.000 km2 in Nederland [Dijkzeul, 1982]. Ook dat is betrekkelijk klein,
bijvoorbeeld in vergelijking met de Wolga (1.500.000 km2) en de Donau (800.000 km )
[v/dMade, 1982].
De Rijn stroomt echter door dicht bevolkte en sterk geindustrialiseerde gebieden en er
vindt een zeer intensief transport van goederen plaats via deze waterweg. Hierdoor is
de Rijn toch een van de belangrijkste rivieren in Europa [Broekhoven, 1987].
De stroomsnelheid van de rivier varieert globaal tussen 0,5 en l,5m/sec. Hierbij
kunnen uitschieters optreden tot boven 2 m/s. De gemiddelde snelheid aan het oppervlak is globaal zo'n 3 tot 6% hoger dan het gemiddelde over de verticaal [Mugie,
1990].
17
2.3.5
Landbouw en visserij.
De uiterwaarden zijn volop in gebruik bij de landbouw, met name voor het houden
van vee. Van oudsher werden de hoger gelegen zandige gedeelten gebruikt voor het
houden van schapen en geiten. In de bossen werden vroeger vaak varkens gehouden
zodat deze zich met eikels konden voeden. Tegenwoordig worden voornamelijk koeien
gehouden op de uiterwaardengronden. Hierbij zijn ongeveer 350 landbouwbedrijven
voor meer dan 50% afhankelijk van de uiterwaarden [de Bruin et al, 1987].
Er vindt op de Rijn nog slechts beperkte beroepsvisserij plaats. De recreatievisserij
daarentegen neemt nog toe.
2.3.6 Recreatie.
Behalve sportvisserij vindt langs de rivier zelf weinig recreatie plaats. Het Rijnwater is
over het algemeen te sterk (bacterieel) verontreinigd om in te zwemmen. Bovendien is
zwemmen in de Rijn zelf veel te gevaarlijk door de stroming en de drukke scheepvaart. De grind- zand- en kleigaten en de oude rivierarmen hebben dikwijls wel de
zwemwaterfunctie. In de uiterwaarden zijn bovendien veel campings. Een probleem
(of wellicht is het er juist een van de charmes van) voor de riviergebonden recreatie
zijn de wisselende waterstanden waardoor campings, fietspaden en recreatiegebieden
periodiek onder water staan.
2.3.7
Drinkwater.
Zo'n 20 miljoen mensen zijn voor hun drinkwater afhankelijk van de Rijn. In Nederland wordt ten behoeve van de drinkwatervoorziening door de Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland bij Nieuwegein (Lekkanaal) water onttrokken. Ook uit
het Usselmeer wordt, bij Andijk, voornamelijk Rijnwater onttrokken voor de drinkwaterbereiding. Door overschakeling van het gebruik van grondwater naar oppervlaktewater zal dit belang in de toekomst vermoedelijk alleen maar toenemen.
2.4
Streefbeeld.
Het in de derde nota omschreven begrip "streefbeeld" geeft de ontplooiingsmogelijkheden weer voor de Rijn in samenhang met de toegekende functies. Het is het
richtbeeld voor het beleid. Maatregelen en ingrepen in de waterhuishouding moeten er
op gericht zijn om dichter bij de in het streefbeeld omschreven situatie te komen.
Het streefbeeld voor de Rijn wordt in de derde nota als volgt omschreven:
"De Rijn is belangrijk voor de aan- en afvoer van water, ijs en sediment wat plaats vindt
binnen het winterbed, veilig begrensd door dijken en soms door natuurlijke waterkeringen.
De Rijn en Rijntakken zijn belangrijke cn druk bevaren scheepvaartwegen. De Waal is de
belangrijkste hoofdtransportas. De Neder-Rijn, Lek en IJssel bieden goede mogelijkheden
voor de recreatievaart.
De rivieren hebben ook een koehvaterfunctic. Het agransch gebruik van de buitendijkse
gebieden is voornamelijk extensief en in harmonic met de functie natuur en recreatie. Er
vindt weer rivicrvisscrijop zalmachtigen plaats. Het rivierwateris na een eenvoudigc
bewerking geschikt voor de bereiding van drinkwater.
Her overgrow deel van de rivieren is geflankeerd door natuurlijke oevers. De riviersystemen
zijn onderdeel van de ecologische lioo/dstruktuur, met in de uiterwaarden zelfregulerende
20
populaties zoogdieren (das, otter, grote grazers), vogel.s (aalscholver, ooievaar), amfibiee'n
en reptielen. Langs Rijn en Rijntakken bestaan karakteristieke rivier-ecosystemen met
ooibossen, nevengeulen, dode rivier-armen, rivierduinen en een rijk geschakeerde stroomdalflora. Trekvissen als zalm, tint en steur komen in alle rivieren weer voor, dankzij de
goede waterkwaliteit en geschikte fysische condities, zoals passeerbare stuwen en spuisluizen, geschikte paaiplaatsen en voldoende milieuvriendelijke oevers. Rivier en uiterwaarden
zijn weer een vrije transportbaan voor planten en dieren."
2.5
Organisatie van het beheer.
Zowel het waterkwantiteits- als waterkwaliteitsbeheer van de Nederlandse Rijn zijn
volledig in handen van de Rijkswaterstaat. De directie Gelderland voert het beheer
over de Rijn en Rijntakken vanaf Spijk bij de Duitse grens (waar de Rijn ons land
binnenkomt) tot Kampen (IJssel), Schoonhoven (Neder-Rijn) en Vuren (Waal) waar
het beheersgebied overgaat in dat van de directies Flevoland (Ketelmeer en verder),
Utrecht en Zuid-Holland.
Rijkswaterstaat heeft tot taak de Rivieren wet (uit 1908) te handhaven. De Rivierenwet
is het juridische instrument om een veilige afvoer van water, sediment en ijs te
waarborgen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de belangen van scheepvaart, landbouw en de natuur. De belangrijkste taken van de Rijkswaterstaat-directies
zijn de zorg voor de natte infrastructuur zoals het sluis- en stuwbeheer, de waterverdeling, de alarmering van de regio in het geval van hoogwater en calamiteuze lozingen,
vergunningverlening voor de lozing van afvalwater en natuurlijk het onderhoud van de
rivier. Voor onderzoek en advies kunnen ze hierbij een beroep doen op de specialistische diensten van Rijkswaterstaat zoals het RIZA.
Het (toekomstig) beheer van de Rijn wordt, evenals dat van de overige rijkswateren,
om de 4 a 8 jaar vastgelegd in het Beheersplan Rijkswateren. Hierin wordt naast de
functie van de betrokken wateren en een programma van maatregelen aangegeven op
welke wijze het beheer onder normale en bijzondere omstandigheden wordt gevoerd.
Het eerste Beheersplan in inmiddels vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden
met de beleidsuitgangspunten die zijn geformuleerd in de in 1989 verschenen Derde
Nota Waterhuishouding.
Tegenwoordig bestaan er plannen om tot herstel van ecologische waarden te komen
door herinrichting van (delen van) de rivier, de oevers en de uiterwaarden. Bij
dergelijke herinrichtingen zijn veel belangen in het spel, die soms moeilijk met elkaar
te verenigen zijn, zeker waar ook de uiterwaarden in het geding zijn. Het is niet de
bedoeling dat met het herstel van de ecologie de andere functies van de Nederlandse
rivieren in het gedrang komen. Bij herinrichtingsprojecten vindt dan ook intensief
overleg plaats tussen waterschappen, zuiveringschappen, gemeenten, provincies, instanties uit de wereld van de scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en
deskundigen op het gebied van rivierkunde, milieu en natuurontwikkeling.
21
Foto 5:
Foto 6:
Hoogwater in de IJssel bij Zutphen.
Laagwater in de Waal; de Waalbrug bij Nijmegen.
24
3.
Hydrologie
3.1
Afvoer.
De langjarige gemiddelde afvoer van de Rijn bij Lobith is 2200 m'/seconde. De Rijn
heeft een relatief gelijkmatige afvoer. Dit maakt de Rijn hydrologisch gezien een
bijzonder gunstige rivier voor het gebruik als scheepvaartroute en leverancier van zoet
water. De Rijn heeft in dit opzicht een groot voordeel boven de meeste andere
rivieren. Vier aspecten zijn hiervoor verantwoordelijk [Volker, 1980].
1. De eerste factor die de gunstige situatie in de Rijn beinvloedt hangt samen met de
tweede. De oorsprong van het water is niet eenzijdig. Men noemt de Rijn dan ook een
gemengde (regen- en smeltwater) rivier.
De afvoer bovenstrooms Basel wordt behalve door (veel) regenwater, bepaald door
smeltwater van de "hoge sneeuw" (sneeuw en ijs van tussen 700 en 3000 meter hoogte,
waaronder + 150 gletsjers). Hierdoor kent de bovenloop een piek in de afvoer in de
zomermaanden juni, juli en augustus. Benedenstrooms van Basel is het voornamelijk
de regen die de afvoer bepaalt. Hierbij zit de piek in de afvoer juist in de maanden
januari - maart en is de aanvoer van water in de zomer laag.
Door de relatief grote hoeveelheden smeltwater vanuit de bovenloop in de zomer
wordt de dan lagere wateraanvoer (vanuit regenval) in de benedenloop aangevuld
waardoor een gelijkmatig verloop van de afvoer wordt veroorzaakt.
2. De verdeling van de afvoer over de lengte van de rivier is nogal bijzonder. Dit
hangt samen met de bijzondere verdeling van de neerslag. In Lobith, waar de afvoer
van 160.000 km2 stroomgebied langs stroomt is de gemiddelde afvoer 2200 m'/seconde.
Maar al in Basel, met slechts 36.000 km2 stroomgebied bovenstrooms (het Alpengebied) is dit al ruim 1000 m'/seconde. Hierdoor kan de rivier ook in de bovenloop
bevaarbaar blijven. Dit wordt veroorzaakt door de combinatie van relatief grote
regenval in dit stroomgebied en smeltwater.
3. De Rijn ontvangt over vrijwel de gehele lengte van zijn loop zijrivieren die tot de
afvoer bijdragen. Door deze gelijkmatig verdeelde zijstromen zijn de verschillen in de
bijdrage aan de afvoer tussen delen van het stroomgebied niet bijzonder groot.
4. In het lengteprofiel van de rivier kunnen mee'r dan een boven-, midden- en
benedenloop worden gedefinieerd. De "Alpenrhein", bovenstrooms van de "Bodensee"
is een echte bergrivier, maar in de Bodensee heeft de rivier het karakter van een
delta. De "Hochrhein", benedenstrooms van de Bodensee, is met de waterval van
Schaffhausen, sterk verhang en stroomversnellingen, weer een typische bovenloop.
Zodra de Bovenrijnse laagvlakte wordt bereikt (tussen Vogezen en Zwarte Woud)
verandert dit. Nog geen 200 jaar geleden gedroeg de Rijn zich hier als benedenloop
met inundaties, geulvertakkingen en meanders. Door de uitvoering van werken is dit
karakter inmiddels ingeperkt. Hier stromen onder andere de Neckar en de Main in de
Rijn. Vervolgens komt de "Gebirgsstrecke", waar de Rijn met een aantal stroomversnellingen door een nauw bed loopt tussen Hunsriick, Taunus en Eifel. Hier mondt de
Moezel uit in de Rijn. Tenslotte wordt de grote benedenloop bereikt in de Nederrijnse
25
laagvlakte met onder andere de instroom van Ruhr en Lippe en vervolgens de
(voormalige) delta. Dit, in Nederland gelegen gedeelte, vertoont het karakter van een
laaglandrivier en wordt begeleid door een aaneengesloten bedijking.
Tabel 3.1 geeft een overzicht van de afvoer gegevens van de laatste vijf jaar. Verder is
in figuur 3.1 het verloop van de afvoer in 1991 en 1992 uitgezet alsmede de 10-, 50 en
90-percentiel afvoeren van de periode 1901-1980 (in decadegemiddelden). Hieruit
blijkt dat zowel 1991 als 1992 een droge zomer en vooral najaar hebben gekend.
Jaar
Gemid.
Min.
Max.
1987
1988
1989
1990
1991
1992
2861
2823
1821
1856
1753
2011
1368
1175
7642
10274
4531
7028
6712
4933
855
901
794
865
Tabel 3.1: Jaargemiddelde afvoeren bij Lobith, 1987-1991 (m'/s).
Lobith, afvoerverdelingen.
afvoer 1991
7000
afvoer 1992
—- 1901-1980 50%
1901-1980 90%
5000
- - 1901-198010%
4000
jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec
Figuur 3.1
26
3.2
Waterbalans.
De Rijn is veruit de belangrijkste leverancier van zoet water in Nederland (± 70
km'/jaar; neerslag + 26 km3). Maar liefst 65% van het zoete oppervlaktewater in
Nederland is afkomstig van de Rijn, 8% komt met de Maas ons land binnen en de rest
via neerslag en een aantal kleinere grensoverschrijdende rivieren. De rivierafvoer
best^t voor een deel uit oppervlakteafvoer en voor een deel uit basisafvoer. De
basisafvoer is in tijden van droogte de voornaamste waterbron. De hoeveelheid
grondwater in het stroomgebied moet in staat worden geacht tenminste enige maanden dit deel van de afvoer in stand te kunnen houden. Ook de sneeuw in de Alpen
vertegenwoordigt een watervoorraad. Het afsmelten hiervan is echter aan een
bepaalde tijd van het jaar gebonden.
stroomgebied
eenheid
opperv.
km2
neerslag
mm
verdamp.
mm
afvoer
mm
m 3 /sec.
Bovenstrooms Basel
Basel-Lobith
36.000
124.000
1400
760
500
460
900
300
1025
1175
Tot. stroomgebied
160.000
910
470
440
2200
Tabel 3.2: Veeljarige waterbalans Rijnstroomgebied [van de Made, 1982].
Voor een waterbalans van het Rijnstroomgebied tot aan het splitsingspunt vlak benedenstrooms van Lobith, wordt een onderscheid gemaakt in het deel bovenstrooms van
Basel (Alpengebied) en benedenstrooms hiervan.
In tabel 3.2 is een overzicht gegeven. Bij de tabel moet worden gerealiseerd dat de
neerslaggegevens over het hele stroomgebied worden gemiddeld terwijl de afvoergegevens cumulatief zijn. Opvallend is de grote hoeveelheid neerslag in het Alpengebied.
In tabel 3.3 worden van de belangrijkste zijrivieren van de Rijn de stroomgebiedoppervlakten en de afvoeren weergegeven.
Oppervlak (1000 km 2 )
Afvoer (m'/sec)
Neckar
Main
Lahn
Moezel
Ruhr + Lippe
14
160
27
190
6
45
28
300
9
100
Tabel 3.3: Veeljarige gegevens belangrijkste zijrivieren Rijn [van de Made, 1982].
3.3
Hoog- en laagwater.
Ondanks een relatief gelijkmatige afvoer komen natuurlijk ook in de Rijn relatief hoge
of juist lage afvoeren voor. Hoogwatergolven kunnen worden veroorzaakt door sterke
regenval, veroorzaakt door fronten van depressies vanuit de Atlantische oceaan, of
door plotseling invallende dooi of combinaties hiervan. Opeenvolgende depressies
kunnen trapsgewijs oplopende afvoeren veroorzaken die zich uiten in meerdere, steeds
hoger wordende afvoerpieken. Bij langzaam intredende dooi blijven, ook na strenge
27
winters, hoogwatergolven achterwege.
De meest extreme hoog- en lage afvoeren waren respectievelijk 13.000 (4 januari
1926) en 620 (4 november 1947) m'/s. Op 18 februari 1929 werd bij een gesloten
ijsdek zelfs 575 m3/s gemeten.
Op 13 September 1991 werd de laagste laagwaterstand bij Lobith gemeten (7.22 m, zie
foto 6). De afvoer was echter nog zo'n 800 m'/s. De steeds lager wordende waterstanden worden veroorzaakt door de voortdurende uitschuring van de rivierbodem.
In totaal liggen langs de Rijn en de Rijntakken zo'n 28.000 hectare aan uiterwaarden.
Hiervan is 6908 hectare niet of nauwelijks door zomerdijken beschermd zodat
natuurlijke overstroming kan plaatsvinden. Dit gebeurt vanaf afvoeren boven 30003500 m'/seconde bij Lobith. De eerste bekade uiterwaarden stromen pas onder bij
afvoeren boven ongeveer 4400 mVseconde (tabel 3.4).
Rivier
km-raai
Bovenrijn + Nederrijn
IJssel
Waal
868 - 970
879 - 1003
868 - 953
natuurlijk overstroombare
uiterwaarden (in ha.)
Totaal
1203
3265
2440
6908
Tabel 3.4: Uiterwaarden langs Rijntakken met natuurlijk overstromingsregime [van Broekhoven en Vanhemelrijk, 1990].
3.4
Waterverdeling in Nederland.
In Nederland is de Rijn van invloed op een groot deel van de oppervlaktewateren. In
tabel 3.5 is een overzicht gegeven van de percentages Rijnwater waaruit een aantal
wateren in Nederland bestaan.
Hoofdsysteem
Waal
Neder-Rijn
IJssel
Usselmeer
Markermeer
Am.R. -kanaal
Noordz. -kanaal
Holl. IJssel
'-;
Secundair systeem
8
100
100
95
70
Linge
Twenthekanalen
Boezem Friesland
Groningse kan.
Drentse kanalen
Schermer boezem
Boezem Amstell.
Boezem Rijnland
Boezem Delfland
35
so
90
65
75
1
25
10
0
25
ll)
40
25
Tertiair systeem
De Betuwe
Schipbk., Salland. Regge, Dinkel
Polderwateren Friesland
Hunsingo. Oldambt. Reiderzijlvest
Drentse wijken
Polderwateren Noord-Holland
Drecht, Vecht, Proosdij-landen
Polderwateren Rijnland
Polderwateren Delfland
*
15
0
3
1
tl
10
3
10
1(1
Tabel 3.5: Gemiddeld percentage Rijnwater [min. van V&W, 1985].
Met name het hoofdsysteem bestaat grotendeels uit Rijnwater. In een droog jaar zijn
deze percentages over het algemeen nog aanzienlijk hoger, met name in de secundaire
en tertiaire systemen.
28
Al vanaf 10 v. Chr. wordt getracht de afvoer van de Rijn in banen te leiden. In dat
jaar werd de Drusus-dam aangelegd bij het splitsingspunt in de Bovenrijn. Deze dam
moest de verdeling over de verschillende Rijntakken beinvloeden.
Tegenwoordig zijn de Waal en de IJssel nog steeds vrij stromend. De Neder-Rijn is bij
lage afvoeren gestuwd. De verdeling van het water wordt voornamelijk geregeld door
het stuwregiem bij Driel in de Neder-Rijn.
Normaal wordt er in een gestuwde situatie naar gestreefd om over de IJssel 285 m'/s
te sturen. De rest wordt dan via de Waal en de Neder-Rijn afgevoerd. Hiermee wordt
aan de eisen voor de scheepvaart voldaan. Deze verdeling van de afvoer is ongeveer
285 dagen van het jaar mogelijk.
Bij afvoeren beneden 1300 m'/s bij Lobith wordt een afvoer van 25 m'/s op de NederRijn gehandhaafd maar de 285 m'/s op de IJssel is dan niet meer vol te houden.
Bij afvoeren boven 1300 mVs worden de stuwen bij Driel getrokken en neemt de
afvoer van de Neder-Rijn toe, terwijl de IJssel op 285 m3/s wordt gehouden.
Vanaf 2400 m'/s zijn de stuwen bij Driel geheel getrokken en vindt een onbeinvloedbare afvoerverdeling plaats. In dat geval zal ongeveer 2/3 van de afvoer via de Waal,
circa 2/9 via de Neder-Rijn en circa 1/9 via de IJssel afstromen.
In droge tijden kan voor de watervoorziening van het noorden meer dan 285 m'/s naar
het Usselmeer worden gestuurd, ten koste van de afvoer wan de Neder-Rijn.
De voornaamste afvoer van het Rijnwater gebeurt dus via de Waal en de riviertakken
in het benedenrivierengebied naar zee en via de IJssel naar het Usselmeer.
De afvoer via de IJssel, de Waal en de Nieuwe Waterweg naar zee vindt altijd plaats.
Via de spuisluizen in de Haringvlietdam kan de transportcapaciteit in het benedenrivierengebied voldoende worden vergroot.
In het bovenrivierengebied kan door het heffen van de drie stuwen in Neder-Rijn en
Lek de transportcapaciteit worden vergroot. Bij een te grote afvoer via de IJssel kan
via de sluizen in de Afsluitdijk water worden afgevoerd. Ook bestaat de (theoretische)
mogelijkheid om via het Maas-Waalkanaal water vanuit de Waal naar de Maas te
voeren.
29
Foto
Foto
Foto
Foto
7
8
9
10:
Wilgen zijn in de uiterwaarden op hun plaats.
Een voorbeeld van een natuurvriendelijke oever.
Dijkhuisje.
Beeld van de rivier met uiterwaarden.
30
4.
Morfologie en landschap.
4.1
Historische landschappelijke waarden.
De rivieren kregen hun huidige richting in de voorlaaatste ijstijd. Na de laatste ijstijd,
waarin het landijs Nederland niet bereikte, hadden de rivieren een vlechtpatroon van
talloze ondiepe beddingen. Door dit netwerk van waterafvoeren werden afwisselend
zeer fijne tot zeer grove sedimenten afgezet. Als een rivier buiten zijn oevers trad
werd eerst, vlak naast het zomerbed, het grove sediment afgezet. Verderop, in de
"rivierkom" kwamen de fijnere kleideeltjes. De zandige oeverwallen hoogden sneller
op dan de kommen en kwamen op gegeven moment hoger te liggen. Bij een volgend
hoogwater was de kans groot dat de oeverwal doorbrak en de rivierbedding werd
verlegd. Toen het klimaat gematigder werd, veranderde het waterregiem en wijzigde
het vlechtwerk van woeste stromen zich in een trager stromende meanderende rivier.
Gedurende zo'n 10.000jaar werd het brede rivierdal tussen de hoger gelegen zandgronden van Gelderland en Brabant, steeds verder opgevuld met materiaal uit het
bovenstroomse gebied. Langs de rivieren konden uit tijdelijk drooggevallen zandige
beddingen rivierduinen ontstaan. Hoewel de meeste later weer met afzettingen zijn
bedekt, zijn er nog steeds duinen te vinden langs de rivieren. Meestal steekt alleen de
top nog boven het jongere kleipakket uit. Tussen Maas en Waal zijn ze nog wel te
vinden. In de Alblasserwaard worden deze oude duinen "donk" genoemd.
Het waren juist deze duinen en andere hooggelegen gronden die werden bewoond. Al
van de periode tussen 1800 en 1000 jaar voor Christus zijn sporen van bewoning
gevonden. Vaak onder metersdikke, later afgezette, klei-sedimenten. Tussen 1000 jaar
voor Christus en het begin van onze jaartelling kwam bewoning direct langs de rivier,
vermoedelijk doordat ze vaker buiten hun oevers traden, waarschijnlijk niet meer voor.
Kort na Chr. werden de oeverwallen en rivierduinen weer bewoond. Eerst door Germanen en later ook door Romeinen die hier de noordgrens van hun imperium bouwden. Door de Romeinen werden plaatsen "gesticht" die ook nu nog bestaan: Nijmegen,
Elst, Tiel, Utrecht, Cuyk, Alphen aan de Rijn. Een oude Germaanse vestiging is de
Drie Wuusten bij Dodewaard [Swart, 1985].
Vanaf het jaar 1000 begon men dijken te bouwen; eerst tegen het overtollige water
dat vanuit bovenstroomse kommen binnendoor af kwam stromen. De eerste dijken
stonden dan ook dwars op de rivier. Later werden dijken ook gebouwd tegen overstromingen vanuit de rivier en werden de eerste polders gevormd. Rond 1450 was een min
of meer gesloten stelsel van bandijken ontstaan. Een dijk heette "weerd" of "waard",
een woord dat nog veel in plaatsnamen voorkomt. Tussen de bandijken had de rivier
nog vrij spel. Deze aanvankelijk dijken braken veelvuldig door. Hierdoor ontstonden
wielen of waaien en vonden sedimentafzettingen plaats. De dijk werd rondom het
geslagen gat herbouwd waardoor deze vol kronkels en slingers kwam te zitten. Door
deze "littekens" is een gevarieerd landschap ontstaan. Aan de doorbraakkolken met
hun oeverbegroeiing kan men de geschiedenis van het gebied aflezen en ze hebben
dan ook een grote landschappelijke-historische waarde. Vanaf 1850 zijn regelmatig
normalisatiewerken uitgevoerd. Hierbij werden kribben gebouwd, zandbanken
verwijderd en bochten afgesneden.
31
4.2
Rivierbodem.
De bodemontwikkeling van de Rijntakken is niet stabiel. De normalisatie, de kanalisatie, rivierkundige ingrepen, de scheepvaart en de zandwinning hebben alle invloed op
de bodemontwikkeling. Door alle afvoer-verbeterende maatregelen is in de afgelopen
100 jaar de bodem van de Rijn sterk uitgeschuurd. Deze bodemdaling kan fors
oplopen: bij Duisburg was dit 2,5 m tussen 1908 en 1982. In Nederland zijn de
bodemliggingen van de Boven-Rijn, Waal (bovenstroomse gedeelte), Pannerdensch
kanaal en Boven-IJssel het sterkst verlaagd. Bij Lobith ongeveer met 2 cm/jaar. Deze
erosie is een probleem voor de stabiliteit van kribben en oevers en vormt een bron
van zorg voor de rivierbeheerder. Door de verlaging van de bodem worden steeds
lagere waterstanden gemeten hoewel de afvoer dan nog geen minimum hoeft te
hebben bereikt, ze worden immers ten opzichte van het vaste peil N.A.P.gemeten (zie
ook 3.3).
In het zomerbed en tussen de kribben bestaat de bodem voornamelijk uit zand en is
weinig verontreinigd. Plaatselijk komen zowel in het zomerbed als in de kribvakken
ook afzettingen van fijner materiaal (slib) voor. Vooral in jaren 1960-1980 was dit
zwaar verontreinigd, tegenwoordig wordt schoner slib afgezet al is de kwaliteit nog
lang niet voldoende. In havens en kanaal- en riviermonden vindt doorgaans sedimentatie plaats van fijner en vaak sterker verontreinigd materiaal. In havens kunnen lokale
lozingen de situatie nog verslechteren. Ook bij inlaatpunten voor landbouw, industrie
en energiecentrales bezinkt riviersediment.
Per dag wordt gemiddeld ruim 1000 m' sediment (zand en grind) door de Bovenrijn
getransporteerd [Kamphuis, 1990]. Tijdens hoogwaterperioden kan dit spectaculair
hoger zijn.
4.3
Oevers.
Natuurlijke oevers zijn onderhevig aan de slijtende werking van het water. Zeker waar
de natuurlijke erosie wordt verhevigd door voortdurende, intensieve scheepvaart wordt
de oever in korte tijd sterk aangetast. Daarom is een groot deel van de Rijnoevers ook
verstevigd met harde materialen. Langs vrijwel de hele IJssel zijn de oevers bedekt
met stortsteen. Ook de Neder-Rijn/Lek kent overwegend verdedigde kribvakken,
opgebouwd uit breuksteen, grind of natuur- en kunstzetsteen. Al is het in rivierkundig
opzicht vaak noodzakelijk, het is voor de ecologische waarde van die oevers uiteraard
een slechte zaak. Van de merendeels nog onverdedigde Waaloevers hoeft, gezien de
breedte van de rivier, naar verwachting slechts een klein deel verdedigd te worden.
Waar mogelijk wordt hierbij gebruik gemaakt van zandsuppletie en/of vastlegging via
begroeiing.
4.4
Uiterwaarden.
Uiterwaarden horen bij grote rivieren die door een vlak landschap stromen. Tegenwoordig wordt beter dan vroeger beseft dat de uiterwaarden een integraal onderdeel
vormen van het riviersysteem. De breedte van een uiterwaard kan varieren tussen
enkele meters en enkele kilometers; vooral langs de IJssel komen grote verschillen
32
voor. Vaak zit tussen de uiterwaard en het zomerbed een zomerdijk. In totaal ligt
langs de Rijn en de Rijntakken zo'n 28.000 hectare aan uiterwaarden waarvan ongeveer 6.900 hectare vrij overstromend bij hoogwater [Duel, 1991].
Meanderruggen in uiterwaarden bestaan altijd uit grof materiaal onderin afgedekt met
fijn slib. Tussen de ruggen liggen vochtige laagten met zware klei. Deze klei is afgezet
tijdens de geregeld voorkomende overstromingen met rivierwater waarbij slib en zand
sedimenteert. Hierdoor kunnen uiterwaarden plaatselijk verontreinigd zijn met zware
metalen en organische microverontreinigingen [Rijkswaterstaat, juni 1989].
Driekwart van de uiterwaarden is in gebruik voor de veeteelt. In de winter wordt dit
vee over het algemeen binnengehaald en in bepaalde perioden (het "hoogwaterseizoen") moeten ook de afrasteringen en hekken worden verwijderd zodat deze bij
hoog water de vrije afvoer van het water niet hinderen.
In de Derde Nota wordt relatief veel aandacht besteed aan de inrichting van watersystemen waarbij de aandacht, wat de rivieren betreft, zich in het bijzonder richt op de
oevers en de uiterwaarden. Onderzoek wordt verricht naar de mogelijkheden en
consequenties van inrichtingsprojecten zoals de ontwikkeling van rivierduinen,
aantakken van oude strangen, vegetatie-ontwikkeling in kribvakken en de aangrenzende oeverzone, ooibosontwikkeling, nevengeulen en dergelijke.
Langs de Waal liggen brede uiterwaarden met uitgestrekte zandige oevers. In de
Millingerwaard is nog een restant van het oeverwalbos aanwezig. De graslanden langs
de Waal vormen een van de rijkste weidevogelgebieden langs de rivieren. In een meer
oorspronkelijk rivierlandschap ontwikkelt zich een uitbundige flora en fauna, de
Ooijpolder bij Nijmegen is hier een voorbeeld van.
Langs de noordoever van de Neder-Rijn worden bij oude rivierlopen en kleiwinputten
moerassen en wilgenstruwelen aangetroffen.
De uiterwaarden van de IJssel zijn vrijwel niet gebruikt voor zand- en kleiwinning.
Hierdoor komt langs de IJssel het oorspronkelijke patroon van richels en geulen nog
voor. In de hogere zandgronden bevinden zich plassen en oude rivierlopen met gevarieerde watervegetaties. Op de oeverwallen en rivierduinen bij het Zalkerbos, de
uiterwaarden van Fortmond en in de Havikerwaard zijn nog enkele restanten van
essen-iepenbos aanwezig [Bakker, 1992].
4.5
Oude rivierarmen.
In bochten van een natuurlijk meanderende rivier wordt de buitenbocht geerodeerd en
aan de binnenbocht juist materiaal afgezet. Hierdoor ontstaan steeds scherpere en
diepere bochten die uiteindelijk worden afgesneden door het water. Hierdoor ontstaan
oude, "dode" armen. De dode rivierarm voert alleen nog water bij hoge afvoer en slibt
en/of groeit langzaam dicht. Dit soort verlaten oude beddingen zijn ook nu nog volop
te zien. Als er nog water in staat heten ze een hank, een Strang of een kil.
Juist deze oude armen bieden volop mogelijkheden bij natuurontwikkelingsplannen.
Soms betekent dit dat de afgesneden arm weer in open verbinding wordt gebracht met
de rivier waardoor uitwisseling van flora en fauna wordt bevorderd en de dynamiek
toeneemt.
33
* >
u
II
I!!
!
Foto
Foto
Foto
Foto
11:
12:
13:
14:
Muggelarf (gezond).
Muggelarf (misvormd).
Meetapparatuur voor organische microverontreinigingen.
Chromatogram van een analyse van organische microverontreinigingen.
34
5.
Water- en waterbodemkwaliteit.
5.1
Algemeen.
Tussen 1960 - 1970 is de kwaliteit van het Rijnwater snel verslechterd. De na-oorlogse
expansie van industrie, de bevolkingsgroei en de aantrekkende agrarische produktie
waren hiervan de belangrijkste oorzaken. Maar ook het milieu-besef groeide en dat
leidde ertoe dat in de 70- en 80-er jaren zowel in nationaal als in internationaal verband veel inspanning werd verricht om de waterkwaliteit te verbeteren. Ook de Wet
Verontreiniging Oppervlaktewateren (WVO) dateert van deze periode (1970). Op
grote schaal werden rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's) gebouwd voor het huishoudelijk en industrieel afvalwater. Verder nam de industrie allerhande procestechnische
maatregelen zoals productietechnieken waarbij minder afvalstoffen ontstaan.
Hierdoor is de waterkwaliteit van de Rijn sterk verbeterd. Vooral in de periode 1970 1980 werden spectaculaire resultaten geboekt. Vanaf de tachtiger jaren gaat het
minder hard; met name omdat bij afnemende verontreiniging steeds geavanceerdere
zuiveringsmethoden nodig zijn voor relatief kleine verbeteringen. Bovendien neemt het
belang van relatief moeilijk aan te pakken oorzaken, zoals de diffuse bronnen, toe.
De gehalten van sommige stoffen, zoals verschillende zware metalen zijn de laatste vijf
jaar weinig minder geworden. Van andere stoffen, zoals fosfaat, zijn de concentraties
echter wel verder afgenomen. Een goed teken is ook dat het aantal soorten organismen in de laatste tien jaar is toegenomen.
De ecologische ramp die het gevolg was van de brand bij het Zwitserse bedrijf Sandoz
(1986) was aanleiding voor de IRC om een actieprogramma op te stellen. Door het
Rijn Actie Programma (RAP) hebben de Rijnoeverstaten zich verplicht tot een halvering van de lozingen van een groot aantal stoffen in 1995. Dit geeft een nieuwe impuls
aan de verbetering van de kwaliteit van de Rijn.
Ook het opstellen van de Algemene Milieu-Kwaliteit (AMK; gepubliceerd in de Derde
Nota Waterhuishouding) zal een stimulerend effect kunnen hebben. De normen van
de AMK zijn gebaseerd op toxicologische effecten van stoffen op het aquatisch ecosysteem en houden meer rekening met de huidige onderzoeksmethoden en inzichten
dan de "oude" basiskwaliteit deed. Als een resultaat hiervan zijn de normen van de
AMK over het algemeen (aanzienlijk) strenger.
Natuurlijk moeten waterkwaliteitsmetingen worden uitgevoerd om een en ander te
kunnen volgen. In de Rijn gebeurt dit al zeer lang. Waren dat vroeger voornamelijk
chloride en zuurstof, tegenwoordig worden de concentraties van de meest uiteenlopende stoffen bepaald. Sinds een aantal jaren wordt ook de kwaliteit van het zwevende
stof onderzocht omdat veel microverontreinigingen zich hieraan hechten.
In dit hoofdstuk wordt voornamelijk ingegaan op de knelpunten en nieuwe ontwikkelingen in de kwaliteit van water en zwevende stof. Voor een meer volledig overzicht
van de waterkwaliteitsgegevens wordt verwezen naar [Heymen, 1992]. Ook worden de
in 1990-1992 gemeten gehalten getoetst aan de verschillende normen die op de Rijn
van toepassing zijn.
Eerst wordt nog even kort stil gestaan bij de meetprogramma's die worden uitgevoerd
en bij de natuurlijke samenstelling (het achtergrondgehalte) van het Rijnwater.
35
5.2
Meetprogramma's.
Milieumeetnet zoete rijkswateren
Voor de Nederlandse rijkswateren is het (zoete) waterkwaliteitsonderzoek ondergebracht in het milieumeetnet zoete wateren dat door het RIZA wordt geexploiteerd.
Vanaf 1993 bestaat dit meetnet uit 26 meetpunten waar een intensief meetprogramma
wordt uitgevoerd. Hierbij wordt ook de kwaliteit van het zwevende stof onderzocht.
Behalve chemisch onderzoek wordt ook op grote schaal biologisch onderzoek uitgevoerd [Adriaanse et al, 1992]. De monsters worden voornamelijk op het laboratorium
van het RIZA geanalyseerd.
De accenten in het kwaliteitsonderzoek zijn in de loop der jaren verschoven van
aanvankelijk alleen algemene parameters, via de zware metalen en organische microverontreinigingen (eind jaren '70) in water naar meting in andere compartimenten
zoals zwevende stof en waterbodems (PCB, drins). Sinds 1988 wordt dan ook onderzoek verricht in zwevende stof en de waterbodem. De hierbij gemeten gehalten
worden, voor onderlinge vergelijkbaarheid en om toetsing aan normen mogelijk te
maken, omgerekend naar standaard zwevende stof en/of standaard waterbodem
volgens de CUWVO [CUWVO, 1990]. Tegenwoordig is de aandacht sterk gericht op
goed in water oplosbare (polaire) stoffen, vaak bestrijdingsmiddelen zoals atrazine.
Automatisch meetnet/bewaking
Het hierboven beschreven milieumeetnet is vooral ingericht om geleidelijke veranderingen in de waterkwaliteit (trends) te kunnen waarnemen. De waterbeheerder moet
echter ook in staat zijn om direct te reageren in geval van een plotselinge verontreiniging. Dit is nodig om gebruikers van het water, zoals de drinkwaterbedrijven, tijdig te
kunnen alarmeren. Voor deze bewaking wordt op de grenslocatie Lobith een breed
scala aan stoffen dagelijks gemeten. Hierbij is de beschikbaarheid en snelheid
belangrijker dan de nauwkeurigheid van de bepaalde concentratie.
Sommige stoffen worden rechtstreeks gemeten met stofafhankelijke detectiemethoden.
Daarnaast bestaat al jaren een detectiesysteem (SIVEGOM) voor de matig tot slecht
in water oplosbare (a-polaire) stoffen.
Met een grove detectiemethode worden dagelijks, in een analysegang, tientallen
stoffen gedetecteerd. In geval van een verhoging wordt het monster overgebracht naar
het RIZA-laboratorium in Lelystad waar de stof wordt gei'dentificeerd en het gehalte
nauwkeurig bepaald.
Een dergelijk systeem (SIVEVOC) is ook ontwikkeld voor vluchtige stoffen zoals chloroform. Ook SIVEVOC werkt met dagelijkse (soms zelfs twee-maal daags) metingen.
Een nieuw systeem (SAMOS) is recent ontwikkeld en nog in de testfase. Dit systeem
richt zich op de polaire stoffen, vaak bestrijdingsmiddelen. Omdat deze stoffen goed in
water oplossen zijn ze door de drinkwaterbedrijven moeilijk te verwijderen. Daarom is
tijdige waarschuwing voor deze bedrijven van groot belang.
Behalve deze analytische detectiemethoden zijn er biologische bewakingssystemen met
vissen en watervlooien.
Al deze bewakingssystemen worden voortdurend gemoderniseerd en zijn sinds 1989
bekend onder de naam AQUALARM. Voor de procedures tijdens calamiteiten is een
draaiboek opgesteld tussen de betrokken instanties [Breukel, december 1990].
Natuurlijk wordt de waterkwaliteit niet alleen in Nederland bewaakt. Ook in de
andere Rijnoever-staten zijn meetstations.
36
In het kader van de Internationale Rijncommissie (IRC) is een systeem overeengekomen waarbij eventueel gemeten verontreinigingen en door de industrie aangemelde
calamiteuze lozingen direct worden doorgegeven aan benedenstrooms liggende
betrokkenen. Hierdoor is er voldoende tijd om andere belanghebbenden (o.a.
drinkwaterbedrijven) te waarschuwen en eventueel maatregelen te nemen. Tegenwoordig zijn een groot deel van de bij Lobith gemeten calamiteiten al aangemeld voordat
ze ons land bereiken. Overigens neemt het aantal bij het RIZA aangemelde calamiteiten sterk af (tabel 5.1) vermoedelijk door verbeterde voorzorgsmaatregelen bij de
grote bedrijven. Buiten deze chemische verontreinigingen die extra onderzoek vergen
komen grote en kleinere olievlekken geregeld voor.
Op verzoek van belanghebbenden is in 1989 onderzoek uitgevoerd naar mogelijkheden
om via een stuw de IJssel o\~
het Pannerdensch kanaal af te
kunnen sluiten voor Rijnwater.
jaar aantal
metingen
wrhogingen
Tijdens ernstige calamiteiten
calam.
uitgev.
gevonden
zou dit een mogelijkheid bieden
voor bescherming van de Neder1987
1"
60
10
Rijn, IJssel en/of Usselmeer en
1988
12
29
10
de
daaraan verbonden belangen
1989
Id
72
23
(m.n. drinkwater). Uit het onder1990
37
13
9
zoek
bleek echter dat zo'n calami1991
17
3
2
tenstuw
slechts geringe baten zou
l<>
4
1992
2
bieden tegenover relatief hoge
Tabel 5.1: Bij RIZA gemelde calamiteiten.
lasten [de Haas, 1989].
Foto 15:
Scheepsongeval op de Rijn bij Karlsruhe.
37
RIWA-meetnet
Behalve Rijkswaterstaat meten ook de Samenwerkende Rijn- en Maaswaterleidingbedrijven (RIWA) de kwaliteit van het Rijnwater. Voor het Rijnstroomgebied betreft dit
met name de meetinspanningen op de locaties Lobith en Hagestein. Hierbij wordt (in
IAWR-verband) ook gebruik gemaakt van de meetgegevens van de drinkwaterbedrijven in andere Rijnoeverstaten. Om dubbel werk te voorkomen zijn de meetactiviteiten
van RIZA en RIWA op elkaar afgestemd. Zo maakt de RIWA gebruik van het
RIZA-meetstation Lobith terwijl het RIZA meetgegevens van de RIWA gebruikt
[RIWA, januari 1992].
IRC-meetprogramma
In het kader van de IRC wordt door de Rijnoeverstaten al tientallen jaren (sinds juni
1953 om precies te zijn) een meetprogramma uitgevoerd op een aantal hoofdlocaties
langs de Rijn. Aanvankelijk slechts met pH, zuurstof, BZV, NH4, NO,, chloride en
fenol, tegenwoordig met een groot aantal parameters in het pakket. Voor Nederland
voert het RIZA dit meetprogramma uit.
Behalve voor bovengenoemde meetnetten worden door het RIZA metingen verricht in
het kader van de Codrdinatie-Commissie voor de metingen van Radioactiviteit en
Xenobiotische stoffen (C.C.R.X.)en diverse verplichtingen in het kader van de
Europese Gemeenschap.
5.3
Natuurlijke samenstelling.
De natuurlijke samenstelling van de Rijn is slechts voor een beperkt aantal parameters
sluitend te beredeneren. Voor parameters die uitsluitend via antropogene invloeden
ontstaan/in het oppervlaktewater terecht komen is de natuurlijke achtergrond uiteraard 0. Voor de, ook van nature voorkomende stoffen, kunnen volgens Molt [Molt,
1961] de volgende cijfers voor de Rijn aangehouden worden (tabel 5.2).
Stof
nat. achtergrond
huidige gehalte
Na"
5
50-150
Ca :t
50
80-90
Cl
12
100-300
Mg;
10
11-12
K
5
5-10
SO„2
35
50-100
Tabel 5.2: Natuurlijke achtergrond en huidige gehalten in mg/l [Molt, 1961 en
Breukel & Schafer, 1991].
5.4
Algemene parameters.
Temperatuur
Voor wat betreft de temperatuur is voornamelijk de opwarming door koelwater van
elektriciteitscentrales en industrieen van belang. In IRC-verband is in 1980 een "Stillhalte-Erklarung" afgekondigd. Dit houdt in dat nieuwe centrales met speciale installaties moeten worden uitgerust waardoor de warmtelozing tot 10% van de oorspronkelijke waarde wordt gereduceerd. Voor bestaande centrales geldt dat bij vervanging
of uitbreiding de huidige lozingen niet mogen worden overschreden. In de huidige
situatie kan bij lage afvoeren reeds een opwarming van 2°Cplaatsvinden.
38
In sommige gevallen kan dit
nu reeds betekenen dat met
minder rendement electriciteit
wordt geproduceerd zodat van
economische schade sprake is.
Lobith, afvoer en zwevende stof
indiv. metingen 1990-1992
afvoer
7500
Zwevende stof
Door de Rijn worden enorme
hoeveelheden slib, zand en
grind afgevoerd, gemiddeld
per jaar zo'n 400.000 m' zand
en grind en 2.000.000m3 slib
of zwevende stof (100 kg/s of
ruim 3 mln. ton/jaar). Het
gehalte is sterk afhankelijk
van de afvoer (figuur 5.1).
Vooral tijdens hoogwatergolven kan de getransporteerde
hoeveelheid zwevende stof
sterk oplopen.
zwev.stof
50
°
400
5000
h300
E
|
o
200
2500
100
HaM*
1990
1991
rv*
1992
Figuur 5.1: Zwevende stof en afvoer.
TOC/DOC
De organische belasting van
de Rijn wordt tot uiting gebracht in de parameters TOC en DOC, het totaal en
opgelost gehalte aan organische koolstof. Deze vertonen sinds 1975 een voortdurende
daling al is deze daling inmiddels wel minder steil geworden.
5.5
Zuurstof
indiv. marfngaWi 1992 (ma/I)
Zuurstofhuishouding.
Het zuurstofgehalte van het
Rijnwater is vanaf de beginja16
16
ren 50 stelselmatig gedaald
14
14
van ongeveer 7,7 mg/l in 1952
||
12
12
tot ongeveer 4,4 in 1971. Dit
xA i il
zijn ook nog jaargemiddelden;
10
10
wW
tussen 1960 en 1975 werden
e
«
P
in de zomer geregeld zuur•
e
f
|IVW
stofgehalten beneden de 3
4
*
mg/l of lager gemeten! Het
2
2
zal
dan ook duidelijk zijn dat
KaVT\pa»n
Hasgeslein
de zuurstofnorm van 5 mg/l
0
J I m a m ]
j
a s o n d
f m • m | | t $ o n d
vaak werd onderschreden en
dat vele vissen moeilijke tijden beleefden. Door de masFiguur 5.2:
Zuurstoffluctuaties.
sale bouw van zuiveringsinstallaties in het Rijnstroomgebied is het gemiddelde zuurstofgehalte sinds 1970 sterk gestegen tot 9 a 10 mg/l. De
minimumwaarde van de laatste jaren is altijd boven de 6 mg/l geweest.
181
IU k
H «
IR
**
ft \ J
Wl41,
1
p
39
Hoewel al jaren een stabilisering van het gehalte wordt verwacht; het overgrote deel
van het Rijnstroomgebied is inmiddels op rwzi'saangesloten, is ook de afgelopen vijf
jaar het zuurstofgehalte nog verbeterd. Er mag dan ook gesteld worden dat de
zuurstofhuishouding van de Rijn zich momenteel in een gunstige situatie bevindt en
dat het zuurstofgehalte geen belemmering hoeft te vormen voor de ontwikkeling van
het aquatisch ecosysteem. Alleen op de Neder-Rijn/Lek en IJssel komen bij lage afvoer nog wel eens lage zuurstofgehalten voor (figuur 5.2). Door de stuwen op de
Neder-Rijn kunnen zich hier bij lage afvoeren stagnante situaties voordoen. Hierdoor
kunnen algen zich massaal ontwikkelen en grote zuurstofschommelingen veroorzaken.
5.6
Nutrienten.
Het gehalte aan nutrienten (voedingsstoffen) is in de laatste tien jaar sterk gedaald
maar nog altijd is de Rijn een grote bron van fosfaten en stikstofverbindingen voor de
Nederlandse oppervlaktewateren. De belasting met nutrienten veroorzaakt, zoals bekend problemen door overmatige algenbloei.
Fosfaat
Na een flinke daling sinds
1976 is het gehalte aan fosfaat
tussen 1980 en 1985 vrij stabiel geweest (figuur 5.3).
Sindsdien daalt het gehalte
echter weer stelselmatig.
De eerste daling werd vooral
veroorzaakt door de bouw
van zuiveringsinstallaties. De
huidige daling die bij Lobith
gemeten wordt, wordt grotendeels veroorzaakt door de
fosfaatbeperkende maatregelen in het buitenland (Zwitserland en Duitsland). Deze
maatregelen, fosfaatloze wasmiddelen en defosfatering van
afvalwaterzuiveringsinstallaties, worden ook in Nederland
toegepast en verlagen de
belasting van het oppervlaktewater (zie 6.2).
De fosfaatvracht bij Lobith is
Lobith, fosfaat
jaargemidd. en vracht 1970-1992
I vracht kg/sec
jaargemiddelde mg/l
1.8
Figuur 5.3: Fosfaatvracht en -concentratie.
onafgebroken gedaald van 1,6 kg/sec in 1980, tot 0,4 kg/sec in 1991 (van ± 51.000 tot
± 13.000 ton/jaar). Kortom: ruim 70% reductie in de laatste 11 jaar. Hiervan is een
groot deel in de laatste vijf jaar verwezenlijkt. In de periode 1985-1992 is de fosfaatvracht van de Rijn bij Lobith meer dan gehalveerd! Aangezien fosfaat e6n van de voor
het RAP (zie 6.2) geselecteerde stoffen is, mag bovendien een verdere afname van de
gehalten verwacht worden.
40
Stikstof
Ook stikstofverbindingen zijn voedingsstoffen. Door de bouw van de rwzi'sin de jaren
1970-1980 is het gehalte aan organische stoffen afgenomen. De bij deze afbraak
hiervan vrijkomende stikstofverbindingen worden echter grotendeels nog geloosd. In
tegenstelling tot fosfaat wordt het uitstroomwater (effluent) van rwzi'snog niet op
grote schaal van stikstofverbindingen ontdaan.
Voor wat betreft het gehalte
aan totaal-stikstof (KjeldahlKjN
+ nitraat) moet worden geLobith, stikstof
laargernlodelden 1970-1992 (mg/l)
steld dat het nog aanzienlijk
totN
9
boven de normen van de
N02N03N
algemene milieukwaliteit ligt
8
en bovendien weinig verbetering in de gehalten vertoont.
7
De gehalten van de individu6
ele verbindingen kennen wel
fluctuaties, echter niet zozeer
5
door vermindering van de
4
belasting als wel door omzettingen. Zo kennen de gehal3
ten aan ammonium en nitraat
een tegengesteld verloop. Het
2
ammoniumgehalte neemt af
1 -I
terwijl het nitraatgehalte toeneemt (figuur 5.4). Dit komt
0
75
10
80
85
doordat bij de afbraak (o.a. in
90
rwzi's) ammonium wordt
omgezet
in nitraat (nitrificaFiguur 5.4: Stikstofverbindingen.
tie). Ook de uit- en afspoeling
van stikstof is, zeker in Nederland, een groot probleem. Extra aandacht zal nodig zijn
voor het nitraatgehalte. Te meer als in de toekomst besloten zou worden om (nitraatrijke) mest te gaan verwerken via rwzi's die op oppervlaktewater lozen. Nitraat is een
probleem bij de drinkwaterbereiding, vooral baby's zijn gevoelig voor te hoge gehalten.
5.7
Zouten.
Chloride
Het gehalte aan zouten, en met name chloride (van het gewone keukenzout), is al vele
jaren een algemeen bekend probleem voor de Rijn.
Drinkwaterbedrijven hebben onder meer last van de hoge gehalten omdat het zout de
leidingen aantast en smaakbezwaren geeft. Ook de land- en tuinbouw heeft er last
van. Het is bekend dat de hoge gehalten voor ruwweg 1/3 deel worden veroorzaakt
door de Franse kalimijnen in de Elzas (zie tabel 5.1).
Inmiddels is een nieuwe fase van het "zoutverdrag" (uit 1976) ingevuld waarbij Frankrijk zich verplicht heeft om de stort van afvalzout te reduceren bij overschrijding van
een gehalte van 200 mg/l bij Lobith en een afnemende afvoer. Tijdens dergelijke
perioden wordt dan 42-56 kilo per seconde teruggehouden. Gemiddeld zal dit jaarlijks
41
een reductie van 20-25 kg/s
betekenen. Het zout zal later
(na 1998) overigens alsnog gestort
worden.
Momenteel produceren de beide
kalimijnen jaarlijks ± 40.000
ton per jaar. In 1998 zal (naar
verwachting) e£n mijn gesloten
worden en vanaf 2004 zal de
gehele productie worden gestaakt.
Tot die tijd moeten de drinkwater-
Belasting Rijn bij Lobith (kg/sec)
Natuurlijke belasting
40
zijrivieren
125
Duitse industrie, mijnen en rwzi's
75
Franse kalimijnen
115
355
Tabel 5.1: Zoutbelasting Rijn.
bedrijven veel moeite doen om de gewenste kwaliteit te halen want de norm
van 200 mg/l wordt geregeld overschreden (figuur 5.5).
Lobith, eWorld*
KkV maBraJ.fi 1 I U (mcjll)
ISO
900
I
250
Natrium en bromide
Tegenwoordig zijn de natrium- en bromidegehalten een punt van zorg voor de
drinkwaterbedrijven. Het natriumgehalte
(tussen 50 en 150 mg/l) overschrijdt
regelmatig de WHO-norm voor drinkwater die op 120 mg/l is gesteld. Het
bromide (tussen 0,1 en 0,4 mg/l) veroorzaakt problemen bij de bacteriedodende
zuiveringstechniek met ozon door de
vorming van toxische bromaten.
5.8
aoo
1(0
100
I (I
A«
i.P
/ v \ M^/»» JV
]
J *\fffi\ji
m
V
0
1
m
•
ni
|
|
•
•
o
a
Figuur 5.5: Chloridegehalte.
Zware metalen.
De belasting met zware metalen is spectaculair gedaald sinds de beginjaren 70. De
laatste jaren blijven de gehalten in water op eenzelfde niveau.
Toch veroorzaken de huidige gehalten nog altijd problemen, niet zozeer in de waterfase maar wel in het sediment. De meeste metalen hechten sterk aan de, in het water
zwevende stofdeeltjes (klei- en organische deeltjes) die hierdoor worden verontreinigd.
In rustig, stagnant water bezinkt dit zwevende stof en vormt sediment. Bij baggerwerkzaamheden blijken vervolgens de gehalten aan zware metalen vaak zo hoog dat het
een probleem vormt voor de verwerking van het materiaal.
In de normen van de Algemene Milieu-Kwaliteit (AMK) uit de Derde Nota Waterhuishouding, wordt hiermee rekening gehouden. De aan de norm van de AMK te
toetsen meetwaarden (de toetswaarde) van de gehalten in het zwevende stof, zoals
gemeten bij Lobith, zijn in tabel 5.2. weergegeven. Hierbij is omgerekend naar een
standaard zwevende stof. De zware metalen cadmium, kwik, zink, nikkel en koper
voldoen niet aan de AMK-normen voor het zwevende stof. De gehalten aan lood en
chroom zitten daarentegen al ruim beneden deze normen (figuur 5.6 en 5.7). De
toetsresultaten voor de andere Rijnlocaties leveren vergelijkbare resultaten.
42
1991
Norm AMK
1990
toetszwev. stof
toets(mg/kg)
resultaat
waarde
Parameter
toetswaarde
.
-
5.5
1.7
208
149
968
91
168
6.3
2.3
262
218
1206
75
181
1992
toetsresultaat
toetswaarde
toetsresultaat
a,
4.0
1.5
184
139
848
78
137
.
+
+
-
cadmium
kwik
lood
chroom
zink
nikkel
koper
3
0.75
795
720
720
53
53
Tabel 5.2:
Toetswaarden en -resultaten zware metalen. Lobith, 1990-1992.
+
+
-
t
+
"
Dit alles heeft uiteraard zijn gevolgen voor de kwaliteit van de waterbodem waar het
zwevende stof dat bij Lobith langs stroomt, vroeg of laat terechtkomt.
Maassluis. metalen (zwev.stof)
rrwdianen, 1988-1992 (mg/kg)
Lobith, metalen (zwev.stof)
12
medlanen, 1988-1992 (mg/kg)
3 1966
|
1969
|
1990
|
10
1M1
ill 1692
c u r 10)
Hg
Figuur 5.6: Metalen Lobith.
5.9
Figuur 5.7: Metalen Maassluis.
Organische microverontreinigingen.
De grote groep "organische microverontreinigingen" is wellicht het meest spraakmakend als het gaat om de waterkwaliteit van de Rijn. Aangezien er vrijwel oneindig veel
stoffen zijn die onder deze noemer vallen, zal dit nog wel even zo blijven.
Veel parameters en stofgroepen zijn al vele jaren onderwerp van studie en beperkende maatregelen zoals de polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), de
polychloorbifenylen (PCB) en de organochloor-pesticiden waaronder lindaan, DDT en
aldrin, dieldrin en endrin. Van de meeste stoffen zijn de gehalten in de afgelopen
jaren inderdaad gedaald. Overigens geldt ook bij de organische microverontreinigingen
dat de verbetering van de waterfase nog niet een totale verbetering inhoudt. Veel van
deze stoffen adsorberen sterk tot zeer sterk aan het zwevende stof. De kwaliteit van
43
het zwevende stof (de toekomstige waterbodem!) laat dan ook voor een flink deel van
deze verontreinigingen nog veel te wensen over.
Behalve de reeds lang bekende stoffen worden er vrijwel continu nieuwe stoffen
gefabriceerd (waaronder pesticiden) die de aandacht vragen. Na de organochloorpesticiden kwamen de organofosfor-pesticiden en tegenwoordig staan ook de polaire
stoffen en dioxines sterk in de belangstelling. Dit betekent dat de meetinspanning en
analysetechnieken voortdurend moeten worden aangepast.
Zo worden onder meer stoffen als nitrobenzeen en de goed in water oplosbare
(polaire) bestrijdingsmiddelen atrazine en simazine in het kader van de bewaking
tegenwoordig voortdurend gemeten, samen met tientallen andere organische verbindingen.
PCB
Polychloorbifenylen is de verzamelnaam voor een groep van ruim 200 verbindingen die
geen elektriciteit maar wel warmte geleiden. Daarom zijn ze veelvuldig gebruikt in
transformatoren en condensatoren maar ook in drukinkten, verven en olien.
LobWi. PCB-138 (op produdbaara)
Lobith. PCB-138 (rwevstoO
lawjavnaMaaa^ 1M0-1W2 (ugAg)
aa-V-^dOaMa* 1SM-19S2 (uoAg)
83
Figuur 5.8: PCB in zwevende stof.
M
86
Figuur 5.9: PCB in paling (RIVO).
Deze stoffen breken vrijwel niet af en hopen zich sterk op (accumuleren) in vetweefsel. Dieren aan het einde van voedselketens bouwen zeer hoge concentraties op die de
vruchtbaarheid en het broedsucces verminderen. Inmiddels worden de PCB in alle
wereldzeeen, tot in de polen aangetoond. Onder andere door nalevering en atmosferische depositie komen ze nog steeds vrij.
Tegenwoordig worden in de Duitse en Franse mijnen PCB-vervangende stoffen gebruikt zoals Ugilec en DBBT die kenmerken hebben van zowel PCB als van andere
giftige stoffen. Ze worden in toenemende gehalten in het oppervlaktewater en in
paling uit Rijn en Maas aangetroffen. Het is de vraag of de situatie hiermee niet van
de regen in de drup geraakt.
PCB zijn voornamelijk aan klei- en organische stofdeeltjes gebonden. Het onderzoek
wordt dan ook uitgevoerd in het zwevende stof of in organismen (paling).
In figuur 5.8 en 5.9 zijn de gehalten weergegeven van congeneer PCB138 in zwevende
stof en paling. Duidelijk is dat de normen nog steeds ruim worden overschreden hoewel er al jaren restricties zijn op het gebruik voor deze stoffen.
44
PAK
Ook de PAK zijn een verzameling van
een groot aantal verbindingen en de
gehalten hiervan zijn nog altijd een groot
probleem. Een aantal van de PAK zijn
carcinogeen. Ze komen vrij bij verbrandingsprocessen en door uitloging van
scheepsteer en gecreosoteerde oeververstevigingen. Een belangrijke bron is
het verkeer. Voor het oppervlaktewater
is veruit de voornaamste bron de uitloging van scheepsteer.
Er bestaan strenge normen voor deze
stoffen. Uit het onderzoek blijkt dat de
gehalten nog steeds ruim boven deze
normen liggen (figuur 5.10).
De hoge PAK-gehalten zijn dikwijls de
Lobilh, PAK. 6 Bomsfl (zwov.stof)
|«aYBa«nMaa»<la», I9SS-19B2 (maJ/Vol
Figuur 5.10: PAK in zwevende stof.
oorzaak van een slechte beoordeling van baggerspecie (kiasse 3 of 4). Deze specie
moet dan tegen zeer hoge kosten worden geborgen in speciaal daarvoor aangelegde
depots zoals de "Slufter" en de "Papagaaiebek" (zie ook 5.11). Op korte termijn (1995)
wordt nog geen drastische verbetering in de situatie verwacht (zie 6.6).
Organ, chloorverbindingen
De organo-chloorpesticiden worden al vele jaren gemeten.
Inmiddels zijn voor verschillende hiervan verbodsbepalingen van kracht. De meeste
worden in het oppervlaktewater niet of nauwelijks meer aangetoond maar nog wel in
het zwevende stof. Meestal is nalevering de voornaamste bron.
Lobith, HCB (zwev.stof)
Maassluis, HCB (zwev.stof)
nvMlaVMn. 1988-1962 (ug/kg)
mavaWwn. 1988-1992 (ueAa)
A
IMt
I MO
1W1
Figuur 5.11: Hexachloorbenzeen.
Figuur 5.12: Hexachloorbenzeen.
Opvallend is echter dat sommige DDT-derivaten nog steeds worden aangetoond en
zelfs een licht stijgende trend Iijken te vertonen. Aangezien ze in Europa al jaren niet
meer gebruikt worden ligt dit vermoedelijk aan de import van vooral agrarische
goederen (o.a. katoen) uit gebieden waar deze stoffen nog wel gebruikt worden.
Alleen hexachloorbenzeen (HCB) wordt, in zwevende stof, nog in aanzienlijke
45
hoeveelheden aangetoond en voldoet niet aan de AMK (figuren 5.11 en 5.12). Hoewel
het een fungicide is, wordt HCB als byproduct en verontreiniging bij tal van fabricageprocessen ongewild gevormd. De stof accumuleert in sediment en is vrij persistent.
Ook het bestrijdingsmiddel lindaan of y-HCH voldoet nog niet aan de AMK al nemen
de gehalten wel af.
Van de chloorbenzenen komt vooral trichloorbenzeen, waarvoor de AMK (l-lijst) een
norm van 0,3 mg/kg kent, voor in gehalten van 0,01-0,1 mg/kg.
Pentachloorfeno! mag in Nederland (en in Duitsland) niet meer worden gebruikt.
Aangezien het echter voornamelijk (80%) is gebruikt in houtverduurzamingsmiddelen
zal de nalevering hiervan nog wel enige tijd aanhouden. Pentachloorfenol wordt ook
gevonden in cellulose en papier/houtpulp verwerkingsbedrijven. Behalve als houtconserveermiddel wordt het gebruikt als breed werkend pesticide. PCP is in bodem persistent hetgeen ook een bron van nalevering zal zijn. Na een snelle daling in de periode
1980-1985 zijn de gehalten sinds die tijd vrij laag (rond 0,02iug/l).
De stofgroep vluchtige organische chloorverbindingen omvat een aantal zeer veel gebruikte en geproduceerde oplosmiddelen zoals trichlooretheen (tri), tetrachloormethaan (tetra), trichloormethaan (chloroform). Niet alleen de industrie gebruikt ze
volop, ook in menig keukenkastje staat een flesje tri of tetra als vlekkenmiddel.
Gezien het vluchtige karakter verdampen ze snel. De gehalten van deze vluchtige
stoffen zijn, net als van de groepsparameter VOX de laatste jaren meestal < 1 /xg/1 al
kunnen uitschieters voorkomen.
De groepsparameter EOX (of EOCL), geeft een indicatie van (een deel van) de
enorme groep diverse stoffen die onder de noemer organische halogeenverbindingen
vallen. De gehalten hiervan zijn sterk afgenomen van gemiddeld 20-25 ,ug/l in 1973 tot
1-2 fig/\ tegenwoordig.
Cholinesteraseremmers
De parameter cholinesteraseremming is een indicator van de organo-fosfor bestrijdingsmiddelen. De gemiddelde gehalten hiervan zijn al zo'n 15 jaar beneden 1 /ug/l.
Uitschieters tot 2 p.g/\ komen nog wel voor. De norm van de AMK is echter 0,5 /xg/1
(maximum) en die wordt dus overschreden.
5.10
Toetsing 1990- 1992.
De meetgegevens van water en zwevende stof zijn getoetst aan de normen van de
Algemene Milieukwaliteit [Min. van V&W, 1989], de normen voor viswater en voor
oppervlaktewater bestemd voor de bereiding van drinkwater [Staatsblad, 1983]. Hierbij
waren in sommige gevallen de laatste meetgegevens van 1992 nog niet beschikbaar.
Derhalve moeten de toetsresultaten als nog niet definitief worden beschouwd al
worden er geen grote veranderingen verwacht. Overigens is de AMK inmiddels
gei'ncorporeerd in de Milieukwaliteitsdoelstellingen bodem en water. Hierbij zijn de
normen echter goeddeels gelijk gebleven.
In bijlage 1 zijn alle toetsresultaten in tabellen weergegeven.
46
algemene milieukwaliteit (AMK)
De AMK bestaat uit normen voor de gehalten in water en in zwevende stof. De
toetsresultaten voor de verschillende Rijnlocaties verschillen onderling nauwelijks
terwijl er ook in de afgelopen drie jaar weinig fluctuaties zijn. Voor een deel komt dit
overigens door de relatief strenge normen van de AMK want er is, zoals hierboven is
besproken wel degelijk vooruitgang opgetreden voor een aantal parameters.
Het zuurstofgehalte voldoet alle jaren op alle locaties. Met name voor de plannen
voor natuurontwikkeling is dit een belangrijk gegeven.
Opvallend is ook dat bij Lobith het doorzicht te klein is maar dat deze situatie zich
verder benedenstrooms verbetert, zij het nog niet altijd voldoende.
De nutrienten (fosfaat en stikstof) zijn, ondanks sterke verbeteringen voor fosfaat nog
steeds veel te hoog. Daarmee blijft de Rijn een zeer belangrijk aandeel in de totale
belasting van Nederland met nutrienten houden.
Eveneens bekend is de voortdurend te hoge belasting met chloride.
Verder zijn bij Lobith de gehalten aan bacterien te hoog. Door het zelfreinigend
vermogen van de rivier zijn de gehalten op de benedenstrooms gelegen locaties zoveel
lager dat aan de normen wordt voldaan.
De parameter cholinesteraseremmers, een indicatie voor de belasting met organofosforbestrijdingsmiddelen wordt bijna altijd overschreden. Pentachloorfenol voldoet in
Lobith wel maar in de andere locaties soms niet aan de norm. Het gehalte aan lindaan
en vooral hexachloorbenzeen is in het zwevende stof te hoog.
De metalen hebben ook nog lang geen bevredigend gehalte bereikt. Alleen lood en
chroom voldoen vrijwel altijd aan zowel de normen voor water als die voor het
zwevende stof. Cadmium en nikkel voldoen in de waterfase meestal wel maar niet in
het zwevende stof. Zink en vooral kwik en koper daarentegen overschrijden meestal in
beide compartimenten de normen.
Wel heel erg slecht zijn de toetsresultaten van de PAK, de PCB en olie. Voor deze
parameters wordt vrijwel alle jaren nergens aan de normen voldaan.
Het mag duidelijk zijn dat de algemene milieukwaliteit nog lang niet is bereikt, zeker
niet voor het zwevende stof.
drinkwater
Uit de toetsresultaten aan de normen voor oppervlaktewater voor de bereiding van
drinkwater blijkt dat de zoutproblematiek nog lang niet is opgelost. De parameters
geleidendheid, chloride en natrium overschrijden stelselmatig de normen.
Ook bij deze toetsing blijkt dat bij Lobith de gehalten aan bacterien altijd te hoog zijn.
Bij Hagestein, dicht bij het Nieuwegein, het inlaatpunt van de Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland (WRK) zijn deze gehalten overigens voldoende gedaald
om aan de normen te voldoen.
Het grootste probleem voor de drinkwaterbereiding is echter de veelvuldige overschrijding van de norm voor bestrijdingsmiddelen. De oude normen die vooral gericht was
op de "traditionele" organo-chloorpesticiden worden zelden meer overschreden maar
sinds 1989 zijn deze aangescherpt tot een algemene norm van 0,1 p.g/\ voor alle bestrijdingsmiddelen en < 0,5 .ug/l voor het totaal aan bestrijdingsmiddelen [Min. van V&W,
1989]. Deze norm wordt zeer geregeld overschreden hetgeen dikwijls aanleiding is
geweest voor sluiting van de inname.
47
viswater
Al jaren lang wordt aan alle normen voor viswater voldaan. In het verleden werd op
sommige locaties de norm voor ammoniak nog wel eens overschreden. Dit komt voor
bij ongunstige combinaties van zuurgraad, temperatuur en ammoniumgehalten.
5.11
Waterbodems.
Zoals hierboven al is aangegeven komt er per jaar zo'n 2.000.000 m' slib of zwevende
stof (100 kg/s of ruim 3 mln. ton/jaar) ons land binnen met de Rijn. Ofwel een
meterdikke laag sediment van 1 x 2 km. Bovendien ongeveer 400.000 m3 zand en grind
maar dit is veel minder sterk verontreinigd.
Het slib is zwaar verontreinigd met onder andere metalen, olie, PAK, PCB en bestrijdingsmiddelen. Dit materiaal sedimenteert in het Ketelmeer, Hollandsch Diep, Haringvliet, Rotterdamse havens maar ook op uiterwaarden en meer bovenstrooms in
havens. Hier vormt zich zo een verontreinigde waterbodem.
Om de verontreinigingsgraad aan te geven wordt een stelsel van vier klassen gebruikt.
De klassegrenzen zijn: streefwaarde, algemene milieukwaliteit, toetsingswaarde en
signaleringswaarde. Gehalten tussen toetsings- en signaleringswaarde worden verontreinigd genoemd; kiasse 3. Gehalten boven de signaleringswaarde geven mogelijk een
gevaar voor de volksgezondheid en/of milieu; men spreekt van kiasse 4 specie: sterk
verontreinigd.
Voor onderhoud van vaarwegen moet geregeld gebaggerd worden. In de komende
jaren moeten nog heel wat waterbodems worden uitgebaggerd. Hierbij zullen grote
hoeveelheden verontreinigde en zwaar verontreinigde (kiasse 3 en 4) baggerspecie
vrijkomen. De verwerking hiervan is een groot probleem bij baggerwerkzaamheden en
saneringen. Voor de meeste verontreinigingen zijn nog geen verwerkingsmethoden
beschikbaar die de bagger voldoende schoon krijgen voor vrij gebruik of verspreiding
in het milieu. Deze specie moet dan tegen zeer hoge kosten worden geborgen in
speciaal daarvoor aangelegde depots zoals de "Slufter" en de "Papagaaiebek".
De kwaliteit van de (rijks-)waterbodems in Zuid-Holland waar het meeste Rijn-slib
sedimenteert, is overwegend zeer slecht. Vooral de metalen, PAK, PCB en olie
veroorzaken normoverschrijdingen.
Van de Hollandse IJssel wordt in meer dan de helft van de monsters de signaleringswaarden overschreden (kiasse 4). Aan het saneringsonderzoek wordt gewerkt en het
ligt in de bedoeling de sanering voor 1996 af te ronden.
In de Noordrand (o.a. Rotterdams havengebied) is de kwaliteit opvallend genoeg iets
beter dan in de rest van het gebied. Dit komt door in het verleden uitgevoerde
baggerwerkzaamheden waarbij het meest verontreinigde slib al is verwijderd. Ook zijn
op diverse locaties al saneringen uitgevoerd. De kwaliteit is voor een groot deel van de
bodems kiasse 3. Voor de Chemiehaven en mogelijk nog andere havens is of wordt
onderzoek naar de noodzaak van sanering in gang gezet.
In het Middendeel (Dordtse Kil, Noord, Oude Maas, Spui) wordt nog orienterend
onderzoek uitgevoerd en zal voor een aantal havens vermoedelijk saneringsonderzoek
worden gestart.
Van het grote sedimentatiegebied aan de Zuidrand (o.a. Merwede, Haringvliet) is al
lang bekend dat de bodem een slechte kwaliteit heeft. Het saneringsonderzoek zal in
48
1994 beginnen. Met het oog op de mogelijke grootscheepse sanering van de waterbodem in ondermeer het Hollandsch Diep, Haringvliet en Biesbosch wordt onderzoek
verricht naar de mogelijkheden voor een baggerspeciedepot in het Hollands Diep. Het
is de bedoeling dat het depot in 1996 klaar zal zijn [Rijkswaterstaat, 1993].
5.12
Inventariserend onderzoek.
Bovengenoemde parameters (en nog vele andere) worden al jaren routinematig
gemeten. Dit is nodig omdat de gehalten te hoog zijn en/of om normen, doelstellingen
en de effecten van genomen maatregelen te kunnen toetsen.
Maar de ontwikkelingen staan natuurlijk niet stil. Door het RIZA wordt zeer veel
inventariserend onderzoek gedaan. Enerzijds worden de analysetechnieken voortdurend verfijnd en uitgebreid, maar ook zijn er steeds nieuwe stoffen die in de belangstelling komen of een probleem blijken te (gaan) vormen.
Zo worden met behulp van een zogenaamde gaschromatograaf-massaspectrometer
(GC/MS) maandelijks uitgebreide inventarisaties uitgevoerd. Hierbij wordt een
harskolom Vh dag "opgeladen" door er Rijnwater over te laten stromen en vervolgens
worden de aangehechte stoffen bepaald. Door de hiermee ontstane ervaring is
monitoring van een grote range van stoffen mogelijk geworden. Momenteel worden
met deze techniek zo'n 200 stoffen regelmatig gemeten bij Lobith en sinds kort ook bij
Maassluis. Ook in de Maas vindt dergelijk onderzoek plaats (Eijsden en Keizersveer).
De aldus verkregen meetgegevens geven een goed beeld van de stoffen die regelmatig
in verhoogde gehalten voorkomen. Deze worden hieronder besproken.
Het gaat hierbij voornamelijk om de matig tot a-polaire stoffen, stoffen dus die slecht
in water oplossen en bij voorkeur aan het zwevende stof voorkomen. Omdat de
techniek gebruik maakt van gefiltreerde monsters zijn de gemeten gehalten dus
waarschijnlijk nog relatief laag ten opzichte van de werkelijke waarden.
Voor de meetreeks van de periode 1988-1990 is gerapporteerd [Barreveld, 1991]. Bij
onderstaande bespreking zijn ook de meetgegevens uit 1991 en 1992 betrokken.
Heterocyclische verbindingen. De alkyl-pyridinen komen regelmatig voor zoals 2,4,6trimethylpyridine, en diverse dimethylpyridines in gehalten beneden 1 ^g/l.De stoffen
worden gebruikt bij de fabricage van kleurstoffen en kunstharsen en kunnen afkomstig
zijn van steenkoolderivaten.
Geregeld wordt ook 2-(methylthio-)benzothiazol aangetroffen (tot 0,2 .ug/l). Deze stof
wordt gebruikt bij de synthese van kunststoffen en rubbers.
Anilinen en amiden. Anilinen worden in de kleurstofindustrie gebruikt. Een aantal
ervan worden sporadisch aangetroffen. 2-Nitroaniline werd vooral in 1989 geregeld
gevonden, in gehalten tot 4/xg/l.Ook N,N-diethyl-3-methylbenzamide wordt geregeld
gevonden (tot 0,4 /xg/1). Deze stof is het werkzame bestanddeel van een bekend antimuggen middel.
Gesubstitueerde koolwaterstoffen. Hierbij is veruit de bekendste nitrobenzeen. Deze
stof komt regelmatig als calamiteit in de Rijn voor en wordt ook regelmatig in de
routinematige metingen teruggevonden zij het in afnemende gehalten (figuur 5.13).
Nitrobenzeen wordt gebruikt bij de synthese van zeer veel stoffen en producten.
49
Tenslotte wordt ook trifenylfosfine-oxyde (tot 0,84 <ug/l) wel gevonden. Vermoedelijk is
dit de in het oppervlaktewater geoxydeerde vorm van trifenylfosfine dat als polymeerinitiator in de kunststofindustrie wordt gebruikt.
Vluchtige stoffen
Bij het inventariserende onderzoek naar vluchtige stoffen waarvoor in Lobith het systeem SIVEVOC wordt gebruikt is alleen de stof tetrahydrofuran geregeld gemeten in
gehalten tussen 1 en 2 /xg/1. Dit is een van de weinige goed bruikbare oplosmiddellen
voor PCV en zit bijvoorbeeld in PVC-Iijm.
Anders dan de Maas waar vluchtige stoffen geregeld in hoge gehalten worden ontdekt
is de Rijn met deze stoffen niet zwaar belast, althans niet bij de grenslocatie Lobith
[mondelinge mededeling Miermans].
Polaire stoffen
Op het ogenblik is een systeem voor de detectie van polaire stoffen in de testfase. Het
staat op het station Keizersveer in de Maas. Medio 1993 zal het in Lobith gei'nstalleerd worden. Verwacht mag worden dat dan weer nieuwe stoffen zullen worden
"ontdekt". Juist de polaire stoffen zijn voor drinkwaterbedrijven interessant omdat ze
potentieel een bedreiging zijn voor de kwaliteit van het drinkwater en alleen met dure
zuiveringsmethodieken verwijderd kunnen worden.
I-lijst onderzoek
In de AMK die in de Derde Nota Waterhuishouding is opgenomen, is behalve een Mlijst met stoffen die routinematig gemonitord moeten worden, ook een I-lijst opgenomen. Dit zijn stoffen waarvoor een behoefte bestaat aan inventariserend onderzoek.
Als een van de vervolgacties op de Derde Nota is dergelijk onderzoek ook uitgevoerd
door het RIZA en DGW. Hierover is gerapporteerd in de nota Speuren naar sporen
[van Steenwijk et al, 1992]. Verder konden in het bovengenoemde I-lijst onderzoek
van RIZA en DGW ook de meetreeksen van de RIWA gebruikt worden. Hierbij is
door de RIWA een bestand beschikbaar gesteld met meetresultaten. In de nota
Speuren naar sporen is ook dit bestand besproken.
Hieronder worden de voor de Rijn meest van belang zijnde stoffen genoemd voor
zover de aangetroffen stoffen al niet besproken zijn in de SIVEGOM-evaluatie
(hierboven). In alle gevallen betreft het bestrijdingsmiddelen.
Organofosforbestrijdingsmiddelen. Van alle onderzochte organofosforbestrijdingsmiddelen zijn alleen dimethoaat en disulfoton aangetoond, overigens niet in Maassluis of
Lobith. Door de RIWA is dimetheoaat al wel aangetoond evenals (incidenteel)
diazinon. Verder zijn incidenteel malathion, parathion-ethyl, parathion-methyl,
azinfos-methyl en dichloorvos (rooktabletten in glastuinbouw) aangetoond. Vooral de
gehalten van dimethoaat, parathion-ethyl, azinfos-methyl en dichloorvos waren
duidelijk boven de detectiegrenzen.
Organotinverbindingen. Bij Maassluis worden gehalten gelijk aan de detectiegrenzen
aangetoond (totaal-organotin: 0,002 .ug/l).
52
Fenolherbiciden. Dinoseb is bij Maassluis aangetroffen (0,17 /xg/1). Door de KIWA is
het ook bij Lobith aangetroffen [KIWA, 1992]. Aangezien dit middel sinds 1990 niet
meer gebruikt mag worden is het vermoedelijk van gebruik in het buitenland afkomstig. Ook dinoterb wordt incidenteel in Maassluis aangetoond (nov. 1991: 1,06 .ug/l).
Hoewel het gebruik van DNOC is toegenomen is de stof niet aangetoond in de
Rijntakken.
Carbamates Door de RIWA zijn incidenteel oxamyl ( < 0,1 /xg/1) en pirimicarb (0,65
/xg/1) aangetoond.
Chloorfenoxycarbonzuren. Van deze pesticiden-groep komen mecoprop en MCPA het
meest voor in oppervlaktewater. Mecoprop is bij Lobith aangetoond in gehalten van
0,1 tot 0,4 /xg/1. MCPA is bij Maassluis aangetoond op detectiegrensniveau. Ook 2,4-D
is bij Maassluis aangetoond (0,1 /xg/1). Tenslotte is 2,4-DP incidenteel aangetoond bij
Lobith en Maassluis (0,1 /xg/1). Uit de RIWA-metingen komen dezelfde stoffen naar
voren, uitgezonderd MCPA.
Triazinen. Atrazine en simazine zijn behandeld bij de SIVEGOM-metingen. Behalve
deze twee stoffen zijn ook terbutylazin, en desmetryn (0,14 /xg/1) in Maassluis
aangetoond. Verder vindt de RIWA eenmalig ook propazin en metamitron in
gehalten < 2 /xg/1.
Aniliden. Alachloor is aangetoond bij Maassluis (0,05 /xg/1), evenals metolachloor (0,03
/xg/1) en metazachloor in lagere concentraties. Metolachloor is vergelijkbaar met
atrazine. Het is persistent en hecht aan organisch materiaal [RIWA, december 1992].
Fenvlureumherbiciden. Methabenzthiazuron is aangetoond bij Lobith (tot 0,3 /xg/1).
Een maal is hier ook metoxuron net boven de detectiegrens gekomen evenals isoproturon (0,1 /xg/1). Uit uitgebreid onderzoek van de RIWA blijken bovendien vooral
diuron (tot 0,85 /xg/I) en chloortoluron voor te komen.
Diversen. Dicamba is een maal Qu\\ 1991) aangetoond bij Lobith (0,2 /xg/1).
Bentazon is in het RIZA-onderzoek nooit boven de detectiegrens aangetoond, door de
RIWA ten enkele maal (0,05 /xg/1) bij Lobith.
In bijlage 2 zijn de organische microverontreinigingen opgenomen die in de verschillende onderzoeken naar voren zijn gekomen in meetbare gehalten. Ze zullen in de
toekomst dan ook voor verder onderzoek in aanmerking blijven komen.
53
Foto 16:
Foto 17:
Monstername bij lozingspijp.
Waterzuiveringsinstallatie.
6.
Emissiereductie
6.1
Algemeen.
Eind 1987 is het Rijnactieprogramma (RAP) aanvaard door de Rijnoeverstaten.
Hierin zijn afspraken gemaakt over substantiele reducties (50%) van de lozingen van
milieugevaarlijke stoffen in de periode tussen 1985 en 1995. Gelijksoortige afspraken
zijn ook gemaakt met betrekking tot de emissies naar de Noordzee (Noordzeeaktieplan; NAP) waarbij de eisen zijn aangescherpt tot tenminste 50% reductie. Verder zijn
in het NAP aanvullende afspraken gemaakt voor onder andere kwik, cadmium, lood
en dioxines (70% reductie), PCB (uitbannen en vernietigen in uiterlijk 1999) en
nutrienten fl)escherming kwetsbare gebieden door 50% reductie).
Door het RIZA is een voortgangsnota opgesteld met een overzicht van de lozingen
van prioritaire stoffen in heel Nederland in de jaren 1985 en 1990 en een prognose
voor de te verwachten situatie in 1995. Hierbij wordt rekening gehouden met de stand
der techniek voor industriele en communale emissies, de beste milieuveilige handelswijze voor diffuse bronnen en nog te implementeren beleid tot aan 1995.
Het onderzoek heeft zich, wat de industriele lozingen betreft, vooral gericht op de
zogenoemde speerpuntbedrijven, dat zijn de bedrijven die samen 90% of meer van de
totale hoeveelheid van de betrokken stof lozen. De inventarisatie is uitgevoerd door de
Werkgroep Emissies Noordzee. Door kennisontwikkeling en omdat zeer recente informatie (1991-1992) is gebruikt vervangt de nota eerdere prognoses en kan daar
enigszins van afwijken. Van de informatie uit deze nota die betrekking heeft op het
Rijnstroomgebied is voor dit hoofdstuk uitgebreid gebruik gemaakt [Coppoolse en
Kersten, 1992].
Voor het beleidskader van de actieprogramma's (RAP/NAP), achtergrondinformatie
met betrekking tot de uitgangssituatie van v6<3r 1985, onderzoeksmethodiek en de van
belang zijnde ontwikkelingen en maatregelen wordt naar genoemde nota verwezen. In
dit hoofdstuk wordt alleen ingegaan op de voortgang en prognoses met betrekking tot
de lozingen in het Nederlandse Rijnstroomgebied.
Gerealiseerd moet worden dat in het navolgende uitsluitend wordt gesproken over de
lozingen in het Nederlandse Rijnstroomgebied. De vracht die Nederland via de Rijn
vanuit het buitenland bereikt staat daar los van. In bepaalde gevallen kan die echter
groot zijn ten opzichte van de totale lozingen in Nederland. Zo wordt in het Nederlandse Rijnstroomgebied ongeveer 13 kton fosfaat per jaar geloosd hetgeen evenveel is
als de Rijnvracht bij Lobith in 1991. In bijlage 3 is het cijfermateriaal van de lozingen
en reducties opgenomen.
6.2
Nutrienten.
Fosfaat
De industriele lozingen zijn grotendeels ( > 90%) afkomstig van twee kunstmestbedrijven in Rotterdam. In 1989-1991 zijn de eerste saneringen gerealiseerd.
Op de zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk afvalwater (rwzi's) lozen ook bedrijven,
55
voornamelijk uit de voedings- en genotmiddelenindustrie. Dit veroorzaakt ongeveer
30% van de fosfaatbelasting op rwzi's. Door ondermeer de opkomst van de fosfaatloze
wasmiddelen is de fosfaatbelasting op rwzi's met ongeveer 30% gedaald.
Van de diffuse bronnen is de landbouw de grootste. De uitspoeling van mest zal ook
niet snel afnemen omdat via nalevering en doorslaan van verzadigde gronden nog
jaren lang fosfaat vrij zal komen.
Tussen 1985 en 1990 is een reductie van 15% gerealiserd. De reductiedoelstelling voor
1995 (50%) lijkt voor fosfaat gerealiseerd te gaan worden. Dit komt voor een groot
deel door de te verwachten maatregelen bij de twee kunstmestbedrijven.
Stikstof
50000
Stikstof komt in het afvalwater van vrijwel
ieder bedrijf voor. Tussen 1985 en 1990 is een
;lndus01aj
reductie van 50% gerealiseerd voor de indus| kommunaal
Idtftuus
triele bedrijven. De industriele bijdrage van
stikstof is overigens relatief klein ten opzichte
van de bijdrages vanuit het communale afvalwater en vooral de diffuse bronnen (landbouw).
22.
totaal stikstol
losfaat (PQ4-P)
De lozing van stikstof uit rwzi's zal door uitbreiding en verbetering van riolering en zuive- Figuur 6.1: Nutrientenbelasting Neringscapaciteit nog verminderen. Overigens is
derlandse Rijnstroomgebied.
15% van deze stikstof afkomstig van bedrijven.
Veruit de grootste bron van stikstof zijn de diffuse bronnen waarvan de landbouw de
belangrijkste is. De huidige voorgestelde maatregelen (verzuringsbeleid) voorzien een
reductie van ten hoogste 40% voor de periode 1995-2000.
In 1990 was nog geen resultaat geboekt en voor 1995 wordt 20% verwacht. Het probleem wordt voornamelijk veroorzaakt door de landbouw (figuur 6.1)
6.3
Zware metalen.
Kwik
In de jaren 70 zijn de lozingen van kwik vergaand gesaneerd. In het Rijnstroomgebied
komt kwik nog vrij bij een beperkt aantal grote bedrijven. Het kwik zit in de grondstoffen van deze bedrijven en lozing is daarom moeilijk te voorkomen. Er vindt
onderzoek plaats naar mogelijkheden om de grootste lozing verder te saneren.
Voor de lozingen vanuit rwzi's zijn vooral de tandartspraktijken van belang. In februari
1991 is een convenant afgesloten tussen de overheid en de tandartsen waarin wordt
afgesproken dat amalgaan-afscheiders (95% reductie) zullen worden toegepast.
Inmiddels is ± 90% van de praktijken hiermee uitgerust.
Atmosferische belasting vanuit verbrandingsinstallaties was de belangrijkste diffuse
bron. Rookgasreiniging zal dit, voor het Nederlandse aandeel althans, reduceren.
In 1990 was een reductie van 15% gerealiseerd. Voor 1995 wordt een reductie 45%
verwacht hetgeen gezien de sterke reducties voor 1985 nog altijd fors is (figuur 6.2).
56
Cadmium
De industrie is de belangrijkste bron van cadmium. Het wordt vooral geloosd via het
afvalgips van kunstmestfabrieken. Door het gebruik van cadmium-arm fosfaaterts is
deze lozing al terug gebracht van 14,4 ton in 1985 tot 3,2 ton in 1990. Een verdere
sanering tot 1,2 ton wordt in 1994 verwacht. Bij Hydro Agri Rotterdam is in 1992 al de
eerste stap gezet.
De communale lozing van cadmium is enigszins verminderd door het gebruik van
fosfaatvrije wasmiddelen die geen cadmiumverontreiniging bevatten. Ook het toenemend gebruik van cadmiumvrij geproduceerd zink reduceert de communale lozing.
Via het gebruik van fosfaatkunstmest draagt de landbouw bij aan de diffuse verontreiniging. Atmosferische depositie, vooral door buitenlandse emissies is ook een bron.
De reductie van 50% (en zelfs de 70% van het NAP) is in 1990 al ruim gerealiseerd,
vooral door de saneringen van de lozingen van de kunstmestbedrijven.
Lood
In 1990 was de industriele lozing al van 17 naar 11 ton teruggebracht. Voor 1995
wordt nog 7 ton verwacht; een totale reductie van bijna 60%.
De huishoudelijke lozing van lood wordt vooral veroorzaakt door de corrosie van
bladlood in kozijnen en dakgoten. Een reductie hiervan wordt niet verwacht, eerder
een toename.
Door het gebruik van loodvrije benzine zal de atmosferische belasting, de belangrijkste
diffuse bron sterk verminderen. Vislood en loodhagel dragen ook flink bij aan de
loodverontreiniging. Vanaf 1 februari 1993 is loodhagel verboden.
Door de nieuwe inzichten met betrekking tot de belasting via vislood en loodhagel en
via bladlood uit de bouw moesten de reductiepercentages worden herzien. In 1990 was
30% reductie gerealiseerd terwijl voor 1995 40% wordt verwacht.
200
| Industrie
| kommunaal
I diffuus
,150
•r3
&
100
fa
50
JUL
kwik
cadmium
, ""
cfwoom koper nikkel
arseen
zink
Y//X
lood
Figuur 6.3: Belasting overige metalen in
het Nederlandse Rijnstroomgebied.
Figuur 6.2: Belasting kwik, cadmium en
arseen in het Nederl. Rijnstroomgebied.
Overige zware metalen
Voor de overige zware metalen zijn al veel maatregelen genomen of worden de komende jaren nog voorzien (figuur 6.2 en 6.3).
Vermindering van de belasting met metalen via de communale lozingen wordt
verwacht via de vermindering van industriele belasting (chroom en nikkel). Corrosie
van waterleidingen is de belangrijkste bron van koper. Hierin is groei te verwachten.
Via centrale deelontharding kan deze groei wellicht worden getemperd. Zink is vooral
57
afkomstig van corrosie van verzinkt staal. De lozingen van allerlei consumentenproducten via de riolering is ook een belangrijke bron van metalen.
Diffuus is vooral koper uit aangroeiwerende scheepscoatings een probleem.
Voor deze zware metalen zijn/worden reductiepercentages gehaald en verwacht (19901995) van 10-25% (koper), 30-40% (zink), 15-45% (nikkel), 75-75% (chroom) en 8080% (arseen).
6.4
Organische halogeenverbindingen.
PCB
PCB zijn in het Rijnstroomgebied bij bedrijven slechts sporadisch aangetoond.Ook de
communale lozingen zijn beperkt en zullen
door uitbreiding en verbetering van de
installaties nog verder afnemen.
De belangrijkste bron zijn de diffuse lozingen. Hierbij is vooral de atmosferische
depositie van belang. Door de uitbanning
van deze zeer schadelijke stoffen is een
reductie te verwachten. De bestaande belasting is een naijl-effect.
In 1990 was nog geen reductie gehaald
maar voor 1995 wordt een reductie van
45% verwacht (figuur 6.4).
0.05
Industrie
0.04
•
r°.o3
kommunaal
Hill diffuus
S 0.02 •
0.01
0
PCB's
Figuur 6.4: PCB-belasting Nederlandse
Rijnstroomgebied.
Dioxinen
De bestaande industriele lozingen zijn relatief gering ten opzichte van de diffuse
lozingen. Ook de communale lozingen zijn gering en vooral afkomstig van ongezuiverde lozingen. Door uitbreiding en verbetering van de zuivering zal deze bron verder
worden gereduceerd.
Veruit het belangrijkst zijn de atmosferische deposities. Door maatregelen bij verbrandingsovens zijn de emissies hieruit en daarmee de atmosferische depositie verminderd.
Deze vermindering wordt verwacht door te zetten als gevolg van de Richtlijn Verbranden 1989.
In 1990 was al 30% reductie gerealiseerd terwijl voor 1995 een reductie van 60% voor
het Rijnstroomgebied wordt verwacht.
Overige organische halogeenverbindingen
Hoewel het hier een veelgebruikte groep verbindingen betreft worden door het
vluchtige karakter ervan over het algemeen kleine hoeveelheden gemeten. De
chloortoluenen, hexachloorbutadieen, chlooraniline en chloornitrobenzenen worden
zelfs nergens in aantoonbare hoeveelheden gevonden. Feitelijk worden alleen chloroform, trichlooretheen, tetrachlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, EOX (groepparameter)
en vooral 1,2-dichloorethaan, in duidelijke hoeveelheden gemeten.
De sanering van de lozing van vooral 1,2-dichloorethaan bij een chemiebedrijf in de
Botlek is veruit de belangrijkste reductie van de lozingen van deze stoffen.
58
De stoffen 1,1,1-trichloorethaan, trichlooretheen en tetrachlooretheen worden als
ontvetter, vlekkenmiddel en oplosmiddel veelvuldig gebruikt in huishoudens. Maar ook
vanuit de industrie vinden veel lozingen op de rioleringen plaats. De stoffen vervluchtigen echter grotendeels bij de rioolwaterzuivering zodat lozingen vanuit communale
installaties vrijwel niet plaatsvinden.
De atmosferische depositie is dan ook de belangrijkste diffuse bron. Hierbij is
overigens 70-80% van buitenlandse afkomst. De reductie is dan ook voornamelijk van
de buurlanden afhankelijk.
Voor de 13 overige prioritaire organische halogeenverbindingen worden over het
algemeen flinke reductiepercentages verwacht in 1995, boven de 50%. Alleen voor
1,1,1-trichloorethaan wordt 35% reductie verwacht. Deze stof komt echter vrijwel
uitsluitend via diffuse bronnen in het oppervlaktewater.
6.5
Bestrijdingsmiddelen.
Van de 18 prioritaire bestrijdingsmiddelen werden in 1985 vrijwel alleen de drins in
het Nederlandse Rijnstroomgebied geproduceerd. Shell Nederland BV heeft de
productie van drins (aldrin, dieldrin en endrin) in 1991 definitief gestopt. Daarmee is,
afgezien van enige nalevering vanuit de riolering, de industriele lozing van drins in
Nederland beeindigd. Behalve enkele formuleerbedrijven met relatief beperkte
lozingen zijn er geen andere industriele lozingen van de genoemde bestrijdingsmiddelen. Wel worden er vanuit een aantal scheepswerven organotin-verbindingen geloosd.
Door interne maatregelen en restricties aan het gebruik zullen deze emissies worden
teruggebracht.
Door huishoudens worden deze bestrijdingsmiddelen niet of nauwelijks geloosd. Alleen
pentachloorfenol en lindaan komen in meetbare hoeveelheden voor.
Het overgrote deel van de bestrijdingsmiddelen (95%) komt diffuus in het oppervlaktewater terecht en wel vanuit de landbouw. De belasting begint op de kleine sloten,
vaarten en kanaaltjes in het binnenland. De belasting van het oppervlaktewater met
bestrijdingsmiddelen zal worden verminderd met maatregelen zoals voorgenomen in
het Meerjarenprogramma Gewasbescherming.
Van de 18 prioritaire bestrijdingsmiddelen
worden er 6 niet in Nederland toegelaten
of niet gebruikt (azinfos-ethyl, DDT, drins,
2.5endosulfan, fenthion, parathionmethyl).
I«
Hiervan worden dan ook in 1990 al hoge
In
reductiepercentages gehaald of geven de
I
meetresultaten te weinig houvast. Ook voor
1
0.5azinfos-methyl, parathion-ethyl, malathion
en simazin worden voor 1995 ruime verlabentazon
atrazine
gingen verwacht.
Lindaan en pentachloorfenol zijn in 1990
Figuur 6.5: Belasting met atrazine en
5-10% verlaagd en verwacht wordt dat dit
bentazon van het Nederlandse Rijnin 1995 tot 45% zal zijn opgelopen. Voor
stroomgebied.
pentachloorfenol is nalevering vanuit geimpregneerd hout een belangrijke bron.
Voor de overige 6 bestrijdingsmiddelen zijn de resultaten in 1990 minder goed en
59
wordt ook voor 1995 geen sterke verbetering verwacht. Voor dichloorvos (35%
reductie), fenithrotion en trifluralin (toename) moet worden gerealiseerd dat het hier
om zeer kleine hoeveelheden gaat al wordt voor de laatste twee een toename in
gebruik verwacht.
In het Rijnstroomgebied blijft de belasting met organotin-verbindingen nagenoeg
onveranderd. De belasting wordt vrijwel volledig veroorzaakt door de aangroeiwerende
verven van zeeschepen in de Rotterdamse haven.
Voor atrazin en bentazon worden in 1990 nog geen verbeteringen geconstateerd en
ook voor 1995 worden kleine verbeteringen verwacht (figuur 6.5). Voor een verbod op
deze twee stoffen wordt een aanpassing van de bestrijdingsmiddelenwet nood,*akelijk
geacht maar deze wordt niet voor 1995 verwacht.
6.6
Overige organische verbindingen.
Benzeen
Benzeen wordt voornamelijk vanuit de industrie geloosd. Deze lozingen waren in 1990
al met 70% teruggebracht. Door maatregelen bij op- en overslagbedrijven kan dit
wellicht nog oplopen.
De diffuse belasting met benzeen via morsingen zijn vooral afkomstig uit de scheepvaart en de atmosferische depositie.
Minerale olie
Ook de industriele lozingen van olie zijn sterk afgenomen. Dit kan vooral worden
toegeschreven aan maatregelen bij enkele raffinaderijen en op- en overslagbedrijven in
Rotterdam. Verdere maatregelen zullen de totale emissie van olie de komende jaren
nog verder terugbrengen. Door garages en huishoudens wordt nog veel olie op de
riolen geloosd. Garages zullen goed werkende olieafscheiders moeten installeren. De
doe-het-zelvers zijn moeilijker te benaderen. Hier moet vooral gerekend worden op
een stijgend milieu-bewustzijn en goede (gemeentelijke) regelingen voor de inzameling
van klein chemisch afval.
De diffuse belasting met olie is vooral afkomstig van de lozingen van bilge-olie door
de scheepvaart. Betere regelingen voor de inzameling kunnen deze lozingen verminderen. In 1990 was 45% vermindering opgetreden, een kleine toename wordt verwacht.
20
15
^
industrie
•
kommunaal
HIH diffuus
I 10
PArCs (6 van Borneff)
Figuur 6.6: PAK-belasting van het Nederlandse Rijnstroomgebied.
PAK
De industriele lozingen en de lozingen
vanuit communale installaties van PAK zijn
relatief klein. De communale lozingen zijn
voornamelijk afkomstig van huishoudens en
verkeer. Deze lozingen zullen slechts enigszins verminderen door uitbreiding van riolering en zuiveringscapaciteit.
Het overgrote deel van de belasting met
PAK is afkomstig van de scheepvaart (uitloging van scheepsteer), atmosferische depositie (verkeer) en uitloging van gecreosoteerde oeverbeschoeiingen.
60
Deze laatste toepassing is beperkt maar de nalevering zal nog jaren duren. Voor de
toepassing van steenkoolteer is een verbod voorgenomen voor 1994 maar ook hier
zullen de effecten nog enige jaren op zich laten wachten (figuur 6.6).
Momenteel wordt een kleine toename verwacht. Het verbod op scheepsteer zal dit
echter te zijner tijd sterk kunnen veranderen (tot 80% reductie).
6.7
Conclusies emissiereductie.
Voor fosfaat is in 1990 al 15% gereduceerd in de lozingen terwijl voor 1995 50%
gerealiseerd verwacht wordt. Dit komt voor een groot deel door de te verwachten
maatregelen bij de twee kunstmestbedrijven. De reductie van stikstof blijft, voornamelijk door de landbouw-emissies, steken op 20% voor 1995.
Voor kwik is een vermindering met 15% gerealiseerd en wordt 45% verwacht voor
1995 hetgeen gezien de sterke reducties vddr 1985 fors is. De cadmiumlozingen zijn in
1990 al sterk verminderd (75%). Voor 1995 wordt een vermindering van 85%
verwacht. Voor lood wordt, gezien de belasting via vislood, loodhagel en lood uit de
bouw slechts een totaalreductie van 40% verwacht. In 1990 is al 30% gerealiseerd.
Voor chroom en arseen zijn in 1990 al sterke reducties gerealiseerd (>75%). Voor
nikkel en zink worden reducties van 40-45% verwacht in 1995. De reductie van koper
blijft ver achter door onder andere de uitloging van koperen waterleidingen.
Voor PCB wordt een reductie van 45% verwacht voor 1995 terwijl voor dioxines in
1990 al 30% reductie was gehaald en voor 1995 60% wordt verwacht.
De 13 overige prioritaire organische halogeenverbindingen kennen over het algemeen
reductiepercentages boven de 50% in 1995. Voor 1,1,1-trichloorethaan wordt 35%
reductie verwacht. De oorzaak ligt hiervan voornamelijk bij de atmosferische belasting
vanuit het buitenland.
Voor de meeste van de 18 prioritaire bestrijdingsmiddelen worden ruime verminderingen gehaald of ontbreken afdoende meetgegevens.
Voor lindaan en pentachloorfenol wordt 45% reductie verwacht in 1995. Voor
pentachloorfenol is nalevering vanuit gei'mpregneerd hout een belangrijke bron.
Voor dichloorvos, fenithrotion en trifluralin worden lagere reducties verwacht. Datzelfde geldt voor de veelgebruikte middelen atrazin en bentazon.
De belasting met organotin-verbindingen blijft nagenoeg onveranderd en wordt vrijwel
volledig veroorzaakt door de aangroeiwerende verven van zeeschepen in Rotterdam.
Vooral door industriele reducties zijn voor benzeen ruime verminderingen gerealiseerd. Ook voor olie zijn sterke verbeteringen geregistreerd.
Momenteel wordt voor de PAK een toename verwacht. Een verbod op scheepsteer zal
dit echter ter zijner tijd sterk kunnen verbeteren.
61
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
18
19
20
21
22
Alver.
Aziatische mossel (Corbicula fluminea) op ware grootte.
Ooievaar.
Kikker.
Rivierfonteinkruid (Potamogeton nodosus).
62
7.
Flora en fauna
Gezond oppervlaktewater bevat veel meer leven dan op het eerste gezicht te zien is.
Zichtbaar zijn de drijvende en boven water uitstekende planten, watervogels en
kikkers. Vissen, kikkerlarven en salamanders zijn ook nog wel te zien. Moeilijker
wordt het met slakken, bloedzuigers, insektelarven, waterspinnen en watervlooien. En
de echt kleine organismen zoals eencellige algensoorten, eencellige diertjes en
raderdiertjes ziet men alleen met een microscoop.
Al deze organismen spelen met elkaar samenhangende rollen in het aquatische ecosysteem. Ze vormen levensgemeenschappen waarin zich evenwichten hebben ingesteld
tussen de verschillende soorten. Een verstoring van een levensgemeenschap kan zich
uiten door enerzijds het verdwijnen van soorten of anderzijds door een explosieve
toename van e£n of meerdere soorten.
Een belangrijke randvoorwaarde voor het voorkomen van planten en dieren is het
voorhanden zijn van een natuurlijke habitat (bijvoorbeeld zand- of slibbodems, harde
voorwerpen of plaatsen waar erosie of juist sedimentatie optreedt). Behalve deze
factoren speelt ook de temperatuur een belangrijke rol. De zonatie van levensgemeenschappen in een rivierstelsel wordt mede door de temperatuur bepaald. De Rijn
is, afhankelijk van de afvoer, ongeveer 2°Cverhoogd ten opzichte van de natuurlijke
temperatuur. Verder zijn de kwaliteitsparameters zoals het zuurstofgehalte, nutrienten
en zouten van groot belang.
7.1
Invloed verontreiniging.
Effecten van waterverontreiniging en vervuilde waterbodems op flora en fauna zijn
nog relatief weinig onderzocht. Duidelijk is wel dat de vervuiling sterk heeft bijgedragen aan de achteruitgang van de diversiteit. Dit is bijvoorbeeld aangetoond in een
onderzoek waarbij op lokaties waar de rivierbodem verontreinigd was, hoge percentages muggelarven werden gevonden met vergroeiingen van de monddelen [van Urk,
1988]. Een ander voorbeeld zijn de hoge cadmiumgehalten in de 70-er jaren die in
verband worden gebracht met het verdwijnen van de driehoeksmossel. Sinds het dalen
van het cadmiumgehalte is de mossel teruggekeerd. Geregeld is onderzoek verricht
aan het slechte broedsucces van aalscholvers. Het relatief slechte resultaat van
kolonies langs rivieren wordt aan de verontreiniging gewijd. Uit onderzoek aan eieren
van steenuilen, die in de uiterwaarden foerageerden, bleek dat deze verhoogde gehalten aan hexachloorbenzeen en PCB bevatten [Duel, 1991]. Niet alleen de chronische
verontreiniging maar ook blootstelling aan korte maar sterke verontreiniging kan het
soortenaantal snel doen afnemen zoals bij het Sandoz-ongeval is gebleken [Duel,
1991]. Voor planten geldt in grote lijnen hetzelfde. Water- en oeverplanten kennen
een negatieve correlatie met saliniteit, nutrienten en turbiditeit. Hierdoor is het aantal
soorten afgelopen 30-40 jaar sterk afgenomen [Maenen, 1989].
De verontreiniging heeft een sterke invloed op het voorkomen en de verspreiding van
flora en fauna. Onderzoek naar verbanden tussen verontreiniging en het voorkomen
van dier- of plantensoort is moeilijk doordat in het rivierwater een complex mengsel
van stoffen aanwezig is die elkaars werking kunnen versterken of verminderen terwijl
ook de invloed van fysische en omgevingsfactoren moeilijk in te schatten is.
63
7.2
Fytoplankton.
Fytoplankton (algen) is in de Rijn de belangrijkste primaire producent. De gehalten
aan fytoplankton kunnen in (semi-)stagnante wateren, zoals de Neder-Rijn bij gesloten
stuwen, oplopen. Het in de benedenloop aanwezige fytoplankton is vermoedelijk
ontstaan in de Zwitserse meren en de Duitse, gestuwde zijrivieren.
Voor de ontwikkeling van het fytoplankton zijn de gehalten aan fosfaat, stikstof en
silicaat (voor de diatomeeen) alsmede de hoeveelheid licht die in het water kan
doordringen en de watertemperatuur van belang. De stikstof- en fosfaatconcentraties
zijn ver boven de natuurlijke waarden gestegen. Silicaat komt voornamelijk door
natuurlijke (erosie-)processen vrij.
Uit onderzoek is gebleken dat er een overmaat aan stikstofverbindingen is waardoor
stikstof geen groeilimiterende factor is voor de groei van fytoplankton. Ondanks de
verminderde fosfaatbelasting kunnen bij de huidige concentraties nog relatief hoge
fytoplanktondichtheden voorkomen. In dergelijke situaties treedt er silicaatlimitatie op
en verschuift de soortensamenstelling van diatomeeen naar groenwieren [van Dijk,
Tubbing & Schaap, 1993].
Het fytoplankton in de Rijn bij Lobith bestaat voornamelijk uit diatomeeen en
groenwieren. In het algemeen domineren de diatomeeen. Naarmate de Rijn verder
richting Noordzee stroomt neemt het silicaatgehalte af waardoor het aandeel groenalgen toeneemt. In (semi-)stagnante wateren kan het voedselrijke maar silicaatarme
Rijnwater de kans op een algenbloei van groen- of eventueel blauwalgen verhogen.
Ook de regelmatig voorkomende bloei van dinoflagellaten in de Nederlandse kustwateren kan samenhangen met de kwaliteit van het Rijnwater [van Dijk, Tubbing &
Schaap, 1993]. De blauwwier Microcistus sp. komt in het Usselmeer veelvuldig voor.
Ten opzichte van de natuurlijke situatie zijn de concentraties aan fytoplankton
momenteel verhoogd. Het fosfaatgehalte zal verder teruggebracht moeten worden om
hier verandering in te brengen. De gehalten aan stikstof zijn nog verder verwijderd van
de limiterende niveau's [van Dijk, Tubbing & Schaap, 1993].
Diatomeeen
Asterionella formosa,
Melosira sp.
Groenwieren
Actinastrum hantz-schii
Dictyosphaerium sp.
Blauwwieren
Oseillatoria sp.
Cyclotella meneghiniana
Nitzschia sp.
Diatoma sp.
Stephanodiscus
Ankistrodesmus sp.
Scenedesmus sp.
Coelastrum microporum
Tabel 7.1: Frequent voorkomende fytoplankton soorten
7.3
hantzschii.
in de Rijn [Duel, 1991].
Macrofyten/ waterplanten.
Waterstandsfluctuaties en -stroming en verminderd doorzicht zijn voor de vestiging van
de meeste waterplanten belangrijke factoren. Sterke waterstandsfluctuaties gaan de
vestiging van planten tegen. In de gestuwde Neder-Rijn is de waterstand vrij constant.
64
Hierdoor komen bij Driel al waterplanten voor in het zomerbed. In de Waal en IJssel
worden ze pas verder benedenstrooms aangetroffen.
Ook de waterkwaliteit en dan vooral de saliniteit is een sterk beperkende factor. Van
waterplanten is bekend dat ze een negatieve correlatie hebben met saliniteit, alkaliniteit, fosfaat en turbiditeit. Ook oeverplanten correleren negatief met saliniteit, alkaliniteit, ammonium en nitraat. Deze gevoeligheid is vermoedelijk de oorzaak van de
sterke teruggang van het aantal voorkomende soorten in de afgelopen 30-40 jaar. Uit
onderzoeken die in 1954 en 1988 zijn uitgevoerd in strangen blijkt een sterke teruggang in het aantal plantensoorten [Maenen, 1989]. Verdwenen zijn ondermeer
krabbescheer en grote boterbloem [van Dijk & Marteijn, 1993].
Er is verschil in het voorkomen van water- en oeverplanten tussen de verschillende
Rijntakken. De meeste soorten komen voor in de IJssel, de minste in de Waal. Verder
zijn de oude armen en strangen rijker aan soorten dan de klei- en zandwinputten en
deze op hun beurt zijn weer rijker dan de rivier zelf [Maenen, 1989].
In de snel stromende bovenloop komen relatief weinig hogere planten voor. Toch zijn
een aantal planten te vinden zoals het algemeen voorkomende schedefonteinkruid,
gele plomp, witte waterlelie en watergentiaan. Deze planten zijn goed aangepast aan
sterke, plotselingen schommelingen van de waterstand en hebben door hun grote
drijfbladeren geen hinder van troebel water. Vooral in de benedenloop zijn ook
andere soorten aanwezig zoals gedoornd hoornblad en het rivierfonteinkruid. Maar
ook de oeverplanten gele lis, waterkers, kattestaart en het harig wilgeroosje.
Daar waar de stenen langs de oevers of kribben bedolven raken met zand en slib
ontstaan ruigtes met planten als tandzaad, muurpeper en koninginnekruid.
Oeverplanten worden in de Waal-bovenloop wel gevonden zoals rietgras, biezen,
wilgen, zwarte populier en pioniers op de kribvakoevers.
Verder benedenstrooms is op de Lek en de Waal/Merwede de getijdeninvloed merkbaar hetgeen van invloed is op de plantensamenstelling (driekantige bies).
Op kleine zand- en slibverhogingen die door aanspoeling- en erosieprocessen wisselend voorkomen komen pionierplanten voor zoals slijkgroen en ganzevoet.
De stenen van kribben en oeverbestortingen geven mogelijkheden voor de vestiging
van mossen en draadalgen. Specifiek voor de rivieren zijn hierbij Fissidens crassipes,
Cinclidotus riparius,Cinclidotus fontinaloides en vooral Leptodictyum riparium.
Mogelijkheden voor restauratie van de voormalige soortenrijkdom (van voor 1950)
moeten worden gezocht in de beperking van de verontreiniging (saliniteit, nutrienten)
en de waterstandsfluctuaties. De plannen voor natuurontwikkeling in de uiterwaarden
bieden hierbij veel mogelijkheden (zie ook hoofdstuk 8).
7.4
Zooplankton, macro-evertebraten.
In het algemeen wordt de soortenrijkdom aan ongewervelde dieren in het zomer- en
winterbed van een rivier bepaald door het aantal aanwezige habitats en door de
fysisch-chemische kwaliteit van het rivierwater en van de waterbodem. Zoals hierboven
al gememoreerd is de diversiteit aan habitats sterk afgenomen en de waterkwaliteit
verslechterd. Dit heeft zijn weerslag gehad op de voorkomende soorten. De inmiddels
weer verbeterde waterkwaliteit moet ook terug te vinden zijn in de soortenrijkdom.
65
Sinds 1975 is in de IJssel de levensgemeenschap van ongewervelde dieren op stenen in
de oeverzone onderzocht. Hierbij bleek tussen 1975 en 1981 een duidelijke toename
van de dichtheden (dieren per oppervlakte-eenheid) van de belangrijkste taxa.
Voor enkele soorten kan worden aangetoond dat rekolonisatie en/of dichtheidstoename samenhangt met een verbetering van de waterkwaliteit. Zo lijkt de afname van het
gehalte aan cholinesteraseremmende stoffen een positieve invloed te hebben gehad op
het voorkomen van insektenlarven. De toename van het zuurstofgehalte heeft er mede
toe bijgedragen dat rond 1978 ook weer kokerjuffers (voornamelijk Hydropsyche
contubernalis en Ecnomus tenellus) in de rivier werden aangetroffen. Dichtheidsverschillen in de periode na 1983 kunnen worden toegeschreven aan natuurlijke schommelingen, o.a. veroorzaakt door afvoerfluctuaties. Ook een ernstige calamiteit als het
Sandoz-ongeval (november 1986), waarbij grote hoeveelheden schadelijke stoffen met
bluswater in de Rijn terecht kwamen, heeft invloed gehad. In de twee jaren na het
ongeval was (1987, 1988) de dichtheid van de ongewervelde dieren beduidend lager
dan daarvoor en daarna [Bij de Vaate & Greijdanus, 1993].
Ten opzichte van de situatie rond het begin van deze eeuw is het gemiddelde chloridegehalte met ongeveer een factor 15 en de gemiddelde watertemperatuur met ongeveer
2°C toegenomen. Hierdoor zijn betere kansen geschapen voor zouttolerante en
zoutminnende alsmede warmteminnende soorten. Bovendien is van de warmteminnende soorten de overlevingskans in de wintermaanden sterk toegenomen. Veel van deze
soorten zijn afkomstig uit brakke milieu's en uit zuidelijker streken. Dus veelal soorten
die van oorsprong niet in de Rijn thuis horen. Het zijn de zogenaamde immigranten of
exoten. Deze immigranten zijn in het voordeel ten opzichte van (potentiele) autochtone soorten die in het algemeen minder tolerant zijn voor hogere watertemperaturen
en/of zoutgehalte en daardoor in hun ontwikkeling geremd worden.
Dit wordt bij het onderzoek in de IJssel dan ook teruggevonden. In de onderzoeksperiode namen zowel de dichtheid als de soortenrijkdom van de ongewervelde dieren op
de stenen toe. De toename in soortenrijkdom komt voor het belangrijkste deel door
de terugkeer van oorspronkelijke bewoners al is een groot deel van deze oorspronkelijke bewoners nog steeds afwezig. Een kleine bijdrage aan de soortenrijkdom wordt
geleverd door immigranten. Een aantal hiervan is echter wel in naar verhouding
groten getale in de Rijn aanwezig en domineert de levensgemeenschap.
In tabel 7.2 zijn de dominante ( > 25%) en subdominante taxa ( > lOen <25%) in de
periode 1975-1990 weergegeven. Tot 1980 bleek de Zoetwaterpissebed (Asellus
aquaticus) de belangrijkste soort te zijn binnen de levensgemeenschap van de ongewervelde dieren op de stenen. In de eerste helft van de tachtiger jaren was dat de
groep van de dansmuggelarven met de geslachten Cricotopus en Dicrotendipes als
belangrijkste vertegenwoordigers. De Tijgervlokreeft (Gammarus tigrinus), d\e. in 1987
en 1988 dominant was, is een immigrant. In 1964 werd de soort voor het eerst in
Nederland aangetroffen; vanaf 1982 worden ze ook in de IJssel waargenomen. Zowel
in 1987 als in 1988 werden in de IJssel gemiddelde dichtheden aangetroffen van 2000
tot 3000 exemplaren per m2 besteend oeveroppervlak. In 1990 was Corophium curvispinum (een slijkgarnaal) een nieuwe (sub-)dominante soort. Deze soort, eveneens een
immigrant, werd pas in 1987 voor het eerst in het Nederlandse deel van de Rijn, in de
omgeving van Tolkamer en Nijmegen, aangetroffen [Bij de Vaate & Greijdanus, 1993].
Na 1990 is het aantal aangetroffen soorten ongewervelde dieren in de Rijn en de
66
Rijntakken verder toegenomen. Zo is in 1991 de eendagsvlieg Ephoron virgo teruggekeerd. In 1992 is op stenen in de oeverzone de vlokreeft Echinogammarus ischnus voor
het eerst in Nederland aangetroffen. Dit is een nieuwe immigrant uit het PontoKaspische gebied 1990 [Bij de Vaate & Greijdanus, 1993].
Taxon
75
Bloedzuigers
(Hirudinea)
**
Zoetwaterpissebed
(Asellus aqualicus)
Dansmuggelarven
(Chironomidae)
Driehoeksmossel 1
*
(Dreissena
polymorpha)
Tijgervlokreeft 1
(Gammarus
tigrinus)
Kaspische slijkgarnaal 1
(Corophium
curvispinum)
Tabel 7.2:
76
77
78
**
**
**
*
**
79
80
81
82
83
87
88
**
**
**
**
**
**
**
89
**
*
De dominante (**) en subdominante macrofaunataxa (*) in de IJssel in
1975-1990 (' = immigrant) [Bij de Vaate & Greijdanus, 1993].
In oktober 1990 zijn op verschillende locaties in de Rijn en alle Rijntakken de habitats
"stenen in de oeverzone" en "bodem diepste deel van de rivier" onderzocht op het
voorkomen van ongewervelde dieren. Hierbij blijkt dat > 85% van de totale levensgemeenschap in beide habitats bestaat uit een betrekkelijk gering aantal taxa. In de
beide habitats waren vooral de immigrante soorten relatief sterk vertegenwoordigd.
Zo bereikte de Kaspische slijkgarnaal (C. curvispinum) op een aantal locaties naar
verhouding zeer hoge dichtheden. Deze slijkgarnaal is een geduchte plaatsconcurrent
van andere steenbewonende organismen.
Sinds 1988 wordt in de rivierbodem twee soorten korfmosselen aangetroffen: de
grofgeribelde Corbicula c.f.fluminea en de toegeknepen vorm Corbicula c.f.fluminalis
[Bij de Vaate & Greijdanus-Klaas, 1990]. Beide soorten zijn nieuw voor de Nederlandse fauna. Thans wordt bovenstrooms in de Rijntakken en in de Rijn voornamelijk
C.fluminalis aangetroffen en benedenstrooms (Oude Maas, Lek) voornamelijk de
brakwater tolerante C. fluminea die daar in relatief hoge dichtheden in de bodem
voorkomt.
Het verdere herstel van de rivierfauna is afhankelijk van een verdere terugdringing
van de verontreiniging en het ontwikkelen van meer natuurlijke habitats.
Nieuwe soorten ongewervelde dieren die in de nabije toekomst het Nederlandse deel
van de Rijn zullen (re-)koloniseren kunnen ten dele worden afgeleid uit gegevens van
het Duitse deel van de Rijn, met name het traject direct bovenstrooms van Lobith.
Van de oorspronkelijke soorten kunnen de zoetwaterslak Theodoxus fluviatilis, de
eendagsvlieg Heptagenia coerulans en de wants Aphelocheirus aestivalis weer verwacht
worden. Ook zal het aantal immigranten verder toenemen. Wat dat betreft zijn nieuwe
kansen geschapen met het gereedkomen van het Rijn-Main-Donaukanaal.
67
90
Vissen.
7.5
Van oudsher horen ook soorten als zalm, steur, elft, fint en houting in de Rijn thuis.
Door de verslechterde waterkwaliteit, het verdwijnen van geschikte habitats en
trekmogelijkheden, verdwenen ze echter. Tegenwoordig wordt weer sporadisch een
zalm gevangen maar meestal betreft dit jonge uitgezette dieren. Momenteel zijn de
weinig eisen stellende vissoorten het meest algemeen. De nu voorkomende vissoorten
en de ontwikkelingen daarin zijn weergegeven in tabel 7.3 [Berger, 1991].
Hieruit blijkt dat vrijwel alle soorten die in de Rijn kunnen voorkomen ook worden
aangetroffen. Maar de meer kritische soorten komen voorlopig nog slechts in kleine
aantallen voor. Wel is al een verschuiving te zien waarbij de massale dominantie van
de karperachtigen minder wordt.
VOORKOMEN
Karperachtigen:
Baarsachtigen:
Palingachtigen:
Prikken:
Haringen:
Zal men:
Spieringen:
Hondsvissen:
Snoeken:
Modderkmipers:
Meervallen:
Kabeljauwen
Stekelbaarzen:
Donderpadden:
Schollen:
barbeel
blankvoom
alver
bittervoorn
brasem
chin.graskarper
blauvvneus
giebel
kolblei
kopvoom
kroeskarper
karper
netvoorn
riviergrondel
serpeling
sneep
winde
zeelt
zilverkarper
baars
pos
snoekbaars
paling
zeeprik
rivierprik
elft
tint
grote marenc
regenboogforel
zeeforel
spienng
amerikaanse hondsvis
snoek
bermpje
grote modderk.
kleine modderkniiper
meerval
bruine meerval
kwabaal
tiendoornige stekelbaars
dried oornige St.
rivierdonderpad
hot
VERLOOP
(%)
1970
1981
1987
Karperachtigen
Baarsachtigen
Palingachtigen
Overigen
95
0,2
4,5
0,3
56.8
37,1
4.4
1.7
64,4
24,3
7,8
3,5
Tabel 7.3: Voorkomen en ontwikkeling vissoorten Rijn [Berger, 1991].
Door verbetering van de inrichting van de rivier waarbij plantenrijke wateren,
grindbanken, langzaam stromend water en andere biotopen worden gecreeerd (zie ook
hoofdstuk 8) zouden de momenteel zeldzame soorten zich uitbreiden.
os
7.6
Amfibieen en zoogdieren.
De uiterwaarden zijn voor de amfibieen vooral van belang als voortplantingsbiotoop.
Algemeen voorkomende amfibieen zijn de watersalamander, de gewone en de
rugstreeppad, de bruine en de groene kikker. De kamsalamander is zeldzamer maar
komt in het rivierengebied voor. Langs de Ussel wordt op zandige plaatsen sporadisch
de knoflooksalamander aangetroffen. De heikikker wordt vrijwel uitsluitend in de
uiterwaarden van de Neder-Rijn/Lek gevonden. Deze uiterwaarden zijn toch relatief
rijk aan amfibieen, vooral door de kleinschaligheid ervan. In het algemeen zijn de
mogelijkheden voor amfibieen in uiterwaarden veel groter dan de huidige situatie
weergeeft. Zo zouden de boomkikker en ringslang veelvuldig moeten voorkomen (in
ooibossen). Voor een verbetering van de situatie is een toename van de morfologische
dynamiek en de ontwikkeling van ooibossen noodzakelijk. Met name (tijdelijke)
poelen zonder vis zijn van belang [Cremers, 1991].
Behalve amfibieen komen ook allerlei zoogdieren voor in de uiterwaarden. Zo worden
veelvuldig reeen gezien en ook de steeds zeldzamer wordende dassen fourageren hier.
Verder zijn er volop aardmuizen en woelratten die een een gewilde prooi zijn voor
roofvogels zoals buizerds en torenvalken. Ook de algemeen voorkomende muskusrat,
egel, konijn en haas komen overal in de uiterwaarden voor. Hierop wordt gejaagd
door de hermelijn, vos, wezel, bunzing en incidenteel een steenmarter. Verder komen
veel soorten vleermuizen in het uiterwaardengebied fourageren.
7.7
Vogels.
De Rijn en Rijntakken herbergen in nationaal en internationaal opzicht belangrijke
populaties broedvogels, trekvogels en overwinteraars. Na Waddenzee, Delta en
Usselmeer is de Rijn en zijn zijrivieren het belangrijkste watervogelgebied in Nederland. Waterkwaliteit, beheer en inrichting van het gebied kunnen grote invloed op de
vogelbevolking hebben.
Broedvogels
Binnen het rivierenlandschap kunnen diverse broedbiotopen onderscheiden worden.
Zand- en grindstrandjes bijvoorbeeld zijn de natuurlijke biotoop van de Kleine Plevier.
Buiten het rivierengebied wordt de soort hoofdzakelijk op opspuitterreinen en bij
afgravingen gevonden.
Een aantal karakteristieke broedvogels van moeras en grasland gaat sterk achteruit.
Het gaat hierbij om soorten welke op natte en extensief beheerde landbouwgronden
voorkomen of om soorten van relatief ongestoorde en aaneengesloten moerassen. Een
sterke intensivering van de landbouw en versnippering van habitat zijn waarschijnlijk
belangrijke oorzaken voor deze teruglopende broedaantallen. Daarnaast kunnen ook
oorzaken in het overwinteringsgebied voor een aantal van deze soorten een rol spelen.
De karakteristieke soorten van grienden en moerasbossen gaan in tegenstelling tot de
voorgaande groep in aantallen vooruit. Verschillende kleine kolonies van de Aalscholver hebben zich gevestigd na de enorme toename van deze soort in de Flevopolders.
Een vogel welke bij ontgrondingen kan worden aangetroffen is de Oeverzwaluw. De
beschikbaarheid van nestgelegenheid (steile kanten) is daarbij een voorwaarde
[Marteijn, 1993].
69
De belangrijkste en meest karakteristieke broedvogels zijn in tabel 7.4 weergegeven. In
de tabel is ook het aandeel aangegeven van de nederlandse broedaantallen welke
langs de Rijn en Rijntakken broeden. Ook is een indicatie gegeven van de aantalsontwikkeling in de periode 1970 - 1992.
Biotoop
Soort
G rind/zandstrand
Kleine Plevier
Visdief
25
1
Dodaars
Roerdomp
Grauwe Gans
Zomertaling
Porseleinhoen
Zwarte Stem
Bruine Kiekendiet
Rietzanger
Grote Karekiet
L5
20
25
5
15
20
Kwartelkoning
Kievit
Watersnip
Grutto
Tureluur
15
5
2
5
1
.
Griend/Moerasbos
Blauwe reiger
Aalscholver
Blauwborst
5
2
3
+
+
+
Ontgrondingen
Oeverzwaluw
10
-
Moeras
Wei- en hooiland
aandeel Rijn/takken
t.o.v. Nederland (%)
Trend
1970-1992
±
±
_
+
-
+
1
20
-
i
-
Tabel 7.4: Broedvogels van Rijn en Rijntakken ingedeeld naar
broedbiotoop [Marteijn, 1993].
Trekvogels en overwinteraars
Behalve broedvogels herbergen de riviergebieden ook grote aantallen overwinteraars
en trekvogels. Van de herbivoren foerageren verschillende soorten ook binnendijks.
Veel ganzen maken met name gebruik van in het rivierenlandschap aanwezige diepere
plassen om er te slapen. De reden voor de in het oostelijk rivierengebied vastgestelde
achteruitgang van Kleine Zwaan, Wintertaling en Wilde Eend is niet geheel duidelijk.
Een mogelijke factor die hier mee te maken kan hebben is de tegenwoordig versnelde
opdroging van de uiterwaarden na inundaties. In respons op de toename in driehoeksmosselen in het riviermilieu zijn ook mosseleters als de Tafeleend en Kuifeend in
aantal vooruit gegaan [Marteijn, 1993].
In tabel 7.5 worden belangrijke watervogelsoorten van de Rijn en Rijntakken genoemd. Ze zijn gerangschikt naar hun voedselkeuze.
Er zijn alleen soorten opgenomen waarvan internationaal belangrijke aantallen gebruik
maken van het gebied. Het kwalificerende minimum aantal wordt in de kolom "norm"
vermeld. Het betreft hier 1 % van de totale populatie (naar Meininger et al. in druk).
70
Bij trend wordt een indicatie gegeven van de aantalsontwikkeling in het oostelijk
rivierengebied voor de periode 1978 - 1989 (naar Vogel 1991).
Voedselkeuze
Soort
1 % van de
tot. populatie
Herbi voren
Knobbelzwaan
Kleine Zwaan
Rietgans
Kolgans
Grauwe Gans
S mi ent
Wintertaling
Wilde Eend
Slobeend
Meerkoet
1800
170
5000
4000
1300
7500
4000
50000
400
15000
Trend
1978-1989
±
-
t
+
+
+
-
±
±
Mosseleters
Tafeleend
Kuifeend
3500
7500
+
+
Viseters
Aalscholver
Nonnetje
Grote Zaagbek
1000
150
1250
-
Terrestrische
evertebraten
Kievit
Grutto
Wulp
20000
2500
3500
•
t
1
±
+
Tabel 7.5: Trekvogels en overwinteraars van Rijn en Rijntakken
ingedeeld naar voedselkeuze [Marteijn, 1993].
71
varqrotirvg at tout la m
v»rijt-otln<j huldlgai • I t u a t l *
I
Natuurontwikkeling Bemmelei waard
Foto
Foto
Foto
Foto
23
24
25
26
Modelsimulatie huidige situatie.
Modelsimulatie met nevengeul.
Oever.
Bosvorming.
72
iwvamjaMil
8.
Natuurontwikkeling
8.1
Algemeen.
Dikwijls wordt de zalm opgevoerd als het symbool voor de verbetering van de rivier.
Een goede waterkwaliteit is voor de levensmogelijkheden hiervan een vereiste. Maar
het is niet genoeg. Ook aan de inrichting van oevers en uiterwaarden worden (hoge)
eisen gesteld. Er zijn begroeide oevers nodig waar vis zich in kan verschuilen. Voor
het paaien zijn grindbeddingen nodig en uiteraard moeten al deze gebieden bereikbaar zijn zodat alle stuwen van vistrappen voorzien moeten zijn. Tenslotte zijn ook de
sluizen in de Afsluitdijk en Haringvliet nog een barriere. Feitelijk geldt voor allerlei
dieren en planten; een verbeterde waterkwaliteit is niet genoeg. Overigens is de
waterkwaliteit nog altijd niet goed genoeg. Een verdere reductie van de lozingen is
zeker nodig. Bovendien blijft dan de erfenis van het verleden in de vorm van verontreinigd slib nog een groot probleem. Bij alle optimistische plannen mag dit zeker niet
worden vergeten of verwaarloosd.
Maar omdat inmiddels de waterkwaliteit al wel zover is verbeterd dat deze niet meer
per definitie een terugkeer van oorspronkelijke flora en fauna in de weg staat, zijn nu
plannen ontwikkeld om alvast de volgende stap te zetten; het herinrichten van oevers
en uiterwaarden. Een van de eerste hiervan was het zogenoemde Plan Ooievaar. In
het algemeen wordt dit met "natuur-ontwikkeling" aangeduid.
De ontwikkeling van deze plannen is erg snel gegaan, zeker als bedacht wordt dat het
concept "natuurontwikkeling" in veel gevallen lijnrecht ingaat tegen de lange tijd
heersende ideeen en gebruiken. Immers, optimaal rivierbeheer kwam er in het algemeen op neer dat de vrijheid van de rivier werd beperkt door dijken, kribben en
oeververstevigingen. De maatregelen voor natuurontwikkeling staat hier haaks op. Om
de rivier meer vrij spel te geven, ja zelfs zomerkaden door te steken, vraagt een
enorme verandering in de manier van denken. Omdat de veiligheid en de scheepvaartfunctie natuurlijk ook eisen stellen moeten alle plannen en inrichtingswerken uitgebreid doorgerekend worden voordat de eerste spa de grond ingaat.
8.2
Huidige situatie en referentiebeeld.
Momenteel wordt voor spontane ontwikkeling van natuurwaarden weinig ruimte
geboden. Door de nog steeds onvoldoende water- en waterbodemkwaliteit, rivieraanpassingen en -normalisaties, intensief gebruik van de uiterwaarden, scheepvaart en
andere eisenstellende functies van de rivier is het aantal soorten planten en dieren
sterk verminderd. Stuwen en niet of slecht functionerende vispassages belemmeren de
bereikbaarheid voor trekvis. Spontane rivierduinontwikkeling wordt in de kiem
gesmoord en door de veebegrazing hebben struik- en boomopslag langs de oevers
geen kans. Ook het traditionele kleinschalige en afwisselende uiterwaardenlandschap
heeft grotendeels moeten plaatsmaken voor uitgestrekte soortenarme maaivelden en
grote zandwinplassen. Heggen, poelen en andere kleine landschapselementen zijn in
hoog tempo verdwenen. Door het afgraven van de hogere gronden is de droge
stroomdalflora vrijwel verdwenen en de dijkverzwaringsplannen bedreigen de laatste
plaatsen waar droogte- en kalkminnende plantensoorten nog voorkomen. De bestaan1}
de natuurgebieden en de verlaten steenfabrieksterpen worden bedreigd door natuuronvriendelijke activiteiten. Ook de recreatiedruk neemt toe, vooral nabij steden
[Dienst Binnenwateren/RIZA, 1990].
Voordat inrichtingsplannen worden opgesteld moet eerst worden omschreven wat het
doel van de ontwikkelingen is. Om een idee te krijgen van de gewenste situatie is de
toestand tussen 1850 en 1920 als referentie genomen. Toen was er ook al menselijke
invloed maar nog geen grootschalige rivierkundige ingrepen en de water- en slibkwaliteit was nog goed.
De situatie van rond 1900 is dus het streefbeeld, zij het soms wat aangepast. De
enorme aantallen zalm van die tijd zullen niet meer gehaald worden terwijl er juist
naar meer ooibos wordt gestreefd omdat de omvang hiervan in 1900 al was aangetast.
Overigens is het niet reeel om eenvoudigweg de toenmalige toestand terug te wensen,
er zijn nu eenmaal bedijkingen, normalisaties en kanalisaties uitgevoerd die de zeer
belangrijke scheepvaartfunctie en de veiligheid moeten waarborgen. Dit zijn in het
algemeen randvoorwaarden waar in de referentiebeelden rekening mee is gehouden.
In totaal zijn er drie referentiebeelden voor riviersystemen opgesteld, een natuurlijke
situatie, de situatie na bedijking en normalisatie en de situatie na kanalisatie.
Voor de Bovenrijn, de Waal en de IJssel is het referentiebeeld van een bedijkte en
genormaliseerde rivier van toepassing. De Neder-Rijn komt in aanmerking voor het
referentiebeeld van een gekanaliseerde rivier. Verder speelt het referentiebeeld voor
natuurlijke rivieren nadrukkelijk een rol bij de ontwikkelingsprogramma's die voor
delen van Rijntakken zullen/zijn opgesteld. Voor de Waal kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan rivierbegeleidende ooibossen en nevengeulen [D.B.W./RIZA, 1990].
8.3
Herinrichtingsmaatregelen.
Bij herinrichtingen zullen maatregelen getroffen worden om de natuur weer kansen te
geven. Maatregelen hiervoor zijn het graven van nevengeulen en poelen, het toepassen van natuurvriendelijke oeververdedigingen, het laten ontwikkelen van rivierduinen,
soms landbouwgrond "aan de rivier teruggeven", het weer aan de hoofdstroom koppelen van oude rivierarmen en strangen en soms zelfs zomerkaden doorsteken. Maar
ook aanpassingen in het kwantiteitsbeheer, extensivering van landbouw en recreatie
horen bij de herinrichtsplannen. De rivier krijgt (binnen deze natuurontwikkelingsgebieden) door al deze maatregelen weer invloed op de toestand van het aangrenzende
land zodat de dynamiek van het riviersysteem sterk zal toenemen.
Hierdoor zullen sedimentatie en erosie de ligging van beddingen, stroomgeulen en
ondiepten voortdurend veranderen. Er ontstaan verschillen in waterdiepten, stroomsnelheden en oevervormen die daarmee verschillende habitats vormen voor dier- en
plantesoorten. Specifieke biotopen als langzaam meestromende nevengeulen, slikkige
oevers en poelen en moerassen moeten weer ontstaan en de bijbehorende flora en
fauna nieuwe kansen geven. Bij elkaar zullen de hoofdstroom, nevenstromen, oevers
en uiterwaarden weer groene linten in het landschap vormen waarlangs allerlei
organismen zich kunnen verplaatsen.
Het is niet de bedoeling een kunstmatige situatie te scheppen die uitsluitend door
intensief onderhoud kan voortbestaan. "Zelfregulatie" en "duurzame ecosystemen" zijn
uitgangspunt. Dat neemt niet weg dat na voltooiing van de inrichtingswerken periodiek
74
onderhoud moet worden gepleegd omdat anders de gebieden dichtslibben en tot een
bos uitgroeien. Daarom zal meestal begrazing nodig zijn en moeten geulen en poelen
af en toe worden uitgegraven.
Bij de herinrichtingswerken moet uiteraard wel rekening gehouden worden met de
andere rivierfuncties. Met name de afvoer van water, slib en ijs alsmede de scheepvaart mogen niet worden gehinderd. Dit zijn bepaald geen denkbeeldige problemen.
Zo kunnen nevengeulen grote invloed hebben op stroming en waterstanden en kunnen
door erosie van het winterbed zandbanken ontstaan met alle gevolgen vandien. Ook
kan de stabiliteit van dijken en kaden worden aangetast. Hierbij zal bij de plannen
zorgvuldig rekening worden gehouden.
Ook mogen de eisen van landbouw en recreatie niet in confict komen met de omstandigheden die voor optimale natuurontwikkeling nodig zijn. Intensieve begrazing, het
gebruik van (kunst-)mest en bestrijdingsmiddelen maar ook rustverstoring en ruimtebeslag door een zware recreatiedruk zijn ongewenst in deze gebieden.
De natuurontwikkelingsplannen staan dan ook bepaald niet op zichzelf. Ze moeten
worden opgezet in nauwe samenhang met andere plannen zoals die voor de optimalisatie van de vaarwegen (Hoofdtransportas Waal) en voor dijkverzwaringen. Ook zijn
er relaties met het onderhoud van de vaarwegen. Door een integrale aanpak kunnen
werkzaamheden en aanpassingen meer dan een doel dienen. Ook kan vrijkomend
(grond-)materiaal over en weer gebruikt worden.
Hierbij speelt overigens nog een probleem. Het rivierengebied is in de afgel open
decennia door bezinking van verontreinigd slib sterk vervuild. Bij de uitvoering van de
inrichtingswerken levert dit grote problemen op. De verontreiniging van de vrijgekomen slib en grond betekent dat het materiaal niet zomaar mag worden verspreid of
hergebruikt. Door de strikte regulering mag de ten behoeve van een geul of poel
uitgegraven grond vaak niet worden gebruikt voor bijvoorbeeld een hoogwatervluchtplaats of dijkverzwaring elders. Inplaats daarvan zou het tegen hoge kosten moeten
worden afgevoerd. Aangezien het hierbij om enorme hoeveelheden grond gaat zal dit
de uitvoering van de plannen ernstig belemmeren.
8.4
Maatregelen in de Rijntakken.
Als wordt gekeken naar de Rijntakken dan hebben meestromende nevengeulen (nieuw
gegraven of weer aangekoppelde oude armen) vooral perspectief in de niet-gestuwde
Bovenrijn, Waal en IJssel omdat hier genoeg stroomsnelheid is. Momenteel komen
meestromende nevengeulen en hun specifieke flora en fauna in Nederland niet meer
voor. Uit een case-studie voor de Bemmelerwaard is onder andere gebleken dat een
nevengeul goede kansen biedt voor waterplanten, een uitbundigere oevervegetatie en
de macro-evertebraten die "klinkhout" (dood en levend hout dat in de oorspronkelijke
Rijn veel voorkwam) als habitat hebben [de Haas, 1991].
Voor milieuvriendelijke oevers moet worden gedacht aan het gebruik van systeemeigen materiaal zoals wilgen terwijl op sommige locaties de natuur zijn vrije loop moet
krijgen. Ook steile afgekalfde wallekanten horen immers bij een rivier. Opslag van
wilgen en struiken kan worden beschermd door het vee met afrasteringen van de
oevers weg te houden. Ook vooroeververdedigingen en alternatieve vormen van kribben kunnen worden toegepast. Waar mogelijk kunnen bestaande bestortingen worden
75
verwijderd. Hier bestaat een directe tegenstelling in belangen tussen natuur en
scheepvaart. Zeker de zes-baksduwvaart stelt hoge eisen aan de oeververdediging.
Langs vrijwel de hele IJssel zijn de oevers bedekt met stortsteen. Ook de NederRijn/Lek kent overwegend met steen of grind verdedigde kribvakken. De Waaloevers
zijn merendeels nog onverdedigd en naar verwachting hoeft hiervan nog slechts een
klein deel verdedigd te worden waarbij bovendien waar mogelijk gebruik wordt
gemaakt van zandsuppletie en/of vastlegging door begroeiing.
Om de bereikbaarheid voor trekvissen te verbeteren zijn ook een aantal maatregelen
nodig. Door aangepast stuwbeheer op de Neder-Rijn kan wellicht worden gezorgd dat
de vispassages hier beter functioneren zonder aantasting van de rendabiliteit van de
waterkrachtcentrale bij Amerongen. Gestudeerd wordt op een verhoging van de
minimumafvoer over de Neder-Rijn van 25 naar ± 50 m'/seconde ten koste van de
waterafvoer via de IJssel.
Behalve in de Neder-Rijn/Lek zal ook het stuwbeheer bij de zeegaten moeten worden
bestudeerd op mogelijkheden om vispassage (beter) mogelijk te maken.
Vistrappen zijn verder ook in het buitenland noodzakelijk. Immers de paaigebieden
van zalm en zeeforel liggen voornamelijk in de bergbeken in het (buitenlandse)
middelgebergte. In het kader van het Rijn Aktie Programma vindt hierover al overleg
plaats. Ook moet er een afdoende werkend visgeleidingssysteem worden ontwikkeld
om vis bij waterkrachtcentrales van de turbines weg te geleiden naar vistrappen om
beschadiging en sterfte door de turbinebladen te voorkomen.
Duidelijker zichtbaar dan aangepast stuwbeheer is het verhogen van overstromingsfrequenties van uiterwaarden. Dit kan door bij zomerkaden de inlaatwerken open te
laten of erosie toe te staan of, zoals bij de Blauwe Kamer is gebeurd, zelf de zomerkade door te steken. Op een plaats om verdrassing te genereren of op twee plaatsen om
stromend water te creeren. Bij dergelijke plannen moeten veel afwegingen gemaakt
worden. Melkveehouderij is niet meer rendabel op veelvuldig overstromend grasland,
inundatie en slibafzettingen kunnen plantengroei ook negatief beinvloeden en voor
bepaalde flora en fauna (stroomdalsoorten; veldsalie, karwij, marjolein) kunnen de
levensomstandigheden door verdrassing verslechteren terwijl bovendien hoogwatervluchtplaatsen verdwijnen. Op locaties waar kwelwater de waterkwaliteit bepaalt kan
deze negatief worden beinvloed als relatief slecht rivierwater wordt aangevoerd.
Mogelijkheden voor verhoging van de inundatiefrequentie zijn er bij de Bemmelse
Waard, de Oosterhoutse Waard en Wamelse Waard langs de Waal, de Renkumse
benedenwaard en Rhenense buitenwaard langs de Neder-Rijn en de Brummense
waarden langs de IJssel.
De ecologische structuur kan worden verbeterd door de ontwikkeling van ooibossen
(rivierbossen). Hiervan worden twee typen onderscheiden: zachthout- en hardhoutooibos. Het zachthouttype kent soorten als wilg en populier en komt vanouds langs de
rivier voor. Het ontstaat eenvoudig en snel. Naarmate de overstromingsfrequentie
hoger is, is de ondergroei van dit type bos minder (riet- en liesgras). Het hardhouttype
verdraagt inundatie slechter en komt dan ook vooral op de wat hogere delen voor en
kent soorten als eik, es en iep. Het is te vinden op oever- en stuwwallen en bij
steenfabriekterpen. Om te voorkomen dat de gebieden in korte tijd dichtgroeien zal
begrazing nodig zijn. Dit kan met onderhoudsarme soorten paarden en koeien en voor
de meer moerasachtige delen ook met wilde zwijnen. Door de dichtheid van de
begrazing te varieren kan de bosontwikkeling worden geremd of bevorderd. [Dienst
Binnenwateren/RIZA, 1990].
76
8.5
De projecten.
Vijf provincies en drie ministeries waren betrokken bij een groot plan voor het
rivierengebied. Hieronder vallen ook de plannen voor het Rijnstroomgebied. Het
voortouw voor de plannen ligt bij de Provincie Gelderland [Gelderland, april 1989 en
Gelderland, mei 1989] en de Provincie Overijssel.
De betrokken gebieden zijn hieronder genoemd, de proefgebieden zijn dik gedrukt.
Gelderse Poort; het gebied langs de Waal en Bovenrijn tussen de
-Waal
Duitse grens en Nijmegen hetgeen meerdere polders omvat: o.a. de
(bovenloop)
Bijland (475 ha), Geitenwaard (110 ha), Lobberdense Waard (325
ha), Klompenwaard (95 ha), Millingerwaard (630 ha), Gendtse
Waard (580 ha), Groenlanden (140 ha), Bemmelse Waard (590 ha),
Buiten Ooijpolder bij Nijmegen (250 ha).
St.
Andries: het natuurgebied tussen Maas en Waal, waar deze
- Waal/Maas
elkaar bijna raken, bij Fort Sint Andries. Verder de Stiftse Waard
en de Heesseltsche uiterwaarden.
Benedenstroom van St. Andries liggen nog de Kil van Hurwenen,
-Waal
de
Rijswaard en verderop de Crobsewaard, Breemwaard, Brakel(benedenloop)
sche Beneden waard en, nog verder, het gebied bij Slot Loevenstein.
Langs het Pannerdensch kanaal liggen de Loowaard en de
- Pannerdensch
Huissensche Waarden.
kanaal
- IJssel
Het gebied tussen Brummen en Dieren. Het gebied tussen Zutphen
en Deventer. Het proefgebied de Duurse (en Welsuininer) Waarden tussen Olst en Wijhe.
- IJssel monding
De monding van de IJssel in het Ketelmeer. Hengforderwaarden,
Zalkerbos, Fortmond, Havikerwaard. Hiervoor bevinden de plannen zich nog in een vroeg stadium.
- Neder-Rijn
Het verbinden en uitbreiden van waardevolle (natuur-)gebieden in
de uiterwaarden van de Neder-Rijn tussen Arnhem en Amerongen
zoals de Meinerswijk bij Arnhem, de Doorwertsche waarden, de
Blauwe Kamer en Rhenense uiterwaarden bij Rhenen, Beusichemse en Redichemse Waard, Marspolder (binnendijkse Rijnloop).
Waal: Gelderse Poort
De Waal leent zich misschien nog wel het meest voor natuurontwikkeling gezien de
grote dynamiek, de natuurlijke oevers en de brede uiterwaarden.
Voor de Gelderse Poort is een ambitieus natuurontwikkelingsprogramma opgesteld (510.000 hectare). Ter vergelijking: de Hoge Veluwe is 5.450 hectare groot. Vanwege de
omvang en de uitstralingsmogelijkheden naar meer benedenstrooms gelegen gebieden
zijn juist de plannen voor de Gelderse Poort van nationaal belang. Bovendien bevindt
zich aan de Duitse kant van de grens een kleinschalig landbouwgebied met behoorlijke
natuurwaarden.
In dit gebied bevinden zich behalve een aantal natuurgebieden nog diverse oude
rivierarmen. Verder is het heel bijzonder dat het gebied niet vlak is, De Waal en Rijn
stromen hier tussen de stuwwallen van het Montferland, de Veluwe en de stuwwal ten
oosten van Nijmegen die in Duitsland doorloopt tot Kleef. Behalve de landschappelijke dynamiek zijn deze stuwwallen ook van belang doordat ze schoon kwelwater
77
opleveren. De potenties van het Gelderse Poort gebied zijn dan ook enorm.
In de toekomst zullen de otter, das en vos zich hier thuis moeten voelen, maar ook
paarden, runderen, edelherten en bevers. Het gebied moet vogels als roerdomp, ralen purperreiger, kwak, grote en kleine zilverreiger, ooievaar, lepelaar, visarend en
zwarte wouw huisvesten.
Het proefgebied omvat de Klompenwaard, Millingerwaard, Gendtsche en Bemmelsche
waarden. In de Millinger- en Kekerdomse waard (600 hectare) is men al begonnen.
Hier liggen de hoogste rivierduinen van Nederland. Voor de Bemmeler Waard (590
ha) is al een case-study verricht naar de mogelijkheden voor een nevengeul die
veelbelovende resultaten liet zien [de Haas, 1991]. De Gentsche Waard (580 ha) is
een verlaten tichelgatencomplex dat zo'n 15-20 jaar geleden aan zijn lot werd overgelaten nadat de kleiwinning was gestopt. Prompt nam de natuur zijn kans waar en nu
staan er ooibosjes met schietwilgen en zwarte populier, ruigtes en graslanden en
groeien aardbeiklaver, moerasandijvie, late ogentroost en smal vlieszaad volop.
Tussen de Gelderse Poort en Fort Sint Andries zullen op diverse plaatsen natuurgebieden worden ontwikkeld om als "stapsteen" te fungeren (o.a. Winssensche en
Hiensche Waarden).
Maas/Waal: Fort St. Andries
Waar Maas en Waal elkaar vrijwel raken ligt het voormalige Fort Sint Andries. In dit
proefproject zullen de ecologische relaties met de Maas worden uitgebouwd door
middel van moeras- en bosvorming in combinatie met kleiwinning. Karakteristieke
landschapselementen en het natuurlijke relief zullen daarbij behouden blijven.
Waal, benedenloop
De Brakelse Benedenwaard is een fraaie, geheel onvergraven en reliefrijke uiterwaard
waarin een aantal oude rivierlopen liggen. Waardevolle stroomdalflora wordt hier
aangetroffen evenals in de Breemwaard en op een aantal dijken. De Crobsewaard en
de Breemwaard hebben een goede weidevogelstand. Dit gebied zal ook een "stapsteen functie" hebben richting Biesbosch.
Pannerdensch kanaal
Het eerste deel van het Pannerdensch kanaal is weinig interessant vanuit landschappelijk oogpunt. Het noordelijk deel van de Huissensche Waard heeft echter een nog
vrijwel ongeschonden natuurlijk relief. Het gebied is vooral van belang als weidevogelen ganzengebied. Er bestaan relaties met het Rijnstrangengebied ten oosten van
Nijmegen aan de Waal. Als zodanig is dit gebied van belang als "tussenstation" tussen
de Gelderse Poort en de IJssel. Hierom wordt er naar gestreefd in de Huissensche
Waard enige moerasvorming te creeren. Bij het Looveer en Angeren kunnen nieuwe
kleiwinningen gebruikt worden om moerassen te ontwikkelen.
IJssel
De IJssel biedt een gevarieerde aanblik door het bochtige rivierverloop, natuurlijk
relief en de rijke begroeiing. Langs de IJssel staat de ontwikkeling van de stroomdalflora voorop, vooral in het gebied tussen Brummen en Deventer. Deze stroomdalflora
op de hogergelegen delen kan als de rijkste van het rivierengebied worden beschouwd.
In de Welsummeruiterwaarden zullen in samenhang met de Duursche Waarden aan
de andere oever, moerasvorming en bosontwikkeling gestimuleerd worden.
78
Duursche Waarden
Langs de IJssel is al in 1989 in de Duursche Waarden bij 01st de invloed van de rivier
versterkt door twee geulen in de uiterwaarden te graven waarvan e€n in open
verbinding met de rivier. hierbij zijn bestaande stagnante wateren met elkaar en met
de rivier in open verbinding gebracht.
Met Prezwalskipaarden en Schotse Highlander runderen, vee dat weinig verzorging
vraagt, wordt een beheer van extensieve begrazing uitgevoerd waarbij het terrein
zoveel mogelijk aan de natuur wordt overgelaten. De veranderingen zijn al te zien: er
komt meer afwisseling in de vegetaties en zeldzame vlindersoorten zijn verschenen.
Ook is het aantal aalscholvers sterk toegenomen.
De ontwikkelingen van de aquatische flora en fauna gaat nog minder goed. Het aantal
aangetroffen makro-evertebraten vertoont een sterke achteruitgang en de hoeveelheid
misvormde muggenlarven is toegenomen. Enerzijds komt dit door een verandering in
habitats door de vergrote rivierinvloed en de sterk wisselende waterstanden. Maar ook
de waterkwaliteit is van invloed. Het water dat vanuit de IJssel binnenstroomt bevat
nog zoveel voedingsstoffen en zout dat hierdoor de soortenrijkdom negatief wordt
beinvloed. Ook de invloed van het rivierslib werkt negatief. Overigens zijn de gegraven
wateren wel in gebruik als rust-, fourageer en mogelijk paaiplaats.
Wellicht kunnen betere resultaten worden bereikt door stromende zijwateren te
creeren zodat geen ophoping van voedingsstoffen en bezinking van slib plaatsvindt
[Klink et al, 1991].
Neder-Rijn
De uiterwaarden van de Neder-Rijn zijn tamelijk smal met vele hagen, kleiputten en
oude rivierlopen. Door kwelwater van de Veluwe en een tamelijk stabiel rivierwaterpeil heeft zich plaatselijk een rijke (moeras-)planten en dierenwereld ontwikkeld zij
het met vrij weinig stroomdalflora. Er is hier vroeger veel zand en klei gewonnen
hetgeen nog goed te zien is.
Ten zuiden van Arnhem wordt de polder Meinerswijk ingericht als natuur- en recreatiegebied voor Arnhem en omgeving. Een van de meest bekende natuurontwikkelingsprojecten is de Blauwe Kamer, aan de voet van de Grebbeberg bij Rhenen. De
verlaten steenfabriek en de oude kleiwinning zijn hier uitgebouwd tot een natuurgebied waar de rivier toegang heeft. De werkzaamheden voor dit proefproject zijn al
dermate ver gevorderd dat de zomerkade is doorgestoken. In de komende jaren moet
zich hier een uitbundige flora en fauna gaan vestigen.
Tussen Beusichem en Culemborg ligt een gebied met fraaie stroomdalflora (Beusichemse en Rhedichemse waarden). Het is de bedoeling deze natuurwaarden uit te
bou wen.
79
9.
Literatuur
- Adriaanse, M, F.J. Keuper, E.C.L. Marteijn, W. Snoek; Milieumeetnet zoete
rijkswateren. RIZA, nota 92.051. Lelystad, oktober 1992.
- Bakker, C; Bijdrage "Rijnboekje", Uitgave ter gelegenheid van de conference
"Rehabilitation of the River Rhine" op 15-19 maart 1993. Arnhem, 1992.
- Barreveld, H.L.; Organische Micro Verontreinigingen in Rijn en Maas, 1988 - 1990.
RIZA, nota 92.009. Lelystad, december 1991.
- Bergers, P.J.M.;Ontwikkelingsmogelijkheden voor vispopulaties in de Gelderse
Poort. Kath. Universiteit Nijmegen i.o.v.Rijkswaterstaat-Gelderland. 1991.
- Botterweg, J.; Biologische alanneringssystemen: praktijkervaringen en laboratoriumtesten. Adviesbureau BKH in opdracht van RIZA. 1990.
- Breukel, R.M.A...[etal.]; Internationale commissie voor de hydrologie van het Rijnstroomgebied (CHR/KHR). Das Hochwasser 1988 im Rheingebiet, Bericht Nr. 1-9
er KHR. 1990.
- Breukel, R.M. A.; Staking in de Kalimijnen. Dienst Binnenwateren/RIZA,
ment 90.052x. Lelystad, mei 1990.
werkdocu-
- Breukel, R.M.A. (red.); Alarmering en signalering bij plotselinge waterverontreiniging op de rijkswateren. Dienst Binnenwateren/RIZA, nota 90.084. Lelystad,
december 1990.
- Breukel, R.M.A., A.J. Schafer; Informatiebehoefte
91.012. Lelystad, maart 1991.
waterkwaliteit. RIZA, nota
- Breukel, R.M.A.;De Rijn bij Lobith; enkele tendensen in de waterkwaliteit. RIZA,
werkdocument, 91.120x.Lelystad, juli 1991.
- Breukel, R.M.A.;Hoogwater in de Rijn; veranderingen in het zwevende stof. RIZA,
werkdocument 92.061x. Lelystad, mei 1992.
- Broekhoven, A.L.M.van; De Rijn in Nederland. Dienst Binnenwateren/RIZA,
87.061. Lelystad, december 1987.
nota
- Broekhoven, A.L.M. van, J.A.M. Vanhemelrijk; Ecologische ontwikkelingsrichting
grote rivieren. Dienst Binnenwateren/RIZA, nota 90.003. 1990.
- Bruin, D. de, et al; Ooievaar. De toekomst van het rivierengebied. Stichting
Gelderse Milieufederatie. 1987.
- Bij de Vaate, A (ed.); The Asiatic clam, Corbicula fluminea (Miiller, 1774), a new
80
immigrant in the river Rhine. EHR-rapport
Vol. 34-1991. RIZA. Lelystad, 1991.
- Bij de Vaate, A & M. Greijdanus-Klaas; Ongewervelde dieren als indicatoren voor
de waterkwaliteit van de Rijn. Bijdrage tijdschrift "De levende natuur" (in druk).
1993.
- CHR/KHR; Internationale commissie voor de hydrologie van het Rijnstroomgebied
(CHR/KHR). Le bassin du Rhin, Das Rheingebiet; hydrologische monografie.
- Codrdinatiecommissie uitvoering wet verontreiniging oppervlaktewateren; Aanbevelingen voor het onderzoek naar microverontreinigingen in het aquatische milieu.
Januari 1989.
- Codrdinatiecommissie uitvoering wet verontreiniging oppervlaktewateren; Aanbevelingen voor het monitoren van stoffen van de M-lijst uit de derde Nota waterhuishouding. Voorlopige uitgave juni 1990.
- Codrdinatiecommissie uitvoering wet verontreiniging oppervlaktewateren;
sche normdoelstellingen voor Nederlandse oppervlaktewateren. 1988.
Ecologi-
- Coppoolse, J, H. Kersten; Emissiereductie Rijn- en Noordzeeactieplan, Tussenstand
en prognose. RIZA/Werkgroep Emissies Noordzee, nota 92.065. Lelystad, december
1992.
- Cremers, R.C.M.; Amfibieen in uiterwaarden, een voorbereidende literatuurstudie.
I.o.v.RIZA. Mei, 1991.
- Dienst Binnenwateren/RIZA - Bureau Waterbodems; Baggerspecie- waterbodemproblematiek. Dienst Binnenwateren/RIZA. nota 88.034. Lelystad/Den Haag, juli
1988.
- Dienst Binnenwateren/RIZA;
1990.
Natuur: zoete wateren. nota 90.001. Lelystad, januari
- Duel, H; Natuurontwikkeling in uiterwaarden. INRO-TNO-Beleidsstudie
Rijkswaterstaat, nota 91/NE/005. Delft, februari 1991.
i.o.v.
- Dijk, G.M. van, G.M.J. Tubbing & P. Schaap; Fytoplankton in de Rijn onder
invloed van vervuiling. Bijdrage tijdschrift "De levende natuur" (in druk). 1993.
- Dijk, G.M. van, E.G.L. Marteijn (red.); Samenvattend rapport: Ecologisch herstel
van de Rijn, 1988-1992. Rapport van het project "Ecologisch Herstel van de Rijn en
Maas", rapport nr. 50. 1993.
- Dijkzeul, A; De waterkwaliteit van de Rijn in Nederland in de periode 1970-1981.
RIZA, nota 82.061. Lelystad, juni 1982.
- Europese gemeenschappen;
Richtlijn van de Raad van 16 juni 1975 betreffende de
81
vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van
drinkwater in de Lid-Staten (75/440/EEG). Luxemburg, 16 juni 1975.
Europese gemeenschappen; Richtlijn van de Raad van 18 juli 1978 betreffende de
kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft ten einde geschikt
te zijn voor het leven van vissen (78/659/EEG). Brussel, 18 juli 1978.
Gelderland, Gedeputeerde Staten van; Beleidsplan uiterwaarden. Concept-plan.
Arnhem, april 1989.
Gelderland, Provinciaal Bestuur van; Brochure Gelderland uiterwaardenland.
Arnhem, mei 1989.
Greijdanus-Klaas, M.; Inventarisatie driehoeksmosselen op het harde substraat in
de Rijn. Dienst Binnenwateren/RIZA, werkdocument 90.046x. Lelystad, april 1990.
Haas, A.W. de; Mogelijkheden voor en consequenties van een calamiteitenstuw
voor de noordelijke Rijntakken. Dienst Binnenwateren/RIZA, nota 89.023. Arnhem,
mei 1989.
Haas, A.W. de; Projectplan hoofdproject RIJN*. Dienst Binnenwateren/RIZA,
werkdocument 90. lOOx. Arnhem, concept van juni 1990.
Haas, A.W. de; Nevengeulen, onderzoek naar de mogelijkheden, de consequenties
en de te stellen eisen bij aanleg van nevengeulen in uiterwaarden. Dienst Binnenwateren/RIZA, nota 91.008. Arnhem, maart 1991.
Hekstra, G.P., W. Joenje; Rijnwater in Nederland: ecologische consequenties in het
benedenstroomse gebied van de verontreinigde Rijn. Oecologische kring. Arnhem,
1983.
Hellmann, H.; Nitrat und Ammonium im Rhein. Bundesanstalt fur Gewasserkunde.
Z. Wasser-Abwasser-Forsch, nr.22, pg. 212-222. 1989.
Heymen, R.; Resultaten van het waterkaliteitsonderzoek in de Rijn in Nederland,
1972-1991. RIZA, nota 92.047. Lelystad, September 1992.
Hullenaar, J.W. van 't; Herontwikkeling van watervegetaties in het bovenstroomse
gedeelte van de Waal. DBW/RIZA, werkdocument 89.120x. Arnhem, nov. 1989.
Internationale Rijn Commissie (IRC); Bericht iiber die physikalisch-chemische
Untersuchung des Rheinwassers III 1956-1958. Basel/Stuttgart, 1960.
Internationale Rijn Commissie (IRC); Actieprogramma Rijn. 30 augustus 1987.
Internationale Rijn Commissie (I.R.C.); Zahlentafeln
Kamphuis, H; Sedimenttransportmetingen
82
1990. Koblenz, 1992.
Rijntakken. Dienst Binnenwateren/RIZA,
nota 90.075. Arnhem, juni 1990.
KIWA; Organische microverontreinigingen in de Rijn en de Maas in 1991: bestrijdingsmiddelen en mutageniteit. i.o.v.RIWA. Nota SWO 92.283. Nieuwegein, 1992.
Klink, A, E.C.L. Marteijn, J. Mulder, A. Bij de Vaate; Aquatische makro-evertebraten in de Duursche Waarden. EHR-rapport no. 36-1991. RIZA. Lelystad, 1991.
Linden, W. van der; De invloed van de droogte in 1976 op het onttrokken Rijnwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening. T. H. Delft. Mei 1978.
Made, J.W. van der; De hydrologie van het stroomgebied van de Rijn. Rijkswaterstaat, Directie waterhuishouding en waterbeweging, nota WH-82.02. 1982.
Maenen, M.M.J.; Water- en oeverplanten in het zomerbed van de grote rivieren in
Nederland: voorkomen en relatie met fysisch-chemische parameters in 1988. Kath.
Universiteit Nijmegen i.o.v.DBW/RIZA. Nijmegen, 1989.
Marteijn, E.C.L.;Schriftelijke bijdrage. RIZA. Lelystad, februari 1993.
Molt, E.L.; Verontreiniging van het Rijnwater. In: De Rijn, TH Delft. 1961.
Ministerie van Verkeer en Waterstaat; De waterhuishouding van Nederland, 1984.
's Gravenhage, 1985.
Ministerie van Verkeer en Waterstaat; Rijks Waterkwaliteitsplan
's Gravenhage, 1986.
1986.
Ministerie van Verkeer en Waterstaat; De waterkwaliteit van Nederland/Indicatief
meerjarenprogramma water 1985-1989.'s Gravenhage, 1986.
Ministerie van Verkeer en Waterstaat/Ministerie van VROM; Wijziging van het
Besluit kwaliteitsdoelstellingen en metingen oppervlaktewateren. 1989.
Ministerie van Verkeer en Waterstaat; Water voor nu en later, derde Nota waterhuishouding, Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989,21 250, nrs. 1-2. 1989.
Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Binnenwateren/RIZA, D.G.W.,
Bureau waterbodems. Waterbodems; van probleemanalyse naar oplossing. DBW/RIZA nota 90.038, DGW nota GWWS-90.006. April 1990.
Ministerie van Verkeer en Waterstaat; Saneringsprogramma waterbodem rijkswateren 1991-2000.'s Gravenhage, juni 1990.
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Industriele
emissies in Nederland, derde inventarisatieronde 1985 t/m 1987, nrs. 1 + la.
December 1990.
83
- Ministerie van Verkeer en Waterstaat; Rijnboekje, uitgave ter gelegenheid van het
Rijnsymposium in Arnhem op 15-19 maart 1993. Versie december 1992.
- Mugie, A.L.;Oppervlaktestroomsnelheid van de Rijn t.b.v. het alarmmodel. Dienst
Binnenwateren/RIZA, werkdocument 90.085x. Lelystad, juni 1990.
- RIWA; De samenstelling van het Rijnwater in 1988 en 1989. Amsterdam, januari
1992.
- RIWA; Herkomst prioritaire stoffen. Onderzoek naar productie, gebruik en
emissies van 40 prioritaire organische microverontreinigingen van Rijn, Maas,
Usselmeer en Haringvliet. Amsterdam, december 1992.
- Rijkswaterstaat, Directie Gelderland: J.M.H. Demon, Dienst Binnenwateren/RIZA:
A.L.M.van Broekhoven; Bodemverontreiniging in de uiterwaarden. nota GLD
89/01 (Gelderland) en 89.027 (D.B.W./RIZA). Arnhem, juni 1989.
- Rijkswaterstaat, Directie Gelderland; Concept-regionota Rijntakken, versie 3a.
Arnhem, juli 1990.
Rijkswaterstaat, Directie Gelderland; Waal, hoofdtransportas. Toekomstvisie nota
III. Eindrapportage. Arnhem.
- Rijkswaterstaat, Directie Zuid Holland. Adequaat Beheer, regionaal beheersplan
voor de benedenrivieren, periode 1992-1996 (concept). Rotterdam, 1993.
- Smit, H.; Het ecosysteem van de Nederlandse grote rivieren. De Levende Natuur
86, 5,pg. 162-167. 1986.
- Swart, J.; Uiterwaarden...hou ze gaaf! Gelderse Milieufederatie. Arnhem, mei 1985.
- Staatsblad. Besluit van 3 november 1983, houdende regelen inzake kwaliteitsdoelstellingen en metingen oppervlaktewateren. Staatsblad 1983 nr. 606. 1983.
- Staatsblad. Besluit van 2 april 1984, houdende wijziging van het Waterleidingbesluit
(Stb.1960, 345). Staatsblad 1984 nr. 220. 1984.
- Steenwijk, J.M. van, J.M. Lourens, J.H. van Meerendonk, A.J.W. Phernambucq,
H.L. Barreveld; Speuren naar sporen I, Verkennend onderzoek naar milieuschadelijke stoffen in de zoete en zoute watersystemen van Nederland. Metingen 19901991. RIZA/DGW, nota 92.057 (RIZA), nota 92.040 (DGW). Lelystad/Den Haag,
november 1992.
- Urk, G. van, F.C.M. Kerkum; Bottom fauna of polluted Rhine sediments. Dienst
Binnenwateren/RIZA, reprint nr. 042 from Contaminated Soil, 1988, pg. 1405-1407.
1988.
- Venema, R; Kwaliteit zwevende stof, de kwaliteit van het zwevende stof in de
84
rijkswateren 1988-1990. RIZA, nota 91.040. Lelystad, juli 1991.
Volker, A.; Hydrologie van het stroomgebied van de Rijn. Rijkswaterstaat, Directie
waterhuishouding en waterbeweging. H 3 0, 13c jaargang, nr. 4. 1980.
Waterloopkundig laboratorium, i.o.v.RIZA; Kalamiteuze lozingen in het stroomgebied van de Rijn. Verslag onderzoek, R 1692. Delft, april 1982.
Zuurdeeg, B.W.; De natuurlijke samenstelling van de Nederlandse wateren.
Rijksuniversiteit Utrecht, Venig Meinesz Laboratorium voor geochemie. 1979.
85
Bijlage 1.
Toetsing water aan normen van de AMK 2000
In de Derde Nota Waterhuishouding zijn doelstellingen opgenomen waar de algemene
milieukwaliteit van het Nederlandse oppervlaktewater, waaronder de Rijn, in het jaar
2000 aan dient te voldoen (AMK 2000). De waterkwaliteitsgegevens van de jaren 1990
t/m 1992, gemeten in watermonsters en omgerekend naar standaardwater, zijn aan
deze doelstellingen getoetst. De toetsingsresultaten zijn in de volgende tabel weergegeven. Niet vermelde toetsingsresultaten duiden erop dat in die periode de betrokken
componenten niet gemeten zijn.
1 Lohith
Norm
Parameter
Temperatuur
water
max. 2 5 . 0 ° C
Kampen
'91
'92
'90
'91
'92
•90
'91
'92
+
+
(-)
+
+
+
+
+
+
+
1
1
1
-
'
(-)
(+)
+
•
()
•
*
(-)
+
+
(-1
(+)
1+)
(+)
+
+
1
•
i
t
i
4
(-)
(-)
Zuurstofgehalte
min.
5.0 mg/l
Doorzicht
min.
0.4 m
pH
ft.5-9.0SE
+
1
Ammoniak (NH-,-N)
max.
0.02 mg/l
+
Totaal stikstof
max.
2.2 mg/l
Tolaal
max.
0.15 mg/l
+
(-)
(-)
(-)
(-)
(-)
+
+
(-)
(-)
(+)
(+)
(+)
-
-
+
•
+
fosfaat
Chlorofyl
(zoiiierhalfjaar)
4-
()
(-)
•
(-)
(-)
(-)
I-)
(-1
(+)
(+)
(+)
(+)
(+)
(+)
-
+
+
+
•
+
+
t
+
+
+
+
•
+
+
•
+
i
-
-
-
'
-
-
+
+
•
+
•
-
H
(
•
)
max. 200.0 mg/l
Chloride
Sulfaat
Thermololeranlc
(mediaan)
gem. 100.0 llgll
1 Maassluis
'90
max. 100.0 mg/l
coli's
med. 2 0 . 0
n/ml
vox
med.
5.0 llgll
Cholineslcraseremmcrs
med.
0.50 Mg/l
a-cndosulfan
max.
0.01 <ig/l
Pentachloorfenol
max.
0.05 ug/l
i
Y-Hexachloorcyciohcxuan
max.
0.01 Mg/l
+
i
+
0.2 Mg/l
•
+
+
+
+
+
+
r
+
•
*
1
1
i
+
+
+
+
-
+
+
+
-
+
Totaal cadmium
max.
Totaal chroom
max. 2 5 . 0 Mg/l
Tolaal koper
max.
Totaal lood
max. 25.0 Mg/l
Tolaal nikkel
max. 10.0 Mg/l
Tolaal zink
max. 3 0 . 0 Mg/l
Totaal kwik
max.
!
1
3.0 Mg/l
•
-
-
0.0.1 Mg/l
( ) Toetsing fcilelijk alleen bestemd voor eutrofieringsgcvoelige stagnante wateren
86
-
+
+
'
+
Toetsing zwevende stof aan normen van de AMK 2000
Analoog aan de toetsing van oppervlaktewater aan de AMK 2000, is tevens de
kwaliteit van het zwevend stof getoetst. Het zwevend stof is verzameld met behulp van
een doorstroomcentrifuge. De gehalten, gemeten in de jaren 1990 t/m 1992, zijn
omgerekend naar standaard zwevende stof en vervolgens aan deze doelstellingen
getoetst. De toetsingsresultaten zijn in de volgende tabel weergegeven. Niet vermelde
toetsingsresultaten duiden erop dat in die periode de betrokken componenten niet
gemeten zijn.
Parameter
Lohith
Norm
•90
a-endosulfan
max. 0.02 mg/kg
Pentachloorfenol
max. 0.04 mg/kg
Y-Hcxaehloorcyclohexaan
max. 0.002 mg/kg
Tolaal cadmium
max. i
Tolaal chroom
max. 720
Totaal koper
max. 52.5 mg/kg
Totaal lood
max. 795
Totaal nikkel
max. 52.5 nig/kg
Tolaal zink
max. 720
Totaal kwik
max. 0.75 mg/kg
Polycyclische aromatische
mg/kg
mg/kg
mg/kg
max. 1.2 mg/kg
koolwaicrst often
max. 0.10 mg/kg
Benzo(a)pyreen
max. 0.10 mg/kg
Indcno( 123cd)pyreen
max. O.lOmg/kg
Benzo(b)fluoranthcen
max. 0.4 mg/kg
Bcn/i>(k)fluoranlhcen
max. 0.4 mg/kg
Fluorantheen
max. 0.6 mg/kg
Minerals olie
max. 1000 mg/kg
Hexachloorbenzeen
max. 0.008 mg/kg
PCB 28
max. 0.008 mg/kg
PCB 52
max. 0.008 mg/kg
PCB 101
max. 0.008 mg/kg
PCB 118
max. 0.008 mg/kg
PCB 138
max. 0.008 mg/kg
PCB 153
max. 0.008 mg/kg
PCB 180
max. 0.008 mg/kg
"92
t
mg/kg
Benzo(ghi)pcryleen
|
I Kampcn
'91
87
'90
'91
•92
t
Maassluis
"90
-
91
•92
Toetsing aan de normen voor de bereiding van drinkwater.
In de navolgende tabel is de waterkwaliteit vanaf 1989 getoetst aan de normen voor
oppervlaktewater bestemd voor drinkwaterbereiding.
Achter de componentnaam is de norm vermeld. Indien de gemeten concentratie aan
de norm voldoet, is dit aangegeven met een + . Een overschrijding van de norm is geillustreerd met een -. Niet vermelde toetsingsresultaten duiden erop dat de parameter
in die periode niet gemeten is.
Parameter
Temperatuur water
Geleidendheid
Zuurstofgehalte
BZV
CZV
pH
Zwevende stof
Organisch g e b . N
Ammonium ( N H ^
Nitraat (NO3)
Cyanide
Tolaal natrium
Chloride
Sulfaat
Fluoride
Totaal arseen
Totaal cadmium
Totaal chroom
Tolaal koper
Opgelosl ijzer
Tolaal lood
Norm
max. 2 5 . 0 ° C
max. 1000 Ms/cm
min. 5.0 mg/l
max. 7.0 mg/l
max. 3 0 . 0 mg/l
6.5-9.0SE
gem. 50.0 mg/l
max. 2.5 mg/l
max. 1.2 mg/l
max. 10.0 mg/l
max. 50.0 Mg/l
max. 120.0 mg/l
max. 200.0 mg/l
max. 100.0 mg/l
max. 1.0 mg/l
max. 20.0 Mg/l
max. 1.50 Mg/l
max. 50.0 Mg/l
max. 50.0 Mg/l
max. 0.50 mg/l
max. 30.0 Mg/l
max. 500.0 Mg/l
Tolaal mangaan
max. 200.0 Mg/l
Tolaal zink
max. 0.3 Mg/l
Totaal kwik
med. 2 0 . 0 n/ml
Tr.ern.olol. coli's
med. 10.0 n/ml
Faecale sireptoc.
max. 200.0 ng/1
PAKs
gem. 100.0 Mg/l
Chlorophyl
max. 5.0 Mg/l
W.v. -fenolen
max. 0.1 Mg/l
Som v.d.pesticiden max. 0.05 Mg/l
DDT
max. 0.05 Mg/l
DDD
max. 0.05 Mg/l
DDE
max. 0.05 Mg/l
max. 0.05 Mg/l
Aldrin
max. 0.05 Mg/l
cr-HCH
max. 0.05 Mg/l
Y-HCH (lindaan)
max. 0.05 Mg/l
Dicldrin
max. 0.05 Mg/l
End tin
max. 0.05 Mg/l
Heptachloorepox.
Hexachloorbenzeen max. 1.0 Mg/l
Cholineslcraserem. max. 2 0 . 0 Mg/l
max. 10.0 Mg/l
max. 0.2 mg/kg
EOX
med. 1.0 n/0.11
Olie
max. 0.2 mg/l
Salmonella
Syndets
vox
Lobith
•89
'90
•il
+
+
+
+
+
+
+
+
+
4
I
+
+
4
•
+
4
T
•92
4
4
4
+
+
<•
+
4
I
i
+
+
4
4
4
4
+
+
Hageslein
•89
90
•9]
4
4
•
44-
+
+
4
t
+
+
t
+
4
t
4
4
I
+
;>2
t
+
t
4
+
+
+
+
+
+
+
+
4
4
4
+
<
4
•
•
4
4
1
•
•
4
+
«
+
-
4
+
4
+
•
+
4
+
+
+
+
4
4
4
•
*
+
+
+
+
-
•
4
t
1
t
4
•
+
r
+
i
1
4-
4
4-
4
-
+
4
-
•
•
4
t
4
+
•
+
"1
44
-••
I
•
+
+
•
•
•
4
4
4
1
4
+
4-
+
4
4
4
4
+
'
4
4
'
I
-
*
SS
•
Toetsing aan de normen voor viswater (karperachtigen).
De kwaliteitsdoelstelling "Waterkwaliteit voor karperachtigen" zoals beschreven in de
AMvB van 1983 is van kracht voor het hele Rijnstroomgebied. Hieronder zijn de
toetsresultaten sinds 1989 weergegeven.
Achter de componentnaam is de norm vermeld. Indien de gemeten concentraties aan
de norm voldoen, is dit aangegeven met een +.Een overschrijding van de norm is geillustreerd met een -. Niet vermelde toetsingsresultaten duiden erop dat de parameter
in die periode niet gemeten is.
Parameter
Lobilh
Kauipen
Maassluis
Norm
•89
•90
"91
•92
max. 25.0 °C
+
+
•
Zuurstofgehalte
min.
4
+
*
1
Biochemisch
max. 10.0 mg/l
4
r
1
4
PH
6.5-9.0SE
Zwevende stof
gem. 50.0 mg/l
Ammonium (NH 4 -N)
max.0.8"(4.0)mg/l
Ammoniak (NH S -N)
max.
0.02 mg/l
+
!
•
0.30 mg/l
4
Temperatuur
water
zuurslofverbr.
6.0 mg/l
(
+
-
4
4
r
4
+
•
•
•
4
4
+
•-
4
•
Nilriel ( N O r N )
max.
Totaal koper
max. 30.0 Mg/l
Tolaal zink
max. 200.0 Mg/l
4
t
+
,
•
Chlorophyl
gem. 100.0 Mg'l
4
+
4
4
* Bij een walertemperaluur
•
van minder dan 10"C geldt als norm 4.0 mg/l
89
Bijlage 2.
Overzicht van de stoffen die bij verschillende inventariserende onderzoeken in
meetbare gehalten zijn voorgekomen.
Vluchtige stoffen.
Pyridinen.
Anilinen.
Gesubslil. kws.
Weekmakers/
additieven
Diversen.
tetrahydrofuran
2,4.6-trimelhylpyridine
2-(melhyllhio-)benzothiazol
2-nitroaniline
nitrobenzeen
N-buly lhcnzeensulfor.,1! iu,lc
iriliiilylfosfaat
iri-elhylfosfaal
flalalen
diglyme
cafeine
2,2-azo-bis-isobutyronilril
carbamazepinc
Org. P-bestrijdingsm
Organolinverbindingcn.
Fenolherbiciden.
Carbamatcn.
Chloorfenoxycarbonz.
Triazinen.
Aniliden.
Fenylurcumherbiciden.
Diverse
bestrijdingsmiddelen
dimelhoaal
malalhion
azinfos-methyl
paralhion-melhyl
organolin
dinoseb
DNOC
oxamyl
mecoprop
2.4-D
atrazine
lerbulylazin
propazin
alachloor
melazachloor
metoxuron
chloortoluron
melhabcnzlhiazuron
dicamba
pyrazon ( = chloridazon)
dimelhylpyridines
N.N-dielhyl-3-melhylbenzamide
1 -chloor-2-nitrobenzeen
lris-(2-buloxy-elhyl)-fosfaal
lri-(chloorelhyl)-fosfaat
isoforon
di-isopropylideensorbofuranose
1 -methylnaftaleen
trifenylfosfine-oxyde
diazinon
parathion-ethyl
dichloorvos
dinolerh
pirimicarb
MCPA
2,4-DP
simazine
desmelryn
metamitron
metolachloor
isoproluron
diuron
diazinon
norflurazon
90
Bijlage 3.
IS
II
S
s
SS
II
II
no .n
l-» no
B8
28
s
K.
8
««
55
O O
s
!
1
E
3
fi
art
Rij
c
VI
s
o
rn
is
flc
OJ
o
a.
[1 B
o
3
E
a.
t
c:
OJ
Ul
01
SS
SS
ao
Q
0
TJ
C
o
a01
VI
rn
E
41
*-
CO
tag
m
I
5
OJ
c
rn
i-.
art
OJ
I
a
a_
._* 0<uOJ
91
Colofon
Uitgave
Meetgegevens
Afbeeldingen
Foto's
Druk
Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer
behandeling (RIZA).
RIZA (Worsro, DTBEST, Aqualarm), tenzij
Venema, Schreur, Hoogeveen, Coppoolse.
Eurimage/nlr/1988
1
RWS-Gelderland
2,4,5,7
RIZA
3,8, 10, 11, 12, 13, 14,
Vaate), 21+22 (Doef),
Haas), 25 en 26.
Meetkundige Dienst 6
Polyvisie, Hilversum 9, 20
Klimbie, Arnhem
15
OVB
18
Kon. Vermande B.V. Lelystad
92
en Afvalwateranders vermeld.
16, 17, 19 (Bij de
23+24 (de