“Tegenwoordig is een kunstenaar teveel een

Onderscheiden & verbinden
Tijdschrift over kunst en cultuur in Rotterdam | juli – september 2014 | #4
“Tegenwoordig is een kunstenaar
teveel een plannenschrijver die
te weinig tijd overhoudt voor een
zorgvuldige uitvoering.”
Jeroen Everaert
Een man met een missie
Puntkomma juli-september 2014
1
Een man met een missie
Foto Dana-Romina
Een man met
een missie
Van ondernemer naar kunstenaar naar cultureel bemiddelaar: de
loopbaan van Jeroen Everaert is bijzonder veelzijdig. Met Mothership, de
onderneming waarvan Everaert oprichter, eigenaar en directeur is, heeft
hij een vergaande invloed op het beeld van de stad. Een bezoek aan de
website van Mothership zal bij een ieder de gedachte “Ooh, hebben ze
dat ook gedaan?” oproepen. Inmiddels realiseerde Mothership overal in
Nederland, maar vooral in Rotterdam, honderden beelden.
Een interview met een man die sinds twintig jaar de Rotterdamse
beeldende kunst is toegedaan.
Door Hugo Bongers en Eva Visser
Puntkomma juli-september 2014
REDACTIONEEL
Puntkomma is geïnteresseerd in de relatie tussen publiek
en creatieve makers zoals kunstenaars, vormgevers en
architecten. In dit nummer van Puntkomma veel aandacht
voor bemiddelaars: de mensen die tussen publiek en
creatieve makers in staan en die kunstenaars en publiek
bij elkaar brengen. Voor het openingsinterview spraken
Eva Visser en Hugo Bongers met Jeroen Everaert,
een ideaal voorbeeld van zo’n bemiddelaar. Everaert is
oprichter en eigenaar van Mothership, een organisatie die
beeldende kunst in de openbare ruimte produceert. En
produceren is bemiddelen.
De bijdrage van Tjeu Strous gaat over bemiddelaars
op het terrein van jazz. Bemiddeling betekent hier
programmeren en het exploiteren van podia. We ontmoeten
in dit brede verslag van de Rotterdamse jazzwereld
verschillende bemiddelaars die actief zijn in de scene.
Een andere belangrijke bemiddelaar tussen publiek
en kunst zijn festivalorganisatoren. In dit nummer een
persoonlijke keuze van Hugo Bongers uit het rijke aanbod
van festivals dat de stad in lente en zomer overspoelt. Hoe
spreken zij het publiek aan, hoe vernieuwen ze hun aanbod,
wat betekenen deze festivals voor de stad en de bewoners?
Ook een belangrijke bemiddelaar is Galerie Atelier
Herenplaats, een door de Stichting Pameijer beheerde
voorziening voor outsider art. Een interview door
Dirk Monsma met twee kunstenaars uit de ‘stal’ van
Herenplaats maakt duidelijk welke plek Herenplaats in hun
leven inneemt. Door een wetswijziging wordt de positie
van Herenplaats als toonzaal voor outsider art echter
bedreigd, hoewel een oplossing in zicht lijkt.
Stedenbouwkundigen en projectontwikkelaars
bemiddelen tussen opdrachtgevers, architecten en
het publiek als gebruiker van de stad. Op het lang
braakliggende terrein ten zuiden van Station Blaak is een
nieuw buurtje ontstaan. Centraal staat het Gelderseplein.
Arnold Westerhout analyseert het bijzondere karakter van
deze Rotterdamse aanzet tot de ontwikkeling van zoiets
als een Altstadt, die een fraaie verbinding kan vormen
tussen de Oude Haven en de nieuwe stadsruimte die in
de context van de Markthal verschijnt.
De bijdrage van Erik Beenker aan dit nummer heeft
de vorm van een column of mini essay en is een reactie
op de stelling van de lokale VVD dat we in Rotterdam
“Nederlands spreken.” Hij betrekt daar een recente
voorstelling van het Rotterdamse toneelgezelschap
Wunderbaum bij die tijdens de Operadagen te zien was
en waarin Esperanto blijkt te functioneren als de ideale
taal voor een hele natie.
Namens de Puntkomma-redactie
Hugo Bongers
Inhoud;
Een man met een missie 1 /Festivalstad Rotterdam 5
/Droogrek 8 /De Vrijplaats 10 /Een nieuwe Altstadt 12
/Gaat het hier nog wel van: “bloep, bloep, bloep?” 14
/Er kan met mij niks mis gaan, zo! 18
/Colofon 20
2
Een man met een missie
Vervolg
Een man met een
missie
3
Puntkomma juli-september 2014
Een man met een missie
W
ellicht het bekendste en meest besproken project van Mothership was Brandgrens waarbij op 14 mei met krachtige lichtkanonnen de grillige contour van het in 1940
weggevaagde Rotterdamse stadshart op de
wolken werd geprojecteerd. Maar ook The
Guard van Hans van Bentem op het skatepark op de Westblaak, de dichtregel “De
omgeving van de mens is de medemens”
van Jules Deelder aan de Nieuwe Binnenweg
en de Graffiti-Briljant van Transister aan de
Oostzeedijk behoren inmiddels onmiskenbaar bij de stad. Binnenkort worden twee
nieuwe opvallende kunstwerken opgeleverd
waarvan Mothership de producent is: Horn
of Plenty, de 11.000 m2 grote beschildering
op de binnenkant van de nieuwe Markthal
door Arno Coenen en het Dobberend Bos
van Jorge Bakker in de Rijnhaven.
“Ik ben op latere leeftijd naar de kunstacademie gegaan, ik was 31 toen ik werd toegelaten
en met de avondopleiding begon. Dat had
alles met mijn familie-achtergrond te maken.
Ik ben geboren in een familie van Jehova’s
Getuigen en daarmee was het kunstenaarschap niet echt een voor de hand liggende
ambitie. Ik was commercieel directeur, ik
zette een importeurschap op voor een Duitse
fabriek in torenkranen. Omdat ik zelf langs
de deuren had gelopen met De Wachttoren
kon ik erg goed praten, dus die commerciële
baan lag me daarom wel. Ik had geleerd hoe
je om moet gaan met mensen die direct ‘nee’
zeiden, ik wist hoe ik mijn voet tussen de
deur moest krijgen. Ik heb al jong geleerd
me niet te laten kennen bij een afwijzende
reactie en de moed er in te houden.
Directeur zijn kon ik wel, maar ik vond het
niet leuk. Ondanks het commerciële succes
wilde ik heel graag naar de academie. Al op
de middelbare school was ik altijd aan het
bouwen en knutselen, maakte ik buiten op de
patio grote constructies waarvoor ik negens
en tienen kreeg. Heel bewust heb ik op een
gegeven moment toch voor de kunstacademie gekozen. In een gesprek met een goede
vriendin over geluk in het leven viel voor mij
het kwartje: ik ga gewoon de avondopleiding
doen, naast m’n baan.
“Ik had geleerd hoe
je om moet gaan met
mensen die direct ‘nee’
zeiden, ik wist hoe ik
mijn voet tussen de
deur moest krijgen.”
Jeroen Everaert
Geboren: 24 juli 1965, Dordrecht
Opleiding: Academie van Beeldende Kunsten
Rotterdam, 1995–1998
1988–1998: commerciële functies bij bedrijven in
o.a. ladders, later hoogwerkers en torenkranen
1998–1999: beeldend kunstenaar
(16 tentoonstellingen en 6 opdrachten)
1999–2005: directeur (samen met kunstenaar
Boris van Berkum) van Showroom MAMA in de
Witte de Withstraat (ca. 40 tentoonstellingen en
80 kunstprojecten buiten de muren)
2005–heden: directeur Mothership bv. (meer dan
250 projecten met ca. 100 kunstenaars)
2012–heden: oprichter Threesome (stage),
oprichter/eigenaar House of Ababa, oprichter/
directeur Mothership Art Foundation
1998 tot heden: bestuurslid van diverse culturele
organisaties, lid van jury’s, ambassadeur
Stadsinitiatief
Jeroen Everaert in het kantoor van Mothership aan de Delftsestraat, Rotterdam
Tweedekans kunstenaar
Ik laadde al het werk dat ik had gemaakt en
dat bewaard was gebleven in een aanhangwagen en met die wagen vol spullen reed ik
naar de toelating. Ik stampte een heel klaslokaal vol spullen en ik werd aangenomen.
Vier jaar later studeerde ik af als autonoom
kunstenaar met als specialisme driedimensionaal. Op de dag van mijn diploma-uitreiking heb ik, heel theatraal, als een soort
feestje, mijn ontslagbrief ingediend. Ik verkocht mijn huis en auto en begon mijn kunstenaarschap.
De tijd op de academie was een leuke,
maar ook heel intensieve tijd. Ik zat in een
klas met allemaal tweedekansers, mensen
die erg eager zijn om hun ding te doen; ieder
van ons deed de kunstacademie naast een
baan. Het was een hechte groep; ik heb er
mijn vrouw ontmoet. Met de dagstudenten
hadden we geen aansluiting, maar de docenten gaven ons energie. Overdag een bedrijf
runnen en ’s avonds studeren kan alleen
als je heel gemotiveerd bent. Ik probeerde
de studie zoveel mogelijk naar mijn hand
te zetten en de docenten begrepen dat, die
herkenden mijn ambitie.
Mijn kunstenaarschap begon niet slecht.
Ik verkocht hier en daar wat, had tentoonstellingen en kreeg aandacht. Ik maakte een
ontwerp voor een digitale grafsteen en daarmee scoorde ik veel publiciteit. Waar ik me
geen rekenschap van had gegeven is de eenzaamheid van het vak. Ik zat in mijn atelier,
een megagrote zolder, een soort antikraak, te
warm in de zomer en te koud in de winter. Ik
zat er ’s ochtends vroeg al, want ik had mijn
oude werkritme van de bouw nog, maar had
veel te weinig aanspraak. De motivatie in
jezelf vinden om in je eentje aan de slag te
gaan, dat vond ik het moeilijkste van het vak.
Showroom MAMA
Inmiddels was ik in contact gekomen met
Boris van Berkum, ik kreeg een tentoonstelling bij Showroom MAMA die hij net had
opgezet. Boris vroeg of ik voor hem wilde
komen werken, maar ik dat wees ik af. Ik
wilde niet onder hem werken, maar wel met
hem samenwerken. Dat hebben we toen zo
geregeld. Ik kwam terecht in een wereld die
ik helemaal niet kende: die van een culturele
instelling met een bestuur dat eindverantwoordelijk was en met subsidies. Showroom
MAMA had een heel stevig bestuur met goede
Foto Dana-Romina
relaties met de gemeente. Een enorme eye
opener. Ik was tot op dat moment alleen de
commerciële wereld van de bv’s gewend.
Ik heb jaren met Boris samengewerkt en
MAMA gerund. We vulden elkaar goed aan,
Boris was niet zo gestructureerd en ik wel.
Ik heb er een heel leuke tijd gehad, maar het
was in het begon niet makkelijk. Veel ploeteren, elke maand was het een gevecht om die
dure ruimte te kunnen betalen. Op een gegeven moment kregen we structurele subsidie
van de gemeente en dat werd gematched
door het rijk. Toen werd het wat makkelijker.
Achteraf hoorden we dat de Showroom door
de politiek als goed voorbeeld van jongerencultuur werd gezien; politici liepen graag
met ons te koop. Maar dat ontging ons op
dat moment helemaal. Ik ben nog steeds
connected met MAMA, ik ben er trots op dat
ik er aan heb meegewerkt.
Inmiddels werkt Mothership in heel
Nederland. We hebben nu zo tussen de 250
en 300 werken gerealiseerd. Veel projecten
waarmee we beginnen worden uiteindelijk
niet gerealiseerd. In het begin lukte één op
de tien, nu drie op de tien. Vaak krijg je de
financiering van een schetsplan niet rond
of wordt er toch voor een andere kunstenaar gekozen. Mothership groeide de afgelopen jaren door de economische terugval
langzaam. Soms hadden we aan het eind
van het jaar een plusje, soms een minnetje,
maar over de hele periode speelden we kiet
en nu is er weer wat groei. Er werken op dit
moment tien mensen bij Mothership. We zijn
een hechte groep; nu pas gaat de eerste weg.
Er werken niet veel beeldend kunstenaars,
we zijn eigenlijk allemaal regelaars, dienstverleners, bemiddelaars, geen kunstenaars
die zelf ontwerpen.
Enter the Mothership
Boris en ik hadden Mothership oorspronkelijk opgericht om met commerciële projecten
geld te verdienen voor MAMA, eigenlijk met
het idee om MAMA op den duur onafhankelijk te maken van structurele subsidie. Dus
dat deden we toen al, cultureel ondernemerschap. Maar Boris ging een andere kant op,
hij wilde meer museaal tentoonstellen en ik
was eigenlijk vooral bezig met opdrachten
en klanten. Toen we ook problemen kregen met de rijkssubsidie en het Mondriaan
Fonds ook moeilijk ging doen besloten we uit
elkaar te gaan. We hadden het gevoel dat we
niet beloond maar bestraft werden voor ons
succes als cultureel ondernemer. Ik kocht
Boris uit en ging in 2004 door met Mothership en maakte er een organisatie van die
zonder subsidie, gewoon op commerciële
basis, kunstprojecten kan realiseren in de
publieke ruimte.
Toen ik me losmaakte van Showroom
MAMA en met Mothership doorging besloot
ik niet langer zelf kunstenaar te zijn. In
Mothership kan ik alles verenigen wat mij
drijft. Alles komt samen in Mothership: mijn
liefde voor de kunst, mijn missie om kunst
onder de mensen te brengen en het regelwerk, het bemiddelen tussen kunstenaar en
opdrachtgever. Maar ook met mijn achtergrond als verkoper. Dat zijn de pijlers waarop
ik Mothership heb opgebouwd. Dit is alles
wat ik wil; ik ben er van overtuigd dat ik sterf
in dit harnas.
De stijl van Mothership
Mijn missie is eigenlijk simpel: ik wil een
groot publiek enthousiast krijgen voor kunst.
Juist bij kunst in de publieke ruimte is het
publiek erg breed. Wij maken werk dat goed
toegankelijk is, dat met het hart te begrijpen
is, niet met de hersenen. We werken niet voor
publiek dat makkelijk een kaartje voor een
museum koopt. Wij willen met onze kunst
toegankelijk en begrijpelijk zijn. We willen
geen kunst brengen waarvoor je gestudeerd
moet hebben om het te begrijpen. Mensen
hoeven niet te weten dat het kunst is, als ze er
maar van kunnen genieten. We werken in de
traditie van de pop art. Ik vind het werk van
Rotterdamse kunstenaars als Cor Kraat en
Hans Citroen, hun vroegere samenwerking
in ‘Kunst en Vaarwerk’, voor ons een groot
voorbeeld. Er is langzamerhand wel een
eigen Mothership-stijl gegroeid. Misschien
zou je onze stijl, ons palet, wel die typische
‘Rotterdamse stijl’ kunnen noemen.
Ik kende al een aantal kunstenaars van
MAMA en het adresboekje breidde zich
daarna uit. Soms melden kunstenaars zich
uit eigen initiatief bij ons, al dan niet met
een plan. Anders dan een galerie hebben
wij niet een vaste ‘stal’ van kunstenaars, we
hebben geen exclusieve contracten met ze.
Dat willen we ook niet, we willen voor iedere
opdracht de beste kunstenaar uit kunnen
zoeken. De taakverdeling tussen Mothership en de kunstenaar varieert. Sommige
kunstenaars hebben de ambitie om bijna
alles zelf te doen, dat is prima. Bij ons komen
kunstenaars die een deel, soms een groot
deel van het werk aan ons overlaten. Als het
nodig is doen wij alles, behalve het maken
van het schetsontwerp want dat is het creëren van het kunstwerk. Ik vind wel dat een
kunstenaar moeite moet doen om te weten
hoe het werkt en mee moet blijven lezen in
de begroting en de contracten, zich niet moet
laten belazeren. Ik vraag me bij de selectie
van kunstenaars ook niet af of ze ‘goed’ zijn,
wel of ze ‘lief’ zijn. Daarmee bedoel ik: kun
je met ze werken? Kun je er een werkbare
verhouding mee hebben? Houden ze zich
aan de afspraken? En ze moeten ‘ruimte’ aan
kunnen. Het grote formaat van kunst in de
publieke ruimte kent eigen wetmatigheden,
is anders dan atelierkunst. En ze moeten in
het palet van Mothership passen.
Selectie van kunstenaars
Ik ga niet actief op pad om kunstenaars te
vinden door het bezoeken van ateliers of tentoonstellingen. Het hoeft ook eigenlijk niet,
we krijgen voldoende aanbod en via internet
zien we heel veel. Eigenlijk komen de meeste
nieuwe kunstenaars bij ons binnen via de
kunstenaars met wie we al eerder werkten,
die vragen we naar talenten die hen opvallen.
Kunstenaars dragen elkaar aan, zitten vaak
op dezelfde golflengte. Ze weten wie er in
ons palet passen.
Je zegt dat er vooral jonge blanke mannelijke kunstenaars met Mothership werken? Dat is zeker geen bewuste keuze. We
denken niet: zijn we zwart of wit? De eerste
jaren waren we wel een jongensclub, dat hebben we toen veranderd; we zijn nu ongeveer
50/50. En de laatste jaren hebben we veel
werk van vrouwelijke kunstenaars gerealiseerd. In de beeldende kunst zijn vrouwen
sowieso al in de meerderheid en dat begint
nu ook in de wereld van de kunst in de buitenruimte zichtbaar te worden. Kunstenaars
met een niet-westerse herkomst in deze sector van de beeldende kunst zijn er nauwelijks, eigenlijk alleen wat in de graffiti scene.
Dat is een aanbodprobleem.
Opdrachtgever
Het initiatief voor een project ligt soms bij de
kunstenaar die met een plan komt, soms bij
de opdrachtgever die een kunstenaar zoekt
voor een bepaalde plek of een bepaald doel.
Een duidelijke ontwikkeling de laatste tijd is
4
Puntkomma juli-september 2014
Een man met een missie
Puntkomma juli-september 2014
5
Festivalstad Rotterdam
Festivalstad Rotterdam
Foto Dana-Romina
Meer dan 250 gerealiseerde kunstwerken passen niet meer op de wand
dat opdrachtgevers naar ons toekomen met
de vraag naar matching van het budget. De
opdrachtgever is dan niet in staat het project helemaal zelf te betalen en wij moeten
op zoek naar aanvullende middelen. Zoals
materiaalsponsoring, want geld geeft men
nog maar zelden. Wij zoeken dan partners,
kijken wie er nog meer belang bij de realisering van het project kan hebben. Welke
bedrijven zouden dit project willen dragen?
Dat is een andere manier van denken, maar
het is wel de tendens.
We hebben geen particuliere markt, we
werken met organisaties als opdrachtgever.
We werken met allerlei soorten opdrachtgevers: overheden, woningbouwverenigingen. Een groeiende groep zijn projectontwikkelaars. Die hebben tegenwoordig het
probleem dat ze panden ontwikkelen maar
moeilijk aan huurders of afnemers kunnen
komen. Wij maken met onze kunstprojecten
hun panden aantrekkelijk door ze bijzonder
te maken, door ze een toegevoegde waarde
te geven. Daarmee worden ze beter verkoopen verhuurbaar. Wat we de laatste jaren niet
meer doen zijn festivals. Dat hebben we in
het begin wel gedaan, maar de festivals hebben praktisch geen budget meer.
Subsidies
Het is duidelijk dat de overheid zich terugtrekt. Dat betekent aan de ene kant minder
geld voor kunst, maar aan de andere kant
ook dat in de kunstwereld op een andere
manier dingen worden geïnitieerd. Ik zie veel
jonge kunstenaars en kleine clubjes dingen
doen, uit liefde en niet om de subsidie. Een
jongehondenmentaliteit. Er zijn allerlei initiatieven opgekomen, zoals de Opperclaes,
De Witte Slagerij, Bier & Brood. Ik ben niet
tegen het subsidiëren van kunst, subsidie
heeft ook een doel en kan iets veroorzaken.
Maar het is belangrijk dat er naast het subsidiecircuit ook van alles gebeurt. Toen ik van
de academie kwam was het aanvragen van
een startstipendium het eerste wat je deed en
zo rolde je van de ene subsidie in de andere.
Dat is nu niet meer het geval en dat heeft ook
een positieve kant.
Ik ben nu zo’n negen en een half jaar uit de
subsidiewereld weg. Toen we in MAMA nog
met subsidies werkten was alles veel minder
strikt dan nu. Er wordt nu veel te veel verantwoording vooraf gevraagd. Tegenwoordig
moet je eerst uitgebreide plannen schrijven.
Ik ben er voor dat de overheid subsidie geeft
op basis van vertrouwen in een kunstenaar
en project en dan achteraf controleert wat
er is gebeurd. Tegenwoordig is een kunstenaar teveel een plannenschrijver die te
weinig tijd overhoudt voor een zorgvuldige
uitvoering. Het aanvragen van subsidies is
een bedrijfstak op zich geworden. Ik zou het
van aanpak en een marketingplan, maar ze
leren niet goed om die plannen ook uit te
voeren, daadwerkelijk te produceren. Het
regelen en verkopen van plannen komt in
de opleidingen vaak op de tweede plaats.
Terwijl jongens en meiden die iets kunnen
regelen goud waard zijn.
Bij Threesome strijden twee teams van
drie derdejaars studenten van verschillende
disciplines tegen elkaar bij het verwerven,
ontwikkelen en uitvoeren van projecten.
Die projecten zijn echt, de studenten wer-
“We missen in Rotterdam en
in Nederland een sterke
infrastructuur van goede
galeries, en een ontwikkelde
kunstmarkt.”
willen omdraaien: geen uitvoerige plannen
schrijven, maar uitvoeren, doen en dan achteraf beoordeling door de subsidiegever. Laat
de subsidiegever zelf de verantwoordelijkheid nemen en opdrachtgever worden.
Threesome
Het stageproject Threesome hebben we op
eigen initiatief voorgelegd aan de nieuwe
directie van de Willem de Kooning Academie. Ik zit in de werkveldcommissie van de
opleiding Vrijetijdsmanagement van de academie en zowel wij als de directie wilden de
opleiding versterken met een helder profiel waarin management en cultuur worden
gekoppeld. Dat vind ik zelf van groot belang.
Een knelpunt is namelijk dat de studenten
nu wel leren plannen te schrijven, een plan
ken direct voor mijn klanten aan bestaande,
wat kleinere projecten. De teams zijn kleine
Mothershipjes. We geven ze bij de start veel
vertrouwen, laten ze alles zelf uitzoeken, we
vertellen ze niets. Vlak voor de presentatie
aan de klant presenteren ze voor ons en het
andere team en daarna kunnen ze hun plan
bijschaven. De klant kiest. Slaagt het project,
dan krijgen ze ook alle credits. Zo realiseren
we vijf tot acht opdrachten in een half jaar
tijd. Het is hard werken voor de studenten
en ze maken in het begin allemaal dezelfde
fout: ze steken tachtig procent van hun tijd in
het maken van een plan van aanpak en gaan
dan pas beginnen. Het traject is een hele
mooie kans voor studenten, maar helaas kost
het moeite om ze te werven. Het is moeilijk
omdat de stage periodes niet gelijk lopen
waardoor niet alle studenten tegelijk stage
kunnen lopen.
Toptalenten
We hebben als Nederland op verschillende
terreinen van de kunst toptalenten die internationaal meetellen, in de muziek, dj’s, architecten, designers, grafische kunstenaars. In
de wereld van de beeldende kunst tellen we
niet echt mee in de internationale top, niet
omdat we geen talent hebben, maar omdat
we een te kleine infrastructuur hebben van
bemiddelaars, galeries en producenten om
de kunstenaars verder te brengen. Ik denk
altijd maar aan het voorbeeld van Anton
Geesink. Door zijn rolmodel, zijn grote populariteit als Olympisch kampioen onder de
kids kwamen overal judoscholen, deze gingen weer tegen elkaar sporten in competities
en daardoor kwamen talenten boven drijven.
Eerst was het judo en karate, nu is het kick
boksen. Daarom draagt Nederland bij aan de
wereldtop van het kick boksen en dat komt
dus door de infrastructuur van sportscholen,
trainers, managers en makelaars die door de
jaren heen is gegroeid en de basis heeft gelegd
voor wereldsucces. Dus: we hebben een voorbeeld, mensen worden enthousiast, er komt
vraag en daardoor ontstaat er een infrastructuur en een markt. Dat zou ik ook voor de
beeldende kunst willen. Meer voorbeelden,
meer rolmodellen, meer bemiddelaars, waardoor kunstenaars naar een hoger en internationaler plan kunnen worden getild. Ik zou
willen dat het rijk, het ministerie van OCW,
daarin meer gaat investeren in.
We missen in Rotterdam en in Nederland
een sterke infrastructuur van goede galeries,
en een ontwikkelde kunstmarkt. We hebben
meer bemiddelaars, mediators, galeriehouders en kunstproducenten nodig die een
brug slaan tussen opdrachtgevers en kunstenaars. Ik wil meer concurrentie. Hopelijk
worden de studenten die wij bij Threesome
opleiden onze concurrenten, beginnen ze
voor zichzelf. Ook zij zullen uiteindelijk een
eigen stijl kiezen, een eigen markt creëren
met eigen klanten, een eigen palet voeren,
net zoals Motherschip nu voor een eigen
‘Rotterdamse’ stijl staat. Daar wordt de markt
alleen maar beter van.” —EV & HB
Woordnacht bracht terecht deze culturele as weer eens onder
de aandacht. Met de opening van het nieuwe Centraal Station
en de rode loper zou de culturele as de komende tijd een
renaissance kunnen beleven. De as kennen we de laatste
jaren vooral van de beelden, maar werd voor Woordnacht
ingezet door een keur van verrassende plekken om te toveren
tot een podium voor woordkunst. Drie kerken, een particulier woonhuis, galerieën, verschillende horecagelegenheden, culturele instellingen, maar ook het politiebureau en
het zwembad van het revalidatiecentrum Rijndam deden
mee. Die 23 locaties werden breed geprogrammeerd: het
HipHopHuis aan de Delftsestraat net buiten de as en de
Arminius met ‘jonge’ vormen van literatuur zoals spoken
word. De Pauluskerk slaagde erin dichters uit eigen stal te
combineren met de ‘officiële’ literatuur, terwijl aan de andere
kant van het spectrum in Sociëteit De Harmonie een literair
zeer verantwoord maar ook erg geestig gesprek met Thomas
Rosenboom plaatsvond.
Maar wie had tijd om alle 23 locaties af te lopen, locaties
waarop veelal meerdere programma-onderdelen te beluisteren waren? Horecagelegenheid Nostra telde die avond maar
liefst 11 onderdelen. Alles tezamen meer dan 125 activiteiten,
te bezoeken tussen 20.00 en 00.30 uur. (Woordnacht eindigde nogal vroeg in de nacht.) Dat is gekkenwerk, leuk als
er duizenden bezoekers zijn, maar dat haalde Woordnacht
deze eerste keer bij lange na niet. De marketing was niet
erg intensief. Wekenlang zagen we in de stad alleen posters
en flyers met cryptische teksten waarover de vormgever op
artistiek verantwoorde wijze door de drukker reeds graffiti
had laten aanbrengen. Hierdoor kreeg je de stellige indruk
dat de posters er al maanden hingen en het feestje al lang
voorbij was. Jammer, maar hopelijk komt er een volgende
keer en herneemt de organisatie zich.
Het Blaakse Bos tijdens ZigZagCity
Rotterdam is een festivalstad. Dat vinden wij niet alleen, dat vinden ook internationale
organisaties die de hele wereld overzien en die Rotterdam regelmatig prijzen voor zijn
festivalbeleid. Rotterdam is al ten minste vijfentwintig jaar een echte festivalstad vol kleine en
grote festivals en openluchtevenementen. Het begon in de jaren zeventig en kreeg vaart in
het begin van de jaren negentig met de oprichting van Rotterdam Festivals, een organisatie
die regelt, ondersteunt en nieuwe initiatieven neemt. Hoe staan de festivals er nu voor en wat
valt op? Puntkomma bezocht enkele festivals die in mei en juni werden gehouden. Hoe
vernieuwend is het aanbod eigenlijk? Hoe wordt met het publiek gecommuniceerd? Wat
heeft de stad er aan? En wat viel op? Een verslag van een persoonlijke keuze uit het rijke
festivalaanbod gedurende deze twee maanden.
Door Hugo Bongers
F estivals zijn goed voor de stad
aarom zijn festivals interessant voor een stad? Waarom
spannen zoveel steden over de heel wereld zich in om een
‘festivalbeleid’ te hebben? De antwoorden liggen voor de hand:
Festivals geven kleur aan de stad, dragen bij aan de identiteit.
Festivals hebben alles te maken met de profilering van de stad,
met de marketing ervan. Festivals verhogen de beleveniswaarde
van de stad, maken die aantrekkelijk om er langer te verblijven.
Vooral in de binnenstad is plaats voor festivals, maar ook
woonwijken en perifere gebieden worden als festivallocatie
gebruikt, als ze maar een exotisch tintje hebben (zoals de Rotterdamse Onderzeebootloods op de Heyplaat). Panden in de
sfeer van ‘industrieel erfgoed’ zijn een geliefde festivallocatie.
Het interessante van festivals is het live karakter ervan.
Alles gebeurt hier en nu, de bezoeker neemt deel en kan de
optredende kunstenaars (bijna) aanraken. Kunstenaars zijn
meestal aanspreekbaar, zoals de filmmakers bij het filmfestival en de dichters bij het poëziefestival. Er zitten geen
schermen tussen het gebeuren en de bezoeker. De sfeer is
levendig, de bezoeker dwaalt vaak van de ene activiteit naar
de andere (het polsbandje is een nuttige uitvinding voor
festivals). Onderweg is meestal goed te eten en te drinken.
Belangrijk voor een festival is het vernieuwende aanbod
in de keuze die een festivalorganisator of artistiek leider heeft
gemaakt. Een festival brengt vaak onbekend aanbod van
heinde en verre. Wat moet je zien en waarom? De scheidende
artistiek leider van het Holland Festival, Pierre Audi, zei het
onlangs zo: “De functie van het festival is naar mijn mening
dat mensen hun agenda leegmaken om vanuit een blanco
basishouding in korte tijd veelvoudig verrast te worden. (…)
Mensen moesten gaan begrijpen wat het festival beoogt,
durven vertrouwen op het aanbod.” (NRC Handelsblad 22
mei 2014) Vertrouwen op het aanbod, dat doe je als je naar
W
een festival gaat. Dat is een andere houding dan als je een
kaartje koopt voor één bepaalde voorstelling, met wellicht de
recensie onder handbereik. De boodschap van een festival
is: Laat je maar verrassen en ga naar iets kijken of luisteren
waar je tevoren geen idee van hebt.
World Food Festival 2013
Rotterdam Festivals en andere partijen nemen regelmatig initiatieven voor nieuwe festivals. Vorig jaar had Rotterdam een
grote klapper met het World Food Festival. Een nieuw festival
en direct een groot succes: ruim 80.000 bezoekers kwamen
naar het evenement dat met 120 programma-onderdelen
gedurende vijf weken op veel plekken in de stad te zien was,
met een centrum in het Museumpark. Meer dan 100 horecainstellingen, voedingswinkels en culturele instellingen deden
mee. De theatervoorstelling ‘Patatverhalen’ die nabij de
filialen van Bram Ladage herhaaldelijk werd opgevoerd illustreert de laagdrempeligheid. Een mooi voorbeeld van een
geslaagde vernieuwing van de festivalformule.
Woordnacht
Het literaire festival Woordnacht is nieuw in de stad en introduceerde twee opvallende, positieve kwaliteiten. Het bracht
de culturele as van Rotterdam weer eens onder de aandacht
en het toonde naast gevestigde literatuur ook werk van jongeren en vernieuwende vormen van woordkunst. De 23
locaties waarop Woordnacht plaatsvond waren grotendeels
gerangschikt langs of vlakbij de route vanaf het Centraal
Station tot aan de Westzeedijk. Die route werd deze keer de
‘literaire as’ genoemd, maar sinds het begin van de jaren
negentig kennen we die ook als ‘culturele as’, een as die ter
hoogte van de Arminius kruist met de ‘kunstas’ van de Witte
de Withstraat en het Museumpark.
Poetry International
Woordnacht beleefde zijn eerste aflevering en kenmerkte
zich door in de volle breedte van het literaire leven te programmeren op een keur aan uiteenlopende podia, daarmee
pogend een nieuw festival format te introduceren. Hoe staat
het inmiddels met Poetry International die in de niche van
de dichtkunst opereert? Op het eerste gezicht heeft Poetry
International alles mee om een doodsaai festival te zijn. In
essentie komt iedere aflevering van het festival neer op een
rijtje dichters uit de hele wereld en in Rotterdam verzameld
die, staand op een podium achter een lessenaar, hun gedichten voorlezen. Dat is de essentie van het hele gebeuren en
als er niet een trouw publiek was dat geboeid luistert naar
zo’n ouderwets fenomeen als voorlezende dichters dan zou
dit festival al lang zijn wegbezuinigd. Maar dat publiek is er,
ook op deze 45ste editie. Het festival is twee jaartjes ouder
dan het International Film Festival Rotterdam dat volgend
jaar zijn 44ste aflevering kent. Poetry is dus het oudste culturele festival van Rotterdam, vrucht van de op vernieuwing
gerichte jaren zeventig toen de festivalformule in Rotterdam werd uitgedacht als middel tot drempelverlaging en
publieksvergroting.
Poetry International houdt zich niet alleen staande door
een trouw en bijzonder geconcentreerd publiek. (Een Rotterdamse dichter die door een hoestaanval werd overvallen
sloop stilletjes weg uit de zaal om zijn collega niet langer te
storen.) Ook de formule, het format, wordt regelmatig vernieuwd. Lang geleden verliet Poetry al op de zondagmiddag
het podium van de Doelen om dichters op een podium in Het
Park bij de Euromast in de zon te laten zweten. Die middag
werd Poetry in het Park, later het Dunya Festival dat nu is
opgegaan in Rotterdam Unlimited; dichters komen we daar
niet meer tegen. Inmiddels ziet een festivaldag van Poetry
er afwisselend uit, met een optreden in het NN DE Café, een
gallery tour, een picknick in Arboretum Trompenburg, een
vertaalprogramma, een dagelijkse talkshow, gesprekken met
dichters, specials over bijvoorbeeld nieuwe media of over de
relatie tussen poëzie en wetenschap, een dichtersestafette
of een prijsuitreiking. Afwisseling volop en in de foyer van
de Rotterdamse Schouwburg waar het festival lang geleden
naar toe is verhuisd zijn de dichters tussen de bedrijven door
aanspreekbaar.
De talkshow in de foyer van de Schouwburg werd deze
keer gepresenteerd door Daniel Dee, momenteel stadsdichter van Rotterdam. Wellicht is Dee een vaardig dichter,
maar als anchor van een talkshow valt hij tegen. Wij zijn
in Rotterdam wellicht verwend met de flux de bouche van
collega-literator en talkshow host Ernest van der Kwast; in
vergelijking daarmee is Dee nogal saai en weinig uitgesproken. In de overige presentaties van Poetry viel Marjolijn van
Heemstra, dichter en regisseur bij het Ro Theater, wel op, een
Puntkomma juli-september 2014
uitgesproken theaterpersoonlijkheid die hopelijk volgend
jaar een talkshow mag presenteren.
Poetry International heeft de laatste jaren een sterke band
met beeldende kunst. Niet alleen is de grafische vormgeving
van de Poetry-uitingen van hoog niveau, er is een ook dagelijkse tocht langs de belangrijkste galeries van de stad waar
dichters optreden, de Language & Art Gallery Tour. Ook de
decors achter de optredende dichters, debatten en andere
evenementen zijn afbeeldingen van met zorg geselecteerde
kunstwerken.
Poetry International is meer dan een jaarlijks festival, het
is ook een enorme verzameling van kennis over dichters.
Honderden dichters met biografieën, artikelen, gedichten
en vertalingen zijn opgenomen op de website van Poetry
International. Het is een constant vernieuwde en aangevulde
kennisbron, een netwerk van informatie voor dichters en
geïnteresseerden van over de hele wereld. Een sterk punt van
Poetry International is dat het een publieksgericht festival
goed weet te combineren met het in stand houden van zo’n
internationale community van dichters en vertalers.
Stand Out To Sea
Een klein, bescheiden festival van twee dagen rondom de
Leuvehaven en de scheepshelling Koningspoort aan de Oude
Haven. Stand Out To Sea, wat zoveel betekent als ‘het ruime
sop kiezen’, heeft de prettige eigenschap niet al te pretentieus
te willen zijn. De production value is laag: een eenvoudig
podium met een eenvoudige geluids- en lichtinstallatie,
weinig beveiliging en EHBO op het terrein, drukwerk uiterst
eenvoudig, één bar en één eettentje. Ongetwijfeld allemaal
door geldgebrek, maar het leidde wel tot een vriendelijk festivalletje dat voor mensen die in schepen zijn geïnteresseerd
aardig moet zijn. Een tegenhanger van de juist bijzonder
grootschalige Wereldhavendagen.
De vernieuwing die de organisatie deze keer probeerde te
introduceren mislukte wel. Het optreden van Harry Merry,
een musicus die in een kleine Rotterdamse cultwereld populair is, als hoofd act op de zaterdagavond trok nauwelijks
publiek, ondanks het vormloze matrozenpak waarin de vals
zingende musicus zich had gestoken. Dan pasten de verhalenvertellers en troubadours die optraden in het binnenste
van het stokoude veenschip ‘Annigje’ een stuk beter in de
formule, die wat oubollig oogt maar wel past in de naar nostalgie ruikende omgeving van historische schepen.
Dutch Electronic Arts Festival (DEAF) Biënnale
Het DEAF festival wordt sinds 1994 georganiseerd door de
Rotterdamse kunstinstelling V2, een ‘interdisciplinair centrum voor kunst en mediatechnologie’. Twee jaar geleden is
DEAF onafhankelijk geworden en is V2 een van de partners.
In deze editie van DEAF was Het Nieuwe Instituut (HNI) een
duidelijk aanwezige nieuwe partner. Niet alleen vonden de
meeste bijeenkomsten en de hoofdtentoonstelling in HNI aan
het Museumpark plaats, ook medewerkers van dit instituut
waren nadrukkelijk aanwezig bij de vele seminars, workshops,
presentaties en debatten waaruit DEAF voornamelijk bestaat.
DEAF is als festival moeilijk plaatsbaar. Het festival hult
zich in de vermomming van een academische conferentie.
De vorm is die van een drie dagen durende wetenschappelijke conferentie met key note speakers, lezingen, debatten
en individuele presentaties van wetenschappers en ontwerpers. De voertaal is altijd Engels en onder het publiek zijn
nauwelijks Nederlandstaligen op te merken. Rotterdamse
kunstenaars ontbreken praktisch geheel. De relatie met de
stad is inhoudelijk losjes, eigenlijk afwezig. DEAF presenteert
zich als een internationale conferentie met technologie als
uitgangspunt maar met oog voor de noodzaak om die technologie in een artistieke, esthetische of theatrale vorm te
gieten om zo des te beter het verhaal te kunnen vertellen.
Maar welk verhaal eigenlijk? Centraal in de key notes en
de hoofdtentoonstelling in HNI stond deze keer het begrip
‘The Progress Trap’. In essentie gaat het daarbij om de stelling, dat de technische vooruitgang de mensheid niet alleen
voordelen heeft gebracht. “Het ‘experiment’ van beschaving
dreigt nu de natuurlijke wereld waarvan het afhankelijk is,
te overweldigen” stelt de catalogus ter toelichting op de key
note van de bedenker van het begrip progress trap. Een variant op de vraagstelling die gedurende de gehele twintigste
eeuw door denkers aan de orde is gesteld: Hebben de Verlichting en de technologische vooruitgang niet vooral veel
rampspoed over de mensheid uitgestort in plaats van hun
belofte van toenemende beschaving en groeiende humaniteit na te komen? Daarmee voegt het thema van DEAF zich
in een gesprek dat al erg lang aan de gang is. Het werd niet
erg duidelijk waarom we er nu verder over moesten praten
en hoe de verschillende onderdelen van de conferentie
(zoals die over het gebruik van drones als artistieke project
en middel tot politiek activisme) binnen het thema progress
trap pasten.
De hoofdtentoonstelling in de grote zaal van HNI, naast de
conferentie bedoeld voor een groter publiek, kreeg eveneens
een weids thema mee: “De tentoonstelling The Progress Trap
adresseert de huidige technocentrische visie op vooruitgang
en is een maatschappelijk commentaar op de verleiding van
technologische innovatie.” Even weids is de keuze van de
12 tentoongestelde werken. Te zien waren enkele bekende
6
museale werken, zoals een ouder object uit 1994 van de
uitvinder van de video- en mediakunstkunst Nam June Paik.
Een werk van de Amerikaanse kunstenares Jenny Holzer,
bekend van haar installatie bij de ingang van vertrekhallen 1
en 2 op Schiphol. De met veel publiciteit omgeven in Ghana
geassembleerde auto Turtle 1 van Melle Smets en Joost van
Onna, te zien geweest op de laatste Art Rotterdam. Foto’s van
Lucas Foglia uit een grotere serie over mensen in de VS die
‘zelfvoorzienend’ proberen te leven. Allemaal werken die al
redelijk bekend zijn. Daarnaast enkele interactieve werken
waar niet veel kraak of smaak aan zat. De meest veelbelovende, The Blind Robot van Louis-Philippe Demers (een
robotarm tast voorzichtig het lichaam en het gezicht van de
bezoeker af, alsof er een blind iemand tegenover je zit) was
kapot. Al met al een betrekkelijk willekeurige, overbodige en
weinig actuele tentoonstelling. Een tweede kleine tentoonstelling in het eigen huis van V2 was vooral een documentaire
tentoonstelling met werk van studenten van een Londense
opleiding, gericht op biotechnologie.
Ook DEAF is een community van mensen die elkaar kennen, die althans elkaars werk kennen en die op elkaar reageren. Het is nuttig voor de voortgang van hun werk dat ze
elkaar af en toe ergens op de wereld zien en spreken. Wat
DEAF mist in vergelijking met Poetry International is het
vermogen om het festival daarnaast voor een breder publiek
aantrekkelijk te maken. De tentoonstelling in HNI is te slap,
te onspectaculair om dat doel te bereiken. DEAF doet weinig
moeite zich met de stad te verbinden.
“De boodschap
van een festival
is: Laat je maar
verrassen en
vertrouw het
aanbod.”
Kunstweekend Charlois
Onder de titel This could be Rotterdam or anywhere toonde
het Kunstweekend Charlois nogal wat buitenlandse kunstenaars die in deze zuidelijke wijk van Rotterdam zijn neergestreken, plus een aardig contingent autochtonen die profiteren van het aangename kunstklimaat dat de laatste jaren
in Charlois is ontstaan. Kunstweekend Charlois is een van
de jaarlijkse atelier- of kunstroutes die in sommige wijken
van de stad worden georganiseerd. Kunstroutes brengen een
geïnteresseerd publiek in direct contact met kunstenaars
(veelal buiten galeries om) op laagdrempelige locaties.
Onder de artistieke leiding van kunstenaar Ties ten Bosch
werd in Charlois kwaliteit geleverd: verrassende locaties,
goede kunstenaars en zinvolle nevenactiviteiten in de vorm
van rondleidingen, wandeltochten, workshops, muziek en
performances. Vergeleken met de vorige editie waren de
kwaliteit van de werken, de organisatie en de marketing
met sprongen vooruit gegaan. Dat de marketing zich nu op
publiek in heel Rotterdam richtte was terecht, zoveel kwaliteit
heeft het weekend inmiddels wel.
De prijs voor de meest originele locatie gaat naar de Rotterdamse kunstenaar Gilbert van Drunen die in een kamertje
zonder daglicht in de klokkentoren van het oude kerkje van
Charlois, slechts te bereiken door enkele gevaarlijk ogende
steile trappen te beklimmen, een mooie selectie portretten
had opgehangen. Prima activiteit, zo´n weekend, voor wie
rustig kuierend of fietsend het verkennen van onbekende
straten, pleinen en gebouwen wil combineren met het bekijken van zeer afwisselende kunstuitingen. Kunstroutes nodigen nu eenmaal uit tot slenteren, flaneren en de stad ontdekken, versterken daarnaast ook de identiteit van een wijk.
Operadagen Rotterdam
Operadagen Rotterdam is een omvangrijk festival; in 9 dagen
100 voorstellingen en evenementen van 32 projecten. Veelal
zijn de voorstellingen nieuw of onbekend; vertrouwen op de
Festivalstad Rotterdam
smaak van artistiek leider Guy Coolen is dus een must voor
de festivalbezoeker. Opera in de traditionele betekenis kom je
in dit festival niet vaak tegen. De gekozen locaties zijn veelal
bijzonder. Vorig jaar speelde een deel van Operadagen zich af
in de oude gevangenis aan de Noordsingel, nu was naast de
vertrouwde theaters de Onderzeebootloods op de Heyplaat
een sfeervolle locatie, plus enkele kerken, Roodkapje, een
sexclub en het dak van de Bijenkorf. Het festivalthema was
deze keer ‘(R)evolutie en broederschap’ en dat thema bleek
breed genoeg geïnterpreteerd te kunnen worden om veel
bijzondere voorstelling naar Rotterdam te halen.
Operadagen Rotterdam is sterk in het schuren langs de
marges van het begrip ‘opera’. Veel voorstellingen zullen door
het publiek niet direct als ‘opera’ worden herkend, eerder is
de vagere term ‘muziektheater’ van toepassing. Spelen met
de grenzen van het genre, dat kenmerkt dit festival (en overigens veel kunstuitingen van de laatste tijd). Het optreden
van Timur and the Dime Museum, door de organisatie betiteld als een glam-indie-rock-opera band, had prima op een
poppodium plaats kunnen vinden. De tenor Timur galmde
in een hedendaagse dodenmis waarin milieurampen centraal staan. Soms half als man, half als vrouw gekleed. Het
optreden had de vocale pathetiek van Queen van Freddy
Mercury in zijn beste tijd. Queer sensitivity en camp, zo kun
je het optreden wel karakteriseren.
In de voorstelling Flyway van Elisabeth Dunn liep het
publiek onder leiding van een ‘gids’ in een klein groepje door
de stad, voorzien van een koptelefoon en een verrekijker.
Op gezette momenten zagen we door de verrekijker vogels.
Meestal op beeldschermen die ergens hoog in een gebouw
waren opgesteld, soms een echte broedende meerkoet. Door
de koptelefoon kwam een nogal ongenuanceerd elektronisch
geluidsgordijn. De voorstelling moet voor toevallige passanten wel opzien hebben gebaard, een groepje bird watchers
dat naar vogels op beeldschermen keek, maar mistte voor de
deelnemers theatrale spanning. Er gebeurde eigenlijk niets
onderweg en de afsluitende act van de ‘gids’ op een plateau
bij de Erasmusburg was niet meer dan een gymnastiekoefening. Geen theatrale opbouw, geen spanning, wel een
aardige optocht door de stad.
Cultureel erfgoed was een uitvoering van de Negende
Symfonie van Beethoven door het Rotterdams Philharmonisch Orkest in de Doelen. Ook erfgoed was de unieke vertoning van Robert Ashley’s televisie-opera Perfect Lives uit
1984 in theater De Gouvernestraat. Opvallend hoe actueel dit
multimediale werk van dertig jaar geleden nog steeds is en
wat goed van Operadagen en De Player om zo’n ouder werk
weer eens te tonen. Verdi’s opera Macbeth werd krachtig
gezongen door een all black cast voor een all white audience
in het Nieuwe Luxor Theater. De regisseur van deze uitvoering verplaatste de handelingen in het koningsdrama van
Shakespeare naar Oost-Congo; een rauwe verkrachtingsscène werd afgewisseld met zwaaiende machetes. Veel te
snel geprojecteerde teksten met te veel informatie over de
achtergronden van de constante oorlogen in Afrika (grondstoffen, imperialistische machtsuitoefening, stammenstrijd)
werden op het achterdoek geprojecteerd, naast pijnlijke
zwart-wit foto’s van slachtoffers. Spelers en zangers hebben
in hun persoonlijke leven te maken met het drama in Afrika.
Door die ervaring te projecteren op een westerse kunstvorm
(Shakespeare, Verdi, opera) scheppen ze een zekere afstand
en mede daarom werd het als kunstwerk invoelbaar.
Hoogtepunt was de voorstelling Van den Vos van de
Vlaamse toneelgroep FC Bergman, een veelvormig drama
met levende muziek op het podium, een voorstelling waarvoor de technische ploeg van de Rotterdamse Schouwburg
vier dagen aan het opbouwen was geweest. In dit stuk botsen
de twee tegengestelde karakters van vos en wolf op elkaar,
karakters die staan voor natuur en cultuur. De Essentie van
het Kwaad, daar gaat deze interpretatie van het middeleeuwse
epische gedicht ‘Van de vos Reynaerde’ eigenlijk over. De vos
is hier niet zozeer slim als wel een pure machtswellusteling,
een psychopaat. De wolf is de evenwichtige, twijfelende en
rationale mens van de Verlichting. In een duister en mistig
bos op het achtertoneel en rond het klotsende water van een
zwembad op het voortoneel wordt de strijd tussen deze twee
karakters getoond in ijzingwekkende, bloederige beelden.
Koning Nobel is hier niet een rechtsprekende vorst maar
een enge gigolo; zes amateurspelers treden op als drager
en slepen het ene slachtoffer van de vos na het andere weg.
Bij de toelichting op het nieuwe seizoensprogramma kondigde Schouwburgdirecteur Ellen Walraven onlangs aan,
dat zij de band met het gezelschap FC Bergman komende
seizoenen gaat versterken. Weer een opvallend huisgezelschap er bij in de Schouwburg? Dat zou goed nieuws zijn
voor toneelliefhebbers die een groter aanbod van spannende,
complexe en schurende voorstellingen willen zien.
De nieuwe voorstelling van Wunderbaum, het reeds vertrouwde ‘huisgezelschap’ van de Schouwburg, viel tegen.
Het muziekgezelschap dat ons bij het binnentreden van de
zaal met een kort optreden ontving had later in de voorstelling nog wel eens terug mogen komen, het zijn tenslotte
de Operadagen. Het thema van de al dan niet dwingende
relatie tussen een land en een taal (in dit geval het enige tijd
zelfstandige en neutrale landje Moresnet en de kunsttaal
Esperanto) kon grondiger uitgediept worden in een stad
Puntkomma juli-september 2014
waarin een traditionele burgerpartij beweert dat we hier
allen Nederlands spreken. Wunderbaum zal de voorstelling
nog wel eens hernemen. Dan is het zaak om de relatie met
het langjarige Wunderbaumproject The New Forest verder
uit te werken, een project waarin het begrip ‘utopie’ centraal
staat. Er valt meer te zeggen over de relatie tussen taal, volk
en staat dan in deze eenmalige en nogal impressionistische
voorstelling tijdens de Operadagen gebeurde.
ZigZagCity
Twee jaar geleden voor het eerst, nu de tweede editie van ZigZagCity, ook een poging tot vernieuwing van het festivalaanbod in Rotterdam. Thema is het zichtbaar maken van minder
bekende delen van het centrum van de stad. Iedereen kent
wel de Lijnbaan, de Meent, de Coolsingel, de Koopgoot,
maar het centrum is meer dan die iconische plekken en over
dat meerdere is een interessant verhaal te vertellen. Twee
jaar geleden richtte het festival zich op binnenhoven achter
de grote winkelstraten, zoals het Boomgaardhof, het Karel
Doormanhof. Een interessante invalshoek; maar de toen
voor dit festival ingezette middelen waren te bescheiden
om op te vallen. Er gebeurde wel iets in de binnenhoven,
maar dat ‘iets’ was te kleinschalig, te iel eigenlijk om indruk
te maken.
Gelukkig kreeg ZigZagCity een tweede kans en nu stond
het gebied rondom de Delftsevaart centraal, of preciezer
gezegd de route vanaf het Pompenburg langs de Delftsevaart en het Hang naar het Blaakse Bos tot aan de Oude
Haven. Nog wel een lange route, maar met paarse linten
zichtbaar gemaakt. Met name in en rond de Delftsevaart en
het Blaakse Bos was de enscenering goed uitgepakt waardoor
geen enkele voorbijganger op de Meent het festival kan zijn
ontgaan. Gedurende 12 dagen vond een keur aan activiteiten plaats; dansvoorstellingen, muziek vanaf de balkons
van woningen, films, acts, rondleidingen. Een vondst was
de route met archeologische opgravingen uit het Laurenskwartier die in vitrines in winkeletalages langs de route,
in de kerk en de bieb waren tentoongesteld. Prachtig was
de groene aankleding van het Blaakse Bos, de vooral door
toeristen gebruikte looproute onder de kubuswoningen.
ZigZagCity bleek een ontspannen festival te zijn, niet al te
pretentieus, met aandacht voor het kleine en voor bijzondere
achterkanten van de stad. Geen security gezien en dat valt
tegenwoordig op in onze door angst gekwelde stad.
Ik liep een paar wandeltochten mee en hoorde toch weer
wat nieuws. Altijd gedacht dat de stad uit het noorden via
Delftsevaart tijdens ZigZagCity
7
de Rotte werd bevoorraad, maar neen, de Delftsevaart was
veel belangrijker voor de aanvoer van levensmiddelen uit
het groene achterland van de stad. Onder de Hoogstraat had
die vaart een lastig sluisje waar het vrachtverkeer doorheen
moest. Nooit geweten dat Piet Blom, de ontwerper van de
kubuswoningen (“vogelnesten waarin hij het wonen tot contactvorm verhief”, schrijft de organisatie), van het Potlood en
van de woningen ten oosten van de Oude Haven, oorspronkelijk timmerman was en als architect een leerling van de
structuralist Aldo van Eyck. Het ene verhaal na het andere
rolde over elkaar heen, van gidsen maar ook van bewoners
van het Laurenskwartier en zo kwam voor de deelnemers aan
de verschillende rondleidingen het gebied tot leven. Zo werd
de geschiedenis van het Laurenskwartier, het oudste stukje
Rotterdam, op een speelse, aantrekkelijke en laagdrempelige
manier gepresenteerd.
“Geen security gezien
en dat valt tegenwoordig
op in onze door angst
gekwelde stad.”
Dag van de architectuur
Maar het had wel wat drukker mogen zijn tijdens de rondleidingen van ZigZagCity. Dat het drukker kan bewijst de
jaarlijkse Dag van de Architectuur. De meeste rondleidingen
en excursies van dit festival gedurende een dag zijn tevoren
al volgeboekt. Voor enkele locaties staan mensen in een
rij te wachten om toegelaten te worden. Vooral voor hoge
woon- en werktorens staan wachtrijen; Rotterdammers zijn
dol op het uitzicht op hun eigen stad vanuit een zo hoog
mogelijk gebouw.
De Dag van de Architectuur wordt al decennia landelijk
georganiseerd door de Bond van Nederlandse Architecten.
Festivalstad Rotterdam
Al jaren wordt de Rotterdamse editie van de architectuurdag
georganiseerd door AIR, het lokale architectuurcentrum.
Nieuwe, recent opgeleverde gebouwen zijn voor deze ene
keer toegankelijk en een geïnteresseerd publiek maakt gretig
gebruik van de mogelijkheid om gebouwen te zien die normaliter niet of moeilijk toegankelijk zijn. Het programma van
de Dag van de Architectuur volgt de ontwikkelingen op de
bouwmarkt. Er is minder nieuwbouw, er is meer renovatie
en vernieuwbouw, er is ook een sterker worden contingent
‘tijdelijk gebruik’. Een deel van de locaties is typisch voor
onze tijd: Hergebruik van bestaande gebouwen en tijdelijke
oplossingen voor leegstaande panden.
In het oude zwembad Tropicana hebben zich, vooral in
de koele kelders, enkele ondernemers gevestigd die opereren
in een ‘groene’, ecologisch verantwoorde sfeer. Opvallende
partij is Rotterzwam die oesterzwammen kweekt op koffiedik
afkomstig van lokale koffietententjes. Ook Kromkommer en
Rechtstreex zitten er. De eerste gebruikt afgekeurde groenten die niet de juiste vorm hebben voor de superkritische
supermarkten van onze tijd, de tweede streeft korte afstanden tussen producent en consument van ons voedsel na. In
Fenixloods 2 op Katendrecht is (tijdelijk?) een verzameling
bedrijven in de sfeer van bijzonder voedsel neergestreken.
Ik bezocht ook het Ani & Haakien Hostel in het Oude Westen, gevestigd in een huizenblok dat nog onmiskenbaar de
sfeer van de stadsvernieuwing van de jaren zeventig ademt.
The Student Hotel aan de Oostzeedijk is een opvallende
nieuwe bestemming voor een oud kantoorpand terwijl op
dit moment om de hoek het oude kantoor van de gemeentelijke Sociale Dienst wordt gerenoveerd en bij dit bijzondere
hotelcomplex wordt getrokken. De kelder van dit studentenhotel staat vol met honderden fietsen, bij de huurprijs
inbegrepen. Enkele (internationale) studenten lieten ons
tijdens de rondleiding hun kamer zien. Je huurt er tussen
de tien maanden en één nacht.
De Dag van de Architectuur is een intelligente en blijkens
de grote publieksopkomst gewaardeerde manier waarop
verslag wordt gedaan van veranderingen die de stad Rotterdam kenmerken. Nieuwe of vernieuwde gebouwen, nieuwe
of tijdelijke functies, ze worden ons door de vele rondleiders getoond en toegelicht. Voor één dag wordt het publieke
domein vergroot. Die dag wordt ons een blik vergund op
essentiële veranderingen in onze leefomgeving. En dat met de
eenvoudige middelen van een folder, een website en rondleidingen. Dat blijkt voldoende om een nieuwsgierig publiek aan
het festival te binden, om de stad uit te blijven leggen. —HB
Puntkomma juli-september 2014
8
Droogrek
9
Puntkomma juli-september 2014
Droogrek
Droogrek
Twee vrouwen bij de tramhalte spreken een taal ik niet ken. Niks
bijzonders in Rotterdam. Maar ineens hoor ik tussen alle onbegrijpelijke klanken luid en duidelijk het woord: droogrek. Een droogrek!
Zoiets kennen ze waarschijnlijk niet in dat deel van Afrika waar ze, zo
te zien, vandaan komen. Daar hebben ze geen eigen woord voor.
Door Erik Beenker
‘I
Illustratie Thom Bronneberg
n Rotterdam spreken we Nederlands’ was een slogan van
de VVD tijdens de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen. Hier wordt de VVD op z’n wenken bediend en ben
ik oorgetuige van het begin van de door hen zo gewenste taalintegratie: droogrek. Welke woorden zullen volgen? Haring,
jenever, pikhaak? Wat zijn eigenlijk typisch Nederlandse
woorden die niet vertaalbaar zijn? Er schiet me nog één te
binnen: apartheid.
Waarom die nadruk op het leren van Nederlands? Natuurlijk, de VVD denkt dat wie Nederlands spreekt meer kans
maakt op de arbeidsmarkt, maar dat is de reguliere arbeidsmarkt zoals zij die kennen. In het Oude Westen waar ik woon
en tot de grootste minderheid behoor, die van autochtone
Nederlanders, wemelt het van werkplaatsjes. Familiebedrijfjes, meestal van Turken en Marokkanen, waar vooral
aan auto’s gesleuteld wordt. Niet het reguliere circuit misschien, maar ze verschaffen toch werk aan tal van familieleden, kennissen en buurtbewoners en dat iemand geen
Nederlands spreekt is daarbij geen belemmering. De VVD
verkiezingsslogan ‘In Rotterdam spreken we Nederlands’
is een wensgedachte, een bevestiging van het tegendeel. In
Rotterdam hoor je op straat of in het openbaar vervoer juist
steeds minder Nederlands. Is dat erg?
In Amerika wordt, ondanks een sterker nationalisme,
minder krampachtig aan de eigen taal vastgehouden. Grote
delen van de Amerika zijn inmiddels tweetalig. Naast Engels
is, door de grote toevloed van Mexicanen, Spaans de tweede
voertaal. Mijn kleinkinderen in South Carolina, een van de
meest conservatieve staten in de VS, leren het zelfs op school.
En er zijn ook andere taalenclaves. Op doorreis via Detroit
bleken alle aanwijzingen op de luchthaven zowel in het
Engels en als het Japans aangegeven omdat er ter plaatse een
grote Japanse gemeenschap is. En in wereldstad New York
leven in Chinatown en Little Italy vast wel mensen die alleen
hun eigen taal spreken en zich desondanks goed kunnen
redden en daar gaat het toch maar om.
Ellis Island, het eiland bij Manhattan waar eind 19de ,begin
ste
20 eeuw immigranten werden opgevangen, geregistreerd
en medisch gekeurd, is nu een museum aan die geschiedenis
gewijd. Daar staat ook een taalboom met woorden die vanuit
andere culturen in het Engels ingeburgerd zijn geraakt. Een
ervan is het woord Yankees. Het ontstond in de periode dat
New York een Nederlandse kolonie was en omdat die Nederlanders vaak Jan of Kees heetten werden die oerimmigranten
door Engelse nieuwkomers Yankees genoemd.
Waarom gaan we de veeltaligheid van Rotterdam niet
aanvaarden en er trots op zijn? In de entreehal van het station kunnen we aangeven hoeveel talen er hier gesproken
worden, hoeveel mensen met een niet-Nederlandse achtergrond in de stad wonen en in het stadsbestuur zitten. Een
Marokkaanse burgemeester die geliefd en gerespecteerd
wordt, dat is toch iets om trots op te zijn?
Om aan te geven hoe internationaal de stad wel niet is
wordt voortaan de slogan: ‘In Rotterdam spreken we vele
talen’ en heten we de reizigers welkom in al die talen. Niet
alleen om die verscheidenheid te accentueren, maar vooral
om de verbondenheid met de stad duidelijk te maken. Want
ondanks die grote verscheidenheid en ondanks het feit dat
de PVV er bij de recente Europese verkiezingen de grootste
partij bleek te zijn, leven al die verschillende groepen toch
maar mooi vreedzaam samen en bouwen ze samen de stad
en haven verder uit.
Een symbool voor de veeltaligheid van Rotterdam is er al.
Dat is het schilderij De Toren van Babel van Pieter Bruegel
de Oude in Museum Boijmans Van Beuningen. Het werk
dateert uit het midden van de zestiende eeuw toen Antwerpen een van de grootste havensteden van Europa was. Door
de vele verschillende talen die je op straat kon horen werd het
Bijbelse thema van de Babylonische spraakverwarring kortstondig een geliefd thema bij schilders uit die tijd. Het gaat
om het verhaal waarin de mensen, die toen één taal spraken,
een toren gingen bouwen die tot in de hemel zou reiken. Een
daad van hoogmoed die God, die zelf wil bepalen wie er in de
hemel komt, afstrafte door van de ene op de andere dag de
mensen allemaal een andere taal te laten spreken opdat ze
elkaar niet meer konden verstaan en de bouw van de toren
niet kon worden voortgezet. Is dat, die Toren van Babel die
nooit afkwam, niet een mooie metafoor voor Rotterdam die
er prat op gaat dat de stad nooit af is?
In het kader van de Operadagen was er van Wunderbaum
een voorstelling – met een marginale muzikale omlijsting
– over een bloeiperiode van de esperantisten. Die beschikten rond 1900 heel kortstondig over een soort eigen staat
(Amikejo in het land van Moresnet), niet veel meer dan een
taartpunt ingeklemd tussen het Nederlands Limburg, België
en Duitsland. Het kortstondige bestaan correspondeerde
met de utrakorte voorstelling van Wunderbaum. Het begon
veelbelovend maar net toen we er eens goed voor gingen
zitten bleek het al voorbij. Wat er nog wel uit dit tamelijk
schaamteloze vluggertje van Wunderbaum naar voren kwam
was de utopie dat, als mensen maar één taal zouden spreken,
vrede en harmonie en welvaart gegarandeerd zijn. Alsof dat,
als iedereen dezelfde taal spreekt, alle barrieres zou slechten.
Een illusie.
‘In Rotterdam spreken we Nederlands’ is net zo’n achterhaald streven als ooit het esperanto als wondermiddel voor
onderling begrip. Veeltaligheid is niet persé een belemmering om grote werken te kunnen voltooien net zomin als het
spreken van één taal voorkomt dat mensen elkaar de schedel
inslaan. Religieuze opvattingen, nationalisme, economische
tegenstellingen zorgen voor tegenstellingen die niet met taal
alleen overbrugd kunnen worden. Zelfs nu de meeste (internationale) communicatie in het Engels gaat (het Nederlands
dient, net als zoveel andere talen, alleen nog voor lokale
communicatie) en we via het web voortdurend met elkaar
verbonden zijn, blijkt de wereld niet verlost van moordende
tegenstellingen. Hedendaags terrorisme laat zien dat ze niet
bepaald tolerant zijn ten opzicht van andersdenkenden (ook
al spreken die dezelfde taal) of andere culturen (ook al kunnen ze daarmee in het Engels communiceren).
Vroeger werd gedacht dat door een taal te leren je ook
deel zou hebben aan de cultuur die met die taal samenhing.
Als je bijvoorbeeld Frans sprak was je beschaafd (Fransen
schijnen het nog steeds te denken), maar zoiets is een illusie.
Dat een volk met een hoogstaande cultuur zoals de Duitsers
desondanks tot de grootste barbarij konden vervallen en
daarbij Duits bleven spreken geeft aan dat taal op zichzelf
geen vanzelfsprekende cultuurdrager is (zoals de VVD waarschijnlijk nog hoopt). ‘In Rotterdam spreken we Nederlands’
getuigt daarom van een zeer simplistische opvatting. Taal
als wondermiddel. Tolerant en humaan gedrag vergt meer
dan taal*. —EB
* Al denken ze daar in België natuurlijk heel anders over.
Puntkomma juli-september 2014
10
De Vrijplaats
Puntkomma juli-september 2014
11
De Vrijplaats
De Vrijplaats: Rotterdamse kunstenaars kunnen, op uitnodiging of op eigen initiatief, De Vrijplaats gebruiken om hun werk te tonen.
Johan
Wenink
Kunstenaar:
Gerwin Luijendijk
Johan Wenink was een aanzet
tot een project dat uiteindelijk
niet is gerealiseerd. Zoals het
telefoongesprek tussen Gerwin
en Johan doet vermoeden, zag
Johan de samenwerking niet
meer zitten. Johan begreep het
werk niet en was bang de
controle te verliezen over het
project en de situatie. Was dit
een verkeerde aanpak van de
kunstenaar? Het werk Johan
Wenink is in ieder geval een ode
aan al de Johan Wenink’s en
tegelijkertijd een heroverde
controle van de kunstenaar over
de situatie.
Gerwin Luijendijk is een videoen performancekunstenaar die
woont en werkt in Rotterdam.
Tussen 2006 en 2008 studeerde
hij aan het Piet Zwart Instituut en
is medeoprichter en lid van
kunstenaarsinitiatief ADA
Rotterdam. Zijn werk werd recentelijk getoond op het Impakt
Festival in Utrecht en in Januari
tijdens een solo presentatie bij
Galerie Joey Ramone in
Rotterdam.
[email protected]
gluijendijk.blogspot.nl
12
Puntkomma juli-september 2014
Een nieuwe Altstadt
13
Puntkomma juli-september 2014
Een nieuwe Altstadt
Een nieuwe
Altstadt
Over het veranderende imago van
Rotterdam en het belang van het
nieuwe Gelderseplein.
Projectgebied Blaakhaven (circa 2008), waar het Gelderseplein onderdeel van is
L
eidenaren, Haarlemmers, Utrechters en
Delftenaren kunnen zich al sinds jaar
en dag beroepen op hun historische binnenstad; onveranderlijk vereeuwigd op de
ansichtkaarten bij de plaatselijke boekhandels. Velen zullen met me meevoelen hoe
heerlijk recalcitrant het vroeger was om met
overtuiging te zeggen: “Rotterdam is natuurlijk de mooiste stad van het land. En van nog
veel meer.” Dan kon je dat altijd gaan uitleggen, de ander begreep het uiteindelijk toch
niet; vastgekleefd aan die grachtenstadjes
met hun gemakkelijke schoonheid. Maar jij
hield zelfgenoegzaam vol, even ongrijpbaar
als de liefde voor de stad.
Maar dat is nu allemaal voorbij. Het kan
niemand zijn ontgaan. Met grote regelmaat haalt Rotterdam de internationale
pers als uitgelezen toeristische bestemming. Voorlopig hoogtepunt: De New
York Times verkoos afgelopen januari Rotterdam als één van de tien meest bezienswaardige steden ter wereld. Voor 2014 dan.
“First-class architecture in
the Netherlands’
second city. Post-World War II reconstruction
has changed the face of one of Europe’s largest ports, where striking, cubed architecture
gives shape to the most modern skyline in the
country. But it’s not done yet. This is a banner
year for ribbon cuttings to celebrate both new
and reconfigured space: An overhaul of Rotterdam Centraal train station has already
unveiled the city’s first Starbucks. (…) Come
October, the massive arch of the Markthal,
whose interior displays 3-D food photographs,
becomes the country’s first indoor food hall
(Elisa Mala, New York Times, januari 2014).
Rotterdam als verfrissende keuze voor het
reislustige lezerspubliek. Je zou je kunnen
voorstellen dat ze verveeld zijn door San Francisco, Hong Kong en Parijs, en de lijst daarom
moest verrassen; overigens ondanks het vernoemen van de alom vertegenwoordigde
Starbucks. In navolging van de prestigieuze
Amerikaanse krant verscheen Rotterdam op
vergelijkbare lijstjes in onder meer Duitse,
Belgische en Engelse kranten. Eén bouwwerk
wordt steevast uitgelicht als grote belofte voor
de nabije toekomst: MVRDV’s Markthal.
Op 8 juni zond de NOS een item uit met
daarin een hoofdrol voor Arno Coenen. De
inmiddels wereldberoemde kunstenaar was
diep onder de indruk van de binnengevel
Illustratie Blaakhaven.info
Piazza dei Miracoli Pisa (Italië)
Een golf architectuurtoeristen zal de komende jaren op Rotterdam
afkomen, daartoe verleid door een reeks nieuwe en bijzondere
gebouwen die de afgelopen periode de wereldpers hebben weten te
halen. Dit laatste zal echter niet opgaan voor het nieuwe
Gelderseplein, nabij de Oude Haven.
Waar tot 1993 treinen over het luchtspoor denderden is een nieuw
stuk Rotterdam verrezen. Een woon- en kantoortoren, een hotel,
winkelunits en vooral: een fonkelnieuw stadsplein dat de terrassen aan
de Oude Haven op bijzondere wijze flankeert. Hoewel geen iconische
ontwikkeling toch een project dat van groot belang is voor een stad die
zich nu rekent tot de meest bezienswaardige ter wereld.
Door Arnold Westerhout
van het gebouw, nu bedekt met zijn Horn of
Plenty. Mede door dit naar verluidt “grootste
kunstwerk ter wereld”, riep CNN de Markthal
uit tot één van de tien belangrijkste projecten
in aanbouw ter wereld.
De voorheen heimelijk trotse Rotterdammer pakt de aandacht van gerenommeerde
media aan om op verjaardagen (overal in het
land) uit te roepen: “We horen bij de tien mooiste steden van de wereld. Het nieuwe Rotterdam Centraal; De Rotterdam van Rem Koolhaas; straks de Markthal, moet je eens kijken.”
Inderdaad, met gebouwen als deze wordt de
nominatie onderbouwd. Maar het is allemaal
wel een hoop ‘wereld’; wat is het eigenlijk
van Rotterdam? Met andere woorden, wat
zegt het nu eigenlijk, de aandacht voor die
gebouwen? Hoewel de artikeltjes anders
doen vermoeden is de stad geen verzameling attracties. Of beter gesteld: de aantrekkelijk van de stad wordt niet bepaald door
een enkel spectaculair gebouw hier of daar.
Andere factoren, die in de pers grotendeels
onbenoemd blijven, spelen een grotere rol.
Het voorbeeld van Antwerpen
Velen zullen bij Antwerpen weliswaar onmiddellijk denken aan de kathedraal van die stad;
misschien zowel aan de kerkelijke als aan
de seculiere variant. Maar je zou toch niet
willen stellen dat het station en de kerk de
enige bezienswaardigheden van Antwerpen
zijn? De stad weet veel kooppubliek aan te
trekken, ogenschijnlijk op zoek naar iets wat
in eigen stad niet te vinden is. Hoeveel dagjesmensen lopen jaarlijks niet van het station
naar de Groenplaats? Elke Hollander die eens
over de Meir heeft gelopen zal zich trouwens
verwonderd hebben over de winkelketens die
je er aantreft. Dezelfde HEMA, C&A en zelfs
een Kruidvat als hier. Waarvoor dan nog de
moeite nemen om naar de Vlaamse havenstad af te reizen? Dat is om de totale beleving
van de stad, waar architectuur een onmisbaar
onderdeel van is, in plaats van een reden voor
bezoek op zich. Denk aan de terrasjes, de
frieten en het bier, het zuidelijke, die pleintjes, de fijnmazige straatjes en de fijne oude
geveltjes die je boven de winkels vindt. Het
is om deze redenen dat Antwerpen al jaren
tot de populairste stedentripbestemmingen
voor Nederlanders behoort.
Het voorbeeld van Antwerpen doet je
afvragen waarom je de moeite zou nemen af
te reizen naar een andere stad. Je wilt er in
ieder geval iets vinden wat je in je eigen plaats
niet hebt. Soms is dat een bijzonder museum,
soms een bepaalde winkel, maar als je afgaat
op ‘de lijstjes’ waarin Rotterdam genoemd
wordt lijkt het vooral om de bijzondere
gebouwen te zijn. In deze vorm van erkenning schuilt een gevaar: architectuur om de
architectuur is maar een oppervlakkige reden
voor een toerist om een stad te bezoeken.
Het voorbeeld van Pisa
Naast Venetië (gedegradeerd van stad tot
pretpark) kent Italië nog een stad die een
Foto Wikimedia Commons
extreem gevolg van stedelijk toerisme uitdrukt; een stad met een enorme discrepantie
tussen de beroemde attractie die het herbergt
en de bezienswaardigheid van de rest van die
stad. Iedereen komt thuis met dezelfde anekdote over Pisa, de derde beroemde havenstad
van dit verhaal. Je rijdt een rommelige stad
door om uit te komen bij een grasveld met
daarop drie witblinkende, op enige afstand
van elkaar opgestelde, wereldberoemde
monumenten. Het Piazza dei Miracoli is
een eigenaardig plein. De kathedraal, het
baptisterium en de klokkentoren zijn op
een grasveld geplaatst, anders dan in de stedelijke context van een stenen stadsplein
met wat bomen en koffiebarretjes die je in
andere Toscaanse stadjes vindt. Het plein
wordt enerzijds geflankeerd door een lange
rij marktkraampjes waarvan de aangeboden waar zich gemakkelijk laat raden. Aan
de andere zijde een hoge, lange stadsmuur
die het gevoel van afscheiding versterkt. Het
plein lijkt wel losgeweekt van de rest van de
stad; als een zwervend stadsdeel dat hier
tijdelijk geland is; zonder de context van een
stad die er onlosmakelijk mee verbonden is.
Die indruk van een soort ‘ontbrekende
stedelijke context’ wordt niet alleen gewekt
door de historische, stedenbouwkundige
situatie, maar ook omdat in de rest van Pisa
niet zo veel te beleven valt. Dat is misschien
niet eerlijk, de lange geschiedenis van de
stad kent perioden van verval, de Tweede
Wereldoorlog heeft sporen nagelaten; net als
Rotterdam is ook Pisa een gehavende stad.
Het gevolg voor velen is dat je er even komt
kijken naar de scheve toren, de obligate foto
maakt, een minitorentje koopt en hem weer
peert. Zal Pisa ooit meer dan een bezoek van
een halve ochtend worden?
Het Gelderseplein
Terug naar Rotterdam. In de marge van de
Markthal is een nieuw plein aangelegd. Dit
Gelderseplein ligt in het verlengde van de
oudste haven van Rotterdam. Dit gebied
(het oostelijke deel tussen de Blaak en de
Wijnhaven) heeft na de aanleg van de Spoortunnel lange tijd braak gelegen. De nieuwbouw bestaat onder meer uit de woontoren
Wijnhaeve (2008), kantoorgebouw Blaak 8
(2009) en twee recent opgeleverde, lagere
schijven met gevels die grotendeels met glas
Zicht op het nieuwe Gelderseplein
bekleed zijn. Het blok aan de zijde van het
Gelderseplein is verhuurd aan Citizen M
hotels: een flitsend viersterrenhotel met 151
kamers. De rest van het plein bestaat uit de
retroarchitectuur van onder meer KOW architecten (dat ongeveer gelijk met de woontoren
is gebouwd), het rijtje achttiende-eeuwse
herenhuizen dat een aantal jaar afgebroken
was voor de aanleg van de spoortunnel en
natuurlijk het Witte Huis.
De indrukwekkende transformatie die dit
stukje stad heeft ondergaan is desondanks
grotendeels onopgemerkt te blijven. Natuurlijk komen genoeg bezoekers af op het Witte
Huis en vooral de kubuswoningen. Maar
iedereen die eens over het Blaakse Bos heeft
gelopen weet dat het geen plek is waar je echt
wilt blijven. In tegenstelling tot de ruimten
onder de kubussen behoren de terrassen aan
de oostzijde van de Oude Haven echter al vele
jaren tot de populairste verblijfplaatsen in de
stad. Het Gelderseplein, aan de overzijde,
heeft nu het potentieel om dat succes als het
ware te spiegelen. Er is voorzien in nieuwe
terrasruimte nabij het water en een vrijwel
doorlopende plint die beschikbaar is om verhuurd te worden aan horecaondernemers.
De omgeving biedt een unique selling
point van een geheel andere orde dan de
kolossale projecten en opvallende bouwwerken elders in de stad, hoewel het misschien niet zo fotogeniek is als bijvoorbeeld
het nieuwe Centraal Station. Toch voegt
het kwaliteiten toe die onontbeerlijk zijn
voor een stad die pretendeert bij de meest
bezienswaardige ter wereld te horen.
Het zijn kwaliteiten waardoor het Oude
Havengebied afwijkt van de grote delen van
de rest van de binnenstad. In de eerste plaats
door de stedenbouw zelf: die is kleinschaliger en fijnmaziger dan wat je bijvoorbeeld
aan de Binnenrotte, het Schouwburgplein
en het Kruisplein ziet. Het overgrote deel
van de binnenstad wordt gekenmerkt door
losstaande gebouwen. Of ze nu uit de wederopbouwperiode of uit de jaren ’90 stammen,
als geïsoleerde decorstukken staan ze door
het centrum van Rotterdam verspreid. De
Doelen, de Lijnbaanflats, de Schouwburgpleinbioscoop: ze laten gaten vallen in het
ritme van de stad die niet meer in te vullen
lijken; behalve dan door wildplassers in de
kleine uurtjes van de nacht. Maar anders dan
de grote open ruimten, die zo ruim zijn dat
ze geen richting lijken te geven, die gedomineerd worden door ordinaire stoeptegels,
die geen schaduw bieden, is het Gelderseplein intiem, groen, kleinschalig. Hier zijn
de gebouwen geschakeld.
Het geeft een idee van dichtheid die kenmerkend is voor binnensteden. Ofwel: het
gebied geeft zoiets als een traditioneel ‘binnenstadsgevoel’. Een binnenstadsgevoel in
Rotterdam, zoals in andere Hollandse steden? De stad heeft weliswaar grote gebouwen, een imposante rivier, gelauwerde, eerste klasarchitectuur van eigen bodem, de
allergrootste H&M, een stadsgezicht waar
Rotterdam en het initiatief van de
Rotterdammers.
Natuurlijk is Rotterdam geen Antwerpen,
om nog maar te zwijgen over Pisa. Daarnaast: de logica van de lijstjes en oppervlakkige onderbouwingen staat ver af van de
dagelijkse realiteit. Met andere woorden:
Rotterdam is meer dan een verzameling
gebouwen, net zoals Pisa dat is, ondanks
de ongelukkige wijze waarop de Italiaanse
stad zich weet te profileren. Het gaat daarom
niet om dat ene icoon, maar om de totaalbeleving van de stad. Het Gelderseplein,
in de omgeving van de Oude Haven, zou je
om deze reden kunnen beschouwen als een
De omgeving biedt een unique selling point van
een geheel andere orde dan de kolossale projecten
en opvallende bouwwerken elders in de stad,
hoewel het misschien niet zo fotogeniek is.
menig stad jaloers naar kijkt; maar een binnenstadsgevoel? Dat hadden we nog niet,
gingen we daarvoor niet naar –bijvoorbeeldAntwerpen? Meer dan het onrustige Stadhuisplein, de Witte de Withstraat of de tochtige Binnenrotte, biedt het Gelderseplein,
geholpen door het water in de Oude Haven,
het Witte Huis (en de traditionalistische
architectuur) een geheel nieuw gevoel van
een Altstadt in het centrum van Rotterdam.
Het Gelderseplein bevindt zich bovendien
in de directe nabijheid van de Markthal, als
een schakel tussen deze omgeving, waar ooit
de dam in de Rotte werd gelegd, en de Oude
Haven. De drukke Blaak loopt weliswaar tussen de gebieden door; het zou daarom te
vergezocht zijn te stellen dat het gebied een
extrapolatie is van de markt. Maar als je je
bedenkt dat tot 1994 op de plaats van het
nieuwe Gelderseplein nog het luchtspoor
liep, kan je niet anders dan vaststellen dat
het project op zeer betekenisvolle wijze de
cohesie van dit stadsdeel vergroot.
belangrijke ontwikkeling. Geen icoon voor
op de voorpagina zoals de Markthal, maar
een nieuwe stadsruimte die voor het centrum van Rotterdam erg bijzonder is. Maar
bovenal is het de invulling van de architectuur die er toe doet. Want wat heb je aan een
mooi, maar leegstaand gebouw? Ondanks
al die goede aanzetten zijn ‘we’ er nog niet
omdat vrijwel alle units aan het Gelderseplein nog oningevuld zijn. Laten we hopen
dat ondernemende Rotterdammers met hart
voor de stad invulling kunnen geven aan het
Gelderseplein.
Want naast de opmerkelijke gebouwen
in deze stad zijn er ook nog de opmerkelijke
mensen. Een batterij hardwerkende mannen met baarden en vrouwen in bloemetjesjurken en met felrode lippenstift neemt
dagelijks plaats op de vele kringloopwinkelmeubeltjes die nonchalant zijn geplaatst
in tot voor kort leegstaand ‘industrieel erfgoed’. Ga eens kijken op het Deliplein, op de
Schiedamse Vest, onder de Hofbogen en in
de Ontbijtbar aan het Kruisplein. Zonder uitzondering initiatieven van lokale ondernemers die haarfijn aan lijken te voelen welke
kant het op moet met Rotterdam. Warenhuis
GROOS (in het Schieblock) won onlangs de
Ketelbinkieprijs; een aanmoedigingsprijs
voor originele Rotterdamse ondernemers.
Bij Kopi Soesoe op Katendrecht serveren ze
een fantastische Indische koffie die je niet
zo snel bij een Amerikaanse koffieketen te
drinken krijgt. De ondernemers onder het
voormalige station Hofplein hebben hun nek
uitgestoken door te investeren in interieurs
die rijp zijn om gefotografeerd te worden
voor de internationale reisgidsjes.
Ofwel: Niet gebouwen, maar mensen
maken de stad. Misschien een flauw cliché
– ook al was het thema van de Dag van de
Architectuur 2014 ‘mensen maken de stad’– ;
daarom niet minder waar. De afgelopen jaren
heeft Rotterdam immers niet voor niets een
enorme ontplooiing van lokale initiatieven
gezien. Buiten de genoemde ontwikkelingen
ook veel gelezen online platformen als De
Buik van Rotterdam en Vers Beton die voortvarend verslag doen van wat er in de stad
gebeurt. En vergeet ook niet de Rotterdamse
architectenbureaus: van ZUS (Luchtsingel)
tot MVRDV (dat naast de Markthal het nieuwe
Collectiegebouw voor het Boijmans van Beuningen ontwerpt).
Koffie aan het Gelderseplein?
Gelet op de wildgroei van koffiebarretjes de
afgelopen jaren lijkt een deel van de toekomstige invulling van het Gelderseplein
redelijk gemakkelijk te voorspellen. In het
kielzog van de groeiende koffiecultuur heeft
de Amerikaanse koffie- en broodjesfirma
Dunkin’ Donuts afgelopen april aangekondigd een aantal vestigingen in ons land te
willen openen en daarvoor franchisehouders te zoeken. De keten verhoudt zich
zo ongeveer tot Starbucks als Burger King
zich tot rivaal McDonald’s verhoudt. Rotterdam kan dus niet achterblijven. Laten
we echter hopen dat aan het Gelderseplein
- in navolging van niet alleen Kopi Soesoe,
maar ook Hopper en de Urban Espresso
Bar - een volgende quasi originele, maar
Rotterdamse koffie hotspot wordt geopend.
Daar kan dan op termijn best een kraampje
met mini markhalletjes bij. —AW
Puntkomma juli-september 2014
14
Gaat het hier nog wel van: “bloep, bloep, bloep?”
Puntkomma juli-september 2014
15
Gaat het hier nog wel van: “bloep, bloep, bloep?”
Gaat het hier nog
wel van: “bloep,
bloep, bloep?”
In het in 2012 verschenen boek De
Gehavende Stad van Erik Brus en Fred de
Vries moppert Jules Deelder aan het eind van
een historische beschouwing over jazz in
Rotterdam er vrolijk op los: “Goedbeschouwd draait het allemaal om de
afwezigheid van een vitale underground.
Daar gedijt muziek in. Muziek heeft dat nodig,
dat borrelen, bloep, bloep, bloep. Dat
subversieve moet erin zitten. Maar zo’n
underground heb je niet meer.”
Dit citaat is de reden voor dit verhaal. Doet
de stad niet meer van “bloep, bloep,
bloep”? Kookt en borrelt het niet meer in
Rotterdam? Is de jazzsoep anno 2014
ijskoud en niet meer te vreten?
Door Tjeu Strous
L
North Sea Around Town
Foto Ivo Streng
aten we eerlijk zijn: Het sfeertje dat Brus en De Vries in
hun boek uitgebreid beschrijven bestaat niet meer. We
hebben het dan over het groezelige, door dope en drank
beheerste ruige leven in de jaren zestig en zeventig in de vele
etablissementen van Willem ‘Wodka’ van Empel, waarvan
het gekraakte Lijnbaantheater onder de naam Thelonious
de bekendste werd. Aldaar gingen de fameuze, immer onder
invloed of gedrogeerd zijnde toehoorders als Jules D., Cornelis Vaandrager, Frans Vogel en Hans Sleutelaar, als ze niet
luisterden naar Sun Ra, Eric Dolphy, Johnny Griffin of Willem Breuker, met elkaar op de vuist. Dat soort podia zijn er
in 2014 niet meer. Maar de platenzaken aan de Binnenweg,
waar Jules Deelder singeltjes en epeetjes onder zijn truien
liet verdwijnen om ze gratis en voor niks aan zijn steeds
imposanter wordende collectie toe te voegen, zijn er nog wel.
Sterker nog, zij zijn sinds de herontdekking van de klankkleur
van muziek op vinyl aan een tweede leven begonnen.
En jazzpodia zijn er, na de schrale jaren negentig, meer
dan ooit. We noemen: LantarenVenster, de Doelen, Bird,
Dizzy, Grounds en incidenteel WORM. Daarnaast zijn er
de vele plekken waar zo nu en dan jazz geprogrammeerd
wordt. Zo zat ik of all places nog niet zo lang geleden in
het winkelcentrum Hesseplaats in Ommoord in de gezellig
drukke Brasserie De Verandering te luisteren naar de band
van Mijke Loeven met niet onverdienstelijk saxwerk van de
jazzorganisator ter plekke, Ruud Bergamin.
Ondanks al die wethouders uit “Scheetpikkemersans, die
nooit van de Coolsingel af komen en een aantal zetbazen in
kroegen en zalen neerzetten die niks met de klanten hebben”, aldus de al even hard kankerende oud free jazzer Ger
‘Sax’ van Voorden in hetzelfde boek waarin Jules Deelder los
gaat, valt het dus misschien allemaal wel mee in Rotjeknor.
Het wordt tijd deze langzamerhand toch wel erg oude
mannen, hoezeer ook van ongekende statuur als het om
het jazzverleden van Rotterdam gaat, van repliek te dienen.
Want hoewel door al die ‘Scheetpikkemersanse’ wethouders
in de Rotterdamse culturele vleespotten onbarmhartig huis
is gehouden is juist de jazz er welbeschouwd helemaal niet
slecht uit tevoorschijn gekomen. En dat dan ook nog eens
door ingrijpen van de gemeenteraadsleden van de stad,
waarvan Deelder vilein opmerkte: “De jazz is hier nooit
serieus genomen, je bent hier tenslotte in Rotterdam”.
Hoe onwaar was die laatste bewering in deze laatste subsidieslag! Terwijl door de Rotterdamse Raad voor Kunst en
Cultuur in zijn opperste wijsheid nog werd gesteld dat Jazz
International naast de grote podia van de Doelen en LantarenVenster geen bestaansrecht meer had, gooide de gemeenteraad in november 2012 die opvatting over de schutting en
tilde Jazz International andermaal in het zadel. Precies hetzelfde gebeurde met de subsidie voor het World Music &
Dance Centre, inmiddels Grounds geheten: Afgewezen door
de RRKC, tóch toegekend door de gemeenteraad. Een door de
Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur voorgestelde forse
sanering van de budgetten van LantarenVenster werd door
het gemeentebestuur eveneens gedeeltelijk weggewuifd. En
dan was er ook geld over voor de nieuweling onder de podia,
Bird, dat een mengsel van jazz, hiphop en funk op de planken
beloofde te zetten. En North Sea Round Town, de lokale schil in
de wijken rondom het geweld van het North Sea Jazz Festival
in Ahoy, bleef ook al overeind. Kortom, als er deze keer één
cultuursector was die glorieus uit de slag om de subsidiemiddelen tevoorschijn kwam dan was het de jazzmuziek wel.
De conclusie kan geen andere zijn: Jazz anno nu is in Rotterdam en vogue, juist ook bij gemeentebestuurders zonder
wellicht al te veel culturele ballast, dwars tegen de opvatting
van de dames en heren deskundigen in.
Mijke Loeven, directeur van Jazz International, zegt dat die
erkenning eigenlijk al sinds Rotterdam Culturele Hoofdstad
gegroeid is. Jazz werd van underground waar de oude garde
het alsmaar over heeft, ‘bovengronds’ en kreeg de erkenning
die het verdient. Het merkwaardige met jazz is, aldus Mijke
Loeven, dat het aan de ene kant een heel kwetsbare muziekvorm betreft waarvan menige uiting (denk aan big bands,
gecomponeerde jazz en stimulering van jong talent) veel
extra aandacht en geldelijke steun behoeft. Aan de andere
kant, met als vlaggenschip natuurlijk North Sea Jazz Festival,
is het een heel goed te exploiteren muziekvorm. Jazz is na al
die jaren een volledig geaccepteerd onderdeel van het brede
cultuuraanbod geworden.
Niet vreemd aan de acceptatie is de enorme vlucht die
hedendaagse muziekvormen hebben genomen op het conservatorium. Jazz mengt op Codarts moeiteloos met allerlei
vormen van wereldmuziek, R&B, hiphop, terwijl ook de
elektronica en de digitale technieken worden ingelijfd. Voeg
daarbij de invloed van jongeren die uit alle windstreken van
de wereld in Rotterdam neerstrijken en er is een smeltkroes
van ideeën, stijlen en stromingen ontstaan die zijn weg in
Rotterdam moet kunnen vinden. De daarbij behorende
infrastructuur van speelplekken wordt nu inderdaad, mede
door de politieke bereidheid, gerealiseerd. Waarmee niet is
gezegd dat we nu in een jazzwalhalla terecht zijn gekomen.
Mijke Loeven blijft hameren op de noodzaak van een productiehuis voor de jazz, een plek waar je als jong talent naar
binnen gaat en niet naar buiten komt zonder dat er een CD
en bijbehorende presentatie is gemaakt. Zo’n plek is er nog
niet in Rotterdam. Drummer/componist/bandleider Arend
Niks valt haar daarin bij: “Ondanks het inmiddels brede
podiumaanbod blijft het voor jonge musici lastig om aan
de bak te komen.”
Hoe anders was de situatie begin deze eeuw, vlak na Rotterdam Culturele Hoofdstad. Daar kwam de jazz helemaal
niet als aandachtsveld uit te voorschijn. In 2001 moesten de
verzamelde jazzpodia, toen nog vooral Nighttown en de Doelen, met Jazz International als nieuwkomer, noodgedwongen
de handen ineen slaan om overeind te houden wat er nog
was: een aantal op halve kracht werkende en elkaar in de
weg zittende podia met een afkalvend publiek. Het eerste
Jazzconvenant was geboren. De teloorgang van Nighttown
in het midden van de jaren nul maakte de situatie er niet
makkelijker op. Gelukkig kon Jazz International in het gat
springen en de losse eindjes aan elkaar knopen. Het jaarlijkse
festival van Jazz International met nieuw Rotterdams talent
in Calypso aan de Mauritsweg was het resultaat. Mensen
als Stefan Lievestro, Arend Niks en Tony Overwater kregen
zo een vliegende start. In 2009 verzamelde Jazz International de podia andermaal rond de tafel. Ook was LantarenVenster weer aangeschoven. Programmeur Kadir Selçuk
Puntkomma juli-september 2014
16
Gaat het hier nog wel van: “bloep, bloep, bloep?”
Puntkomma juli-september 2014
17
Gaat het hier nog wel van: “bloep, bloep, bloep?”
“Als iets geldt
voor deze scene
is dat de musici
geen oogkleppen
op hebben.”
Foto Marc Heeman
Jazzpodium BIRD in de Hofbogen onder het oude Hofpleinviaduct
van deze organisatie deed van zich spreken door heel grote
Amerikaanse namen naar het opnieuw tot de jazz bekeerde
LantarenVenster te halen. Helaas iets te grote namen voor
de slechts 250 plaatsen tellende zaal. Ook toen dreigde de
jazzprogrammering andermaal het loodje te leggen. De nogal
stevige druk die door de gemeente op LantarenVenster werd
uitgeoefend om het sfeervolle, maar wel krakkemikkige pand
aan de Gouvernestraat te verlaten en om de sprong over de
Maas naar de Wilhelminapier te maken werd gehoorzaam
opgevolgd. Dit ondanks het gemekker van de vaste klantenkring van LantarenVenster, de in het centrum wonende
Rotterdamse dorpelingen die luidkeels aangaven geen zin te
hebben in een wekelijkse fiets, metro- of tramtocht helemaal
naar Zuid. Toch namen Kadir Selçuk en bestuursvoorzitter
en voormalig wethouder Kombrink deze gewaagde sprong.
Overigens niet nadat deze laatste bij de zittende wethouder
had bedongen dat bij een tegenvallend bezoekersaantal de
gemeente de eerste jaren zou bijpassen.
Die toezegging van de gemeente bleek hooguit in het
eerste jaar nog nodig. Nu er inmiddels dik twee seizoenen
voorbij zijn, komt het aantal filmbezoekers ruim boven het
streefgetal van 180.000 uit; het zijn er inmiddels 200.000
geworden. Frank Bolder, programmeur van LantarenVenster,
stelt vast dat al dat gezeur over een paspoort dat je nodig
zou hebben om naar de overkant te komen en die enorme
klimpartij over de Erasmusbrug waar geen hond zich aan
zou wagen, onnodige bangmakerij was. Het publiek heeft
het nieuwe LantarenVenster in zijn hart gesloten. Wel is dat
deels een ander publiek geworden. De in jazz geïnteresseerde
inwoners van de omliggende gemeenten en verder van het
centrum afgelegen wijken (écht waar, ook daar wonen jazzliefhebbers) kunnen nu met de auto naast LantarenVenster
parkeren, iets wat in de Gouvernestraat onmogelijk was. De
plek onderin het fallische gebouw van architect Alvaro Siza
is helemaal geworden wat men voor ogen had. Een hippe
lounge waar bezoekers niet alleen voor de film komen of
een concert bezoeken maar ook graag komen eten. “Dat is
natuurlijk niet alleen de verdienste van ons”, aldus Frank
Bolder. “Tezamen met Hotel New York, het Nederlands Fotomuseum, LP 2, de Cruise Terminal en De Rotterdam van Rem
Koolhaas is de Wilhelminapier a place to be geworden. Doordeweeks is het nog wel eens moeilijk om bij een jazzoptreden
de zaal vol te krijgen, maar ook dat gaat steeds beter. Juist
grote namen kun je midden in de week goedkoper krijgen;
mensen weten dan de weg hier naar toe goed te vinden. We
programmeren heel breed, van neo bop tot bijna pop, van
funk tot Metropole Orkest. Voor elk concert is er een ander
publiek. We scoren gemiddeld 150 bezoekers per concert
met regelmatig uitschieters naar 250 of 300, afhankelijk van
het soort concert en of we de tribunes inklappen.”
In elke jazznota die de afgelopen decennia werd geschreven was er altijd sprake van een sterke binding tussen een
bepaald podium en zijn publiek. Van die vanzelfsprekende
relatie is de laatste tijd steeds minder te merken, al heeft
elk podium nog steeds, of misschien moet wel gezegd worden, steeds meer zijn eigen sfeer. Frank Bolder erkent dat de
nieuwe zaal van LantarenVenster (er is recent een tweede
kleinere zaal bij gekomen om beter en flexibeler te kunnen
programmeren) als het ware een concertante benadering
afdwingt. De akoestiek dwingt het publiek stil te zijn. “Zelfs
drankjes mogen bij ons niet meer mee naar binnen als de
stoelen blijven staan. Dat maakt het allemaal wel wat sterieler dan in een clubambiance mogelijk is” erkent Frank.
“Maar de bezoeker aan LantarenVenster wil dat comfort en
die stilte ook. En de musicus uiteindelijk ook. In het oude
theater hadden we per jaar 5 tot 6 duizend bezoekers. Dit
seizoen halen we de 18.000 bezoekers. Het is hard werken,
maar je krijgt er de noodzakelijke reuring mee. Rotterdam
is een echte jazz stad geworden.”
Bird, het podium dat gevestigd is in twee van de Hofbogen
en de nieuwkomer in het recente cultuurplan, levert wat dat
betreft een heel andere ambiance op. Op een willekeurige
maandagavond bezoek ik een concert van de mij onbekende
Cody Chestnutt. Ik tref – op een maandagavond dus - een
dampende, stampvolle zaal met een swingende, funky band.
“Dan heb je meteen een van mijn gedroomde concerten
bezocht”, aldus Bird- programmeur Hugo Dirkson. “Toen
ik bij Watt weg moest, waar ik tot het faillissement gewerkt
heb, had ik een podium voor ogen waar groepsimprovisaties plaats konden vinden. Een podium waarop vrijelijk
leentjebuur kon worden gespeeld bij andere stijlen, van
hiphop tot soul en funk; ja zelfs wat mij betreft country en
singer/songwriter dingen. In een zo vrij mogelijke atmosfeer
gedijen bandjes het best. In mijn visie zit het publiek niet,
maar swingt het mee. De band pakt het op en stijgt tot grote
hoogte. In een clubsetting ontstaat de magie die de musicus
voelt en oppakt. Maar als je zoiets wilt bereiken moet op
en rond het podium alles goed zijn: De ontvangst van de
artiest, de belichting, het geluid, de plek van de bar, alles
moet kloppen. Bij Bird hebben we dat in twee jaar tijd weten
te realiseren. We hebben sinds de cultuurplan-erkenning
twee seizoenen gespeeld. Het gaat heel goed. We werken
veel samen met de North Sea Jazzclub die naast de Wes-
tergasfabriek in Amsterdam zit. Zonder zo’n samenwerking
gaan veel bands aan je neus voorbij. Als een band slechts
één concert in Nederland boekt vis je in vergelijking met
Amsterdam meestal achter het net. Het is niet anders. Maar
die samenwerking levert ons veel op. Ook LantarenVenster werkt op zo’n manier nauw samen met het Bimhuis.
Wat heeft geholpen bij het vergroten van de gunfactor zijn
de afterparties die we sinds 2011, toen nog op proef, na
afloop van North Sea Jazz organiseren. Heel belangrijk is
dat de ‘industrie’ daar ook is, dus de platenbazen, de bookers en de agenten. De sfeer die we nu al drie keer achter
elkaar hebben weten te creëren is amazing om de Amerikaanse jazzpianist Robert Glasper te citeren. We hadden
tijdens het optreden van zijn band een opstelling midden
in het publiek gekozen. Die intieme sfeer die daar ontstond
maakte het concert tot een once in a lifetime event. Dat was
mijn eerste kippenvelmoment bij Bird.”
Frank van Berkel, programmeur bij Jazz International, die
met zijn gecontracteerde musici beurtelings bij de Doelen en
bij LantarenVenster te gast is, herkent nog wel verscheidene
groepen per soort concert, maar niet meer per podium. “Er is
in de afweging die de bezoeker maakt nog steeds wel sprake
van de trits bereikbaarheid, sfeer en programmering; waarbij de programmering niet noodzakelijkerwijs de doorslag
geeft. De Flipsezaal in de Doelen, waar Jazz International
een groot deel van zijn programma neer zet, heeft zo op
het eerste gezicht alle kenmerken van een concertzaal, net
zoals bij LantarenVenster. Maar na afloop bouwen we die
zaal vliegensvlug om tot Grand Café. We schuiven de deur
van de ruimte waar de bar is weg. Er is geen kleedkamer,
het publiek kan de musici die hebben opgetreden gewoon
aanraken en aanspreken. We hebben een formule waarbij
optredende musici na afloop hun favoriete muziek draaien.
Dat werkt, de zaal is de laatste tijd steeds vaker uitverkocht.
We moeten soms zelfs verhuizen naar de grotere Jurriaanse
Zaal. We hebben het ook voor elkaar gekregen om voor een
wat moeilijk verkoopbare serie met big bands voldoende
publiek te werven.”
Frank Bolder van LantarenVenster vindt dat de stelling “Elk
publiek een eigen podium” in een ander tijdvak thuis hoort.
“Ik zorg gewoon voor mooie muziek en hoop daar publiek bij
te vinden. Je kunt tegenwoordig met de moderne media veel
beter inschatten wat het publiek wil. We hebben op Facebook
op dit moment zo’n 20.000 volgers. Onze nieuwsbrief gaat
naar 15.000 adressen. We kunnen die mensen op allerlei
manier indelen; vaste groepen bestaan niet meer.”
Drummer/componist/bandleider Arend Niks vindt eveneens
dat de constatering “Elk publiek een eigen podium” aan
herziening toe is. Misschien is het hard core jazz publiek dat
zweert bij bebop en mainstream nog in LantarenVenster en
de Doelen te vinden, maar de binding tussen muziekstijl
en publiek wordt steeds losser. Het nieuwe publiek, zoals je
dat in ruime mate treft bij Bird en Grounds, is nieuwsgierig
maar daarmee ook grilliger geworden. Het maakt ze totaal
niet uit of een concert door de week of in het weekend is.
Vaste uitgaanspatronen zijn er niet meer.”
Die grilligheid en onvoorspelbaarheid brengt ons bij de
vraag of die karakteristieken misschien kenmerkend zijn
voor Rotterdam. Is er überhaupt iets wat de jazz scene in
Rotterdam doet verschillen met die elders in Nederland?
Mijke Loeven, die zeer onlangs nog de Dutch Jazz Award
heeft gepresenteerd, stond weer versteld van het overweldigende niveau van de nieuwe lichting jazzmusici. Niet alleen
van de aantallen musici maar vooral ook van de breedte van
het muzikale terrein waarop men zich beweegt. “Ik zag big
bands met flamenco-invloeden, iemand die jazz maakt met
de klassieke componist Louis Andriessen als inspiratiebron,
enzovoorts. We realiseren ons maar half hoe waanzinnig
hoog de jazzstandaard in Nederland inmiddels ligt.”
Ik kan het alleen maar beamen. Ik woonde in Dizzy een
heel slecht bezocht concert bij van de band van Ed Verhoeff
(sax), maar toch wordt er dan voor pakweg dertig bezoekers
een puik palet van bop, via free, tot jazzrock neergezet; gratis,
vrij toegang. Een paar dagen daarvoor zit ik ook in Dizzy
en maak ik een jamsessie mee van de vaste Bird-jammer,
de funky slaggitarist Flavio Silva met een aantal musici die
waarschijnlijk van Codarts afkomstig zijn. Het klinkt voor
mij, met al die ingenieuze maatsoorten, alsof ze al jaren
samenspelen. Dat gebeurt allemaal zomaar, alweer voor
niets, op een willekeurige woensdagavond voor een man
of vijftig. Arend Niks bevestigt dat de kwaliteit hoog is. “Het
wachten is nu op de eigenzinnige figuren die doorbreken. Je
ziet overal om je heen te gek spelende mensen. Rotterdam
heeft alle kenmerken van een enorme broedplaats. Musici
moeten echter wel opletten zich niet ‘voorbij te communiceren’. Op hoog niveau weet men in contact te komen met het
publiek. Het muziekproduct is daarmee minder zichzelf en
meer het resultaat van wederzijds gedeelde verwachtingen.
Ik zit te wachten op een eigenwijze figuur die zich daar niets
van aantrekt en zijn eigen weg gaat.”
Dan komt bij Niks het hoge woord er uit: “Jazz is misschien
wel salonfähiger geworden, zeker in vergelijking met dertig
jaar geleden toen op de jazz scene nog de woorden: ‘underground, drugs, alternatief’ geplakt konden worden. Maar nu
staat daar tegenover: ‘veelzijdigheid, open mind en hoog
niveau’. Voeg daarbij de perfecte ambiance in termen van
zalen, akoestiek en geluid en ik moet concluderen dat we er
in Rotterdam alleen maar op vooruit zijn gegaan.”
Misschien is dat wel het kenmerkende van de Rotterdamse
jazz scene, dat er géén sprake is van een Rotterdamse school.
Arend Niks: “Wat zo typisch is aan Rotterdam, is dat hier álles
telt. Kijk naar een man als Benjamin Herman, toch ook een
halve Rotterdammer. Hij speelt werkelijk alle stijlen, van pure
“Ondanks het inmiddels
brede podiumaanbod
blijft het voor jonge
musici lastig om aan de
bak te komen.”
improvisatie, via Parker en Mengelberg tot de meest tongue
in cheek feestmuziek bij zijn New Cool Collective.
Alles bestaat hier naast elkaar, veel muzikanten bewegen
zich – wellicht ook wel noodgedwongen – op vele velden. Ik
zelf ben daar een voorbeeld van. Ik bekeer me niet tot één
bepaalde muzieksoort, wat telt is het niveau van professionaliteit van de uitvoering. Zo speel ik op dit moment mee in
de musical: Zij gelooft in mij, geloof me als ik je zeg dat daar
muziek op hoog niveau wordt gemaakt! De tijd waarin je tot
één stroming behoorde is voorbij.”
Mijke Loeven en Frank van Berkel bevestigen dat beeld. “Wat
we in Rotterdam hebben zien ontstaan is echt onorthodox te
noemen. We zijn vanuit Jazz International begonnen met het
programmeren van jazz op podia waar aanvankelijk helemaal
geen jazz geprogrammeerd werd. Jazz op een klassiek concertpodium, jazz in LantarenVenster waar jaren lang alleen
theater en dans te zien was. Dan zijn daar op eigen kracht
Grounds met de meer exotische muziekvormen en Bird met
een funky en hiphopinvalshoek bij gekomen. Inmiddels mixt
dat allemaal met elkaar, zowel vanuit de opleiding als vanuit
de uitvoeringspraktijk.”
Hugo Dirkson: “Als iets geldt voor deze scene is dat de
musici geen oogkleppen op hebben. Kijk maar naar de formatie Oxygen Refreshed. Dat zijn echte alleskunners, ze
mengen jazz met beats, met elektronica. Daarin onderscheidt
het jazzleven in Rotterdam zich toch echt van de beboppers
uit Den Haag en de artistiekelingen uit Amsterdam.”
Ook Frank Bolder ziet wel degelijk een Rotterdamse
muziek scene en noemt de namen van zangeressen als Kim
Noorweg en Shirma Rouse, “waar we nog heel veel van gaan
horen”. Benjamin Herman en Eric Vloeimans hebben hele
nieuwe generaties jazzmuzikanten op weg geholpen; Stefan
Lievestro is een musicus die momenteel ontzettend veel op
gang brengt. “Ik vind het heel bijzonder dat een Cubaanse
pianist als Abel Marcel er vooralsnog voor heeft gekozen om
in Rotterdam te blijven wonen; de scene in Rotterdam mag
kleiner zijn dan die in Amsterdam, hij is er wel degelijk.”
Frank van Berkel vindt het New Rotterdam Jazz Orchestra een typisch voorbeeld van een Rotterdams jazzprojekt.
“Daar zitten de leukste jazzmensen uit heel Nederland bij
elkaar, zoals de drummer Mark Schilders die behoorlijk aan
de weg timmert. Denk verder aan gitarist Reinier Baas. Loek
Boudestein is al jaren de nieuwe, stuwende kracht achter het
geheel. De moeilijkste composities worden met een schijnbaar gemak gebracht, waardoor ondanks de complexiteit
toch gemakkelijk een groot publiek bereikt wordt. Terwijl in
Amsterdam het toch vooral de kunstgerichte muzikanten zijn
die met subsidie een bestaan weten op te bouwen, zijn het
in Rotterdam vaak de jonge ondernemers die met nieuwe
formules hun broek weten op te houden.”
Terwijl menige cultuuruiting nog worstelt met de naweeën
van de grote bezuinigingsslag lijkt de jazz in alle opzichten
uitgegroeid tot een erkende, op een brede belangstelling
bogende cultuuruiting. Misschien is dus toch langzamerhand de angst van Deelder gerechtvaardigd: “God bewaar
me dat morgen iedereen ineens jazz goed vindt” —TS
18
Puntkomma juli-september 2014
Er kan met mij niks mis gaan, zo!
19
Puntkomma juli-september 2014
Er kan met mij niks mis gaan, zo!
Jeroen Pomp
Jeroen Pomp (1985) is met zijn negenentwintig jaar
een van de jonge kunstenaars met een beperking bij
Herenplaats. Zijn werk is te vinden in galeries en
beurzen voor ‘outsider art’. Hij exposeerde in 2011 in
het Stedelijk Museum in Schiedam op de expositie All
about Drawing. In 2005 en 2006 hing werk op de
Outsider Art Fair in New York en in 2005 was er een
solo expositie in de Luise Ross Gallery in New York.
Zijn tekeningen in kleur brengen tussen de 1200 en
1700 euro op. Vanaf zijn zeventiende werkt hij op het
atelier van Herenplaats. Jeroen: “Midden in mijn
pubertijd is mijn autisme ontdekt. Eerst had ik
PDD-NOS en dat is omhoog geschoten naar
spectrum autisme. Ik denk dat ik mijn hele leven in
spectrum autisme blijf hangen. De laatste tijd ben ik
veel aan het kletsen. Ik praat over positieve optimistische leuke dingen. Ik ben als kind streng aangepakt, want ik heb stoute dingen gedaan. Ik heb
badschuim opgegeten, omdat het leek op slagroom”.
“Ik word wakker door de wekkerradio. Tien
minuten luister ik naar nieuws en reclame.
Daarna gaan mannen met elkaar door de
telefoon kletsen en zet ik de radio uit. Dan is
het elf minuten over half acht. Plasje doen,
rustig douchen, deodorant, aankleden,
schoenen aan en een luchtje op doen. Ontbijten natuurlijk en als laatste doe ik mijn
horloge om. Net na negen uur komt de taxi,
die brengt eerst anderen weg en tegen tien
uur zijn we hier bij Herenplaats. Koffie en dan
ga ik een half uurtje plaatjes kijken. Daarna ga
ik echt tekenen. De lunchpauze is om kwart
over een en er is koffie om kwart over drie.
Om tien over half vier ga ik opruimen en
wacht op de taxi terug. Thuis tekenen doe ik
nooit, dat mag niet. Tv kijken, vlak voor het
slapen neem ik medicatie en een stukje fruit.”
Er kan met mij
niks mis gaan, zo!
Galerie Atelier Herenplaats kan zijn vijfde lustrum niet vieren in de
schaduw van de Witte de Withstraat aan de Schiedamse Vest. Na
een jaar onzekerheid lijkt een verhuizing naar de Zoutziederstraat in
Delfshaven de mogelijke redding van galerie en atelier voor
kunstenaars met een beperking en psychiatrische patiënten.
Bezuinigingen op de zorg vormen de bedreiging. Cultuurminister
Bussemaker maakt propaganda voor de verbinding tussen kunst en
zorg en de maatschappelijke betekenis van kunst. Dat gebeurt nou
juist bij Herenplaats; het gaat daar niet om een hobby, want talent en
passie voor het tekenen of te schilderen is een voorwaarde voor
deelname. De Stichting Pameijer biedt aan bijna veertig kunstenaars
permanente begeleiding in een professionele kunstomgeving.
Door Dirk Monsma
G
alerie Atelier Herenplaats bestrijkt
twee ruime winkelpanden aan de
Schiedamse Vest hartje centrum Rotterdam. Begeleiders Richard Bennaars en
Frits Gronert bedachten het concept voor
Herenplaats in 1991 onder de vleugels van
Stichting Pameijer. Het begon met zes verstandelijk gehandicapten geselecteerd uit de
dagcentra van de Stichting in een werkplaats
aan de Herenplaats in het centrum van Rotterdam. Uitgangspunt was dat mensen met
een beperking recht hebben op een leven als
ieder ander. Kwetsbare mensen met beeldend talent kunnen op deze manier zinvol
aan het normale leven mee doen. De deelnemers worden geselecteerd op talent en motivatie, vertelt Bennaars:” Bij onze kunstenaars
moet het bijna om een obsessie gaan om
hier te werken. Zij werken daarom de hele
week. Iedereen begint met een opleiding om
verschillende technieken en materialen uit
te proberen. Daarna maakt de kunstenaar
zijn eigen keuze. Soms duurt dat een half
jaar of langer.” Museumbezoek met de groep
is een van de gezamenlijke activiteiten. De
twee begeleiders onderhouden contacten
met galeries en beurzen voor outsider art
over de hele wereld. Galerie Hamer aan de
Leliegracht in Amsterdam is daar één van.
Ook bemiddelen Bennaars en Gronert voor
hun kunstenaars naar beurzen als de Outsider Art Fair in New York. Zij kennen verzamelaars zoals Armando die gecharmeerd
zijn van de puurheid van het werk. Gronert:
“De werken van de kunstenaars met een
beperking bouwen niet voort op wat er eerder was, op eerdere kunstenaars. Zij tekenen
en schilderen zonder voorkennis. Het is puur
wat het is.”
Vanaf januari 2015 gaat een deel van de
zorg naar de gemeenten in combinatie met
stevige bezuinigingen. Dat heeft ook voor
Herenplaats onmiddellijk gevolg. Directeur
Joke Ellenkamp van Pameijer kon tot dit
jaar altijd wel ergens in de organisatie geld
overhouden om Herenplaats te financieren,
samen met Theater Maatwerk van de Stichting. Dit is nu niet langer mogelijk. Directeur
Ellenkamp: ”De bezuinigingen die op ons af
komen zijn enorm en gaan oplopen tot tien
of elf procent, de huur van Atelier Herenplaats op die centrale locatie in de stad is
daarom niet meer op te brengen. We hebben
al jaren achter elkaar extra geld geïnvesteerd
in de kunst- en cultuurlocaties en dat kunnen
we ons niet langer permitteren. Om die reden
Kunstenaar Jeroen Pomp
zijn we naar een goedkopere plek op zoek
gegaan. Pameijer is goed in zorg, wij willen
onze cliënten daarbij optimaal begeleiden.
We zijn natuurlijk geen culturele organisatie
en daarom zochten we samenwerking met
een culturele partner. Die hebben we gevonden bij het Rotterdams Centrum voor Theater (rcth).” Als de onderhandelingen met de
gemeente Rotterdam over huur en verbouw
goed verlopen kunnen Herenplaats, Theater
Maatwerk en rcth&Cultuurhuis Delfshaven
samen worden ondergebracht in een oud
schoolgebouw in de Zoutziederstraat. Joke
Ellenkamp: “Het rcth bereikt veel buurtbewoners en scholieren uit de omgeving, voor
ons is dat weer een kans om vanuit de inclusiegedachte mensen met een beperking te
laten functioneren in de maatschappij.”
Als dit werkelijkheid kan worden zal een
unieke samenwerking ontstaan, een voorbeeld voor het cultuurbeleid van de regering.
Jammer dat dit dan weer rijksbeleid is zonder
geld. Ook weerloze mensen zijn van waarde,
zou je denken. Joke Ellenkamp:”Veel meer
dan in het verleden zullen wij afhankelijk
zijn van initiatieven van de deelnemers, van
fundraising en andere alternatieve vormen
van geldwerving. Er is een grote omslag in
het denken nodig van iedereen die hier bij
betrokken is. Als dat gebeurt dan kan het
zeker lukken en gaan alle kunstenaars mee
naar de nieuwe locatie.” —DM
Strakke kleuren
“Op de VSO in mijn laatste jaar tekende ik al
veel, op de basisschool niet. Ik ben begonnen
met tekenen toen ik zeventien jaar was. Na
vier of vijf jaar kwamen die strakke kleuren
naar boven. Ik heb ontdekt dat mijn opa ook
kunstenaar was, mijn moeder heeft tekeningen van hem laten zien. Hij tekende net
als ik, maar minder druk. Ik doe drie of vier
maanden over een tekening, soms wel acht.
Ik werk aan één tekening tegelijkertijd. Dat
is het beste zeggen ze. Als die ene tekening
klaar is, kan ik beginnen aan de volgende
tekening. Dat geldt voor iedereen hier. Daar
zijn strenge regels voor.”
Eigen stijl
“Ik teken alles met kleurpotlood. Ik ben niet
zo goed met verf. Ik heb het wel geprobeerd,
de begeleider zei: ‘ga door in je eigen stijl’.
Frits is mijn mentor. Ik vind mijzelf ook goed
met tekenen. Ik kijk in boeken over planten,
vogels, fruit, muziekinstrumenten. Ik ga door
met tekenen tot mijn tachtigste, negentigste,
honderdste jaar. Tot honderdenvier jaar. Dan
ga ik stoppen. Vind je dat een strak plan? Ik
heb altijd strakke plannen. Sommige tekeningen zijn verkocht. Sommige hebben mijn
ouders hangen. Er hebben tekeningen gehangen op de beurs in New York, daar betalen ze
met dollars. Het gaat de goede kant op.”
Donkere tinten
“Dit is een beetje gedetailleerd, want ik maak
vaak dieren en planten, mensen ook. Ik heb
hier drie casinokasten gezet. Het is Las Vegas,
dat komt af en toe wel eens in mijn hoofd
terecht. Daar is een kleine snackbar, waar
ze patat en snacks kunnen verkopen en ook
limonade, sinaasappelsappen en ijsjes. Ik
kan haast alle vogels tekenen. Iedere dag
kijk ik naar plaatjes van vogels, naar kleuren,
vormen en structuren. Bij die mensen staat
een Sumatraanse mijnheer en daarnaast,
dat zijn Nederlandse mensen. Ik kan goed
donkere tinten tekenen. Ik heb zelf verzonnen om er een man uit Sumatra tussen te
zetten. Voordat ik ga tekenen moet ik eerst
strak nadenken. Ik ga goed bekijken, waar ga
ik dit neerzetten. Ik kijk goed hoe de kleuren
in de natuur bij dieren en planten er uitzien.
Bij de mensen verzin ik het zelf.”
“Begin je alles te begrijpen? Want ik heb
nu wel alles verteld. Er kan met mij niks mis
gaan, zo!”
Kunstenaar Mies van der Perk
Mies van der Perk
Mies van der Perk (1938) hoort bij de groep (ex-)
psychiatrische patiënten. Zij is de oudste kunstenaar
uit het atelier. Haar werk werd geëxposeerd bij de
Kunstuitleen Rotterdam en van haar zijn vijfhonderd
werken opgenomen in een archief van ‘buitengewone beelden’ bij de Fontys Hogeschool in
Eindhoven. Haar werken brengen zeshonderd tot
duizend euro op. Mies:”Herenplaats heeft een
wereldnaam en ik wil niet dat het verdwijnt. Hier vind
ik voor het eerst van mijn hele leven erkenning. Ik
word nu 76 jaar en heb te veel gaven om nu al dood
te gaan. Ik wil nog heel veel maken”.
Mies van der Perk: “Ik was zeven jaar, kort na
de oorlog, de juf keek naar een tekening van
mij en ik hoor haar nog tegen iemand zeggen:
’Dat kind kan perspectief tekenen’. Ik herinner mij dat ik er mij als kind over verbaasde
dat een lantaarnpaal hier dichtbij veel groter
was dan die paal verderop. Mijn vader was
tramconducteur en ons gezin bestond uit elf
kinderen. We woonden op Zuid. Mijn vader
werd in 1942 toen ik vier jaar was afgevoerd
en te werk gesteld in Duitsland. Mijn moeder
moest die drie oorlogsjaren hard sabbelen
voor een hongerloontje. Dat mens werkte
dag en nacht en ze was ook nog altijd aan
het borduren en handwerken.”
Zwart gat
“Na de lagere school moest ik van school af
om te werken, dat is een zwart gat, wat er is
gebeurt weet ik niet. In de jaren zonder tekenen wist ik niet goed wat er met mij aan de
hand was. Bij het ziekenhuis Dijkzicht heb
ik dertig jaar met een karretje de koffie en de
thee rondgebracht. In 1988 ben ik gaan tekenen en schilderen bij de SKVR. Ik werk met
pen, met graffietstift, acryl en aquarel. Op mijn
59ste jaar werd ik bij het ziekenhuis wegbezuinigd omdat er machines voor in de plaats
kwamen. Dat was in 1995. Ik viel in een gat.”
Kerk afkraken
“Pas in 2005 kreeg ik een indicatie om hier in
het atelier te werken. Want je hebt hier een
indicatie nodig. Dat was in mijn zwarte periode. Ik had in die tijd een hekel aan godsdiensten. Paters die kinderen seksueel misbruikten en nonnen die kinderen vertrapten. Dat
zie je uitgebeeld in mijn werk terug. Kijk dit
is de titel: ‘De nozem en de non.’ Die nozem
zuigt aan de tiet van de non en non zit aan
zijn piel. Kijk, ik zie nu opeens wat ik fout heb
gedaan, want hier zou er nog een tepel bij
kunnen. Gruwelijk dat mensen op de televisie vertellen dat ze na vijftig jaar nog met
een trauma rond lopen. Ik ben niet katholiek
opgevoed, ook niet socialistisch. Ik wilde de
kerk afkraken. Ik zie nu in dat de fout niet in
de godsdienst zit. Na acht jaar krijgt mijn werk
iets van een lach terug. Het ontwikkelt zich.”
Angst tekenen
“Richard is mijn mentor. Hij heeft mij vertrouwen en erkenning gegeven. De galerie
is mijn lievelingsplek. Ik heb een schrift vol
tekeningen over mijn dromen, die maak ik
meteen als ik wakker word. Mijn angst is dat
Galerie Herenplaats dicht gaat. Als ik in een
dip zit, zoals nu met de onzekerheid over
Herenplaats, dan teken ik mijn dromen. Als
ik mijn angst heb getekend, dan kan ik het
wegsturen. Al die tekeningen zijn heel snel
gemaakt, meestal met pen. Soms later met wat
kleur. Richard zegt dat ik niet bang moet zijn.”
“God bewaar
me dat morgen
iedereen ineens jazz goed
vindt.”
Jules Deelder in artikel Gaat het hier nog wel van: “bloep, bloep, bloep?” (pag. 14)
Colofon
Art Direction & Design
Overige beelden auteurs Puntkomma
Evers + de Gier (eversendegier.nl)
Drukker
Beelden
Veenman+
Met bijdragen van:
Cover en interview
Hugo Bongers Lector culturele diversiteit
Dana-Romina Tietjen (danaromina.de)
Uitgever
Hogeschool Rotterdam
Kunstwerk De Vrijplaats
Stichting Moois Media, Rotterdam
Eva Visser Docent-onderzoeker bij kenniscentrum
Gerwin Luijendijk (gluijendijk.blogspot.nl)
Creating 010 van Hogeschool Rotterdam
Voor ingezonden brieven en andere reacties,
Dirk Monsma Adviseur Raad voor Cultuur
p. 8: Thom Bronneberg (thombronneberg.nl), p.12:
voorstellen voor bijdragen en informatie over de
Arnold Westerhout Onderzoekstudent Visual Arts
Blaakhaven (blaakhaven.info), p.14: Ivo Streng/
De Vrijplaats kan er contact worden opgenomen
Media Architecture (VAMA) aan Vrije Universiteit
Rotterdam Image Bank, p.17: Marc Heeman/
met de redactie: [email protected].
Erik Beenker Freelance Journalist
Rotterdam Image Bank (marcheeman.nl), p.18/19:
Gehele of gedeeltelijke over name van artikelen
Tjeu Strous Publicist & saxofonist
Jeroen Pomp, Mies van der Perk (herenplaats.nl),
is met bronvermelding toegestaan.