Als de haven brandt, brandt het land

‘Twee Antwerpse socialisten die in de nacht van 22 op 23 mei 1936 te Antwerpen door een fascist werden vermoord.’
B
SOCIAL E STRIJD
Op de eerste rij van het protest: de dokwerkers
Als de haven brandt,
brandt het land
Maandag is het dokstaking, niet voor de eerste keer. Op het kerkhof liep onze
reporter toevallig voorbij het graf van een vermoorde havenarbeider. De weken
na de moord brak een revolutie uit. ‘Zo is het vaak gegaan in België: de dokwerkers
leidden het protest, de rest volgde.’ Dit is het verhaal van Pot en Grijp, van Frans
en Zwarte Willy, van de mannen die regeringen deden beven.
DOOR STIJN TORMANS, FOTO’S SASKIA VANDERSTICHELE
et stormde weer hevig in ons glas water, de voorbije
week. Op 6 november trok een van de grootste naoorlogse betogingen door Brussel. 120.000 mensen, maar
die haalden de voorpagina’s van de kranten niet. Wel een paar
tientallen relschoppers: sommigen droegen een masker, anderen een fluo-oranje jasje waarop HAVEN VAN ANTWERPEN
stond.
De burgemeesters van Brussel en Antwerpen wezen elkaar
aan als de grote schuldige. Die van Antwerpen beloofde meteen
een ‘indrukwekkende ordemacht’
tegen een betoging die niemand
gepland had. De dokwerkers beweerden dan weer dat ze geflikt waren:
er hadden zich op 6 november neofascisten tussen hen gemengd.
H
Amsab
WWW.KNACK.BE
19 NOVEMBER 2014 51
▲
Een paar zomers her, telefoon van
een vriendin. Ze was bezig aan een reis
door eigen land en vroeg of ik haar de
mooiste plaats van Antwerpen kon
tonen.
Ik nam haar mee naar Schoonselhof,
een majestueus kerkhof aan de rand
van de stad. Leidde haar langs alle bekende graven op het ereperk: van Herman de Coninck naar Jean-Marie Berckmans, van
Paul van Ostaijen tot Julien Schoenaerts. Tot ze plots halt hield
voor een wat verwilderd graf. ALBERT POT (1917-1936) &
THEOPHIEL GRIJP (1899-1936) stond erop.
‘Wie zijn dat?’ vroeg ze.
Ik werd gered door de tekst die op hun graf stond: ‘Twee
Antwerpse socialisten die in de nacht van 22 op 23 mei 1936 te
Antwerpen door een fascist werden vermoord.’
‘Ik kan ook lezen’, zei ze. ‘Maar waarom?’
Later vond ik het antwoord in De Volksgazet van 24 mei
1936. Tussen het verkiezings- en besparingsnieuws stond een
vette titel: TWEE VAN ONZE KAMERADEN LAF VERMOORD.
‘Het is met een bloedend hart dat wij deze regelen schrijven. Rond twee uur ‘s nachts werden onze kameraden verwittigd dat er een auto toerde over de Paardenmarkt, en dat
die auto nogal wat belangstelling had voor het huis van onze
vakbond. Zij sprongen in een camion. Op de Italiëlei gekomen
zagen zij een paar leden van de Realisten plakken, de partij die fascisme
belooft.
‘Awel,’ zegde een van onze kameraden, ‘is er geen plaats meer op de schutsels, dat gij moet plakken op de palen?
En moeten vrouwen bij u ook al meewerken?’
Het eene woord bracht het andere
mede. Onze makker Pot Albert, arbeider, ging op de man toe. Deze Realist,
deze schoelie liever, deze lafaard, ontweek het eerlijk gevecht van man tot
man. Hij greep een revolver en loste een
tweetal schoten. Reeds bij het eerste zeeg Pot doodelijk gewond
ten gronde. Onze kameraden bogen zich over den gevallen makker en zij besloten hem naar het Stuyvenbergziekenhuis te
brengen. Maar onderwege geschiedde het tragische: hij overleed in hun armen. (...)
Onze andere kameraden liepen achter de vluchtende
Realisten. Aan de Vlaamsche Opera sprong onze kameraad
Grijp Theophiel, dokwerker en lid van de havenvakbond, op
de Realist. Die schoot weer... Kameraad Grijp werd in de
hartstreek getroffen en ook hij zeeg neer. (...) Het bericht over
B
SOCIAL E STRIJD
‘In de tijd van mijn grootvader zeiden
politici ook dat er geen alternatief
was. “We kunnen de kinderarbeid niet
afschaffen, dan verliezen we de
concurrentie met Engeland.”’
▲
deze tragische gebeurtenis liep als een vuurtje door de stad.
Overal en in alle kringen verwekte het de grootste ontroering.’
Hoe het verder ging: op de dag dat Pot en Grijp begraven
werden, staakten de dokwerkers. Een eresaluut voor hun vermoorde collega’s. Duizenden havenarbeiders liepen mee in de
begrafenisstoet. De weken erop brak een revolutie uit in België.
Niet tegen fascisme, maar voor betere werkomstandigheden.
Op 15 juni 1936 staakten 150.000 mensen mee, drie dagen later
waren dat er al een half miljoen.
Het ging er hard toe tussen agenten en stakers. Kogels vlogen heen en weer, een vrouw stierf van de angst. Uiteindelijk
zwichtte de regering: de arbeiders kregen de veertigurenweek,
zes dagen betaald verlof en een ziekteverzekering. De wonderjaren van de sociale zekerheid waren begonnen. Met dank aan
de dokwerkers uit de haven, waar het allemaal begonnen was.
Het is daar vaak begonnen, zegt historicus Donald Weber,
die vorig jaar het boek Leven en werken in de Belgische Transportindustrie (1913-2013) schreef. ‘Als er sociale onrust is, staan
de dokwerkers altijd op de eerste rij. Zij en de metallo’s uit de
Borinage: allebei zijn ze even strijdbaar, allebei even militant.
Dat heeft te maken met hun geschiedenis, die verweven is met
de sociale strijd. Het beroep is een product van het industrieel
kapitalisme. Vroeger bestonden er alleen zeilboten, en de
matrozen zorgden ervoor dat de bagage aan wal kwam. Met de
opkomst van de grote stoomschepen is alles veranderd: zij
brachten enorme ladingen mee.
Op het einde van de negentiende eeuw troepten duizenden
mensen samen op de kaaien. Telkens als er een schip arriveerde, viel er wat te verdienen. Het was hard en slecht betaald
werk, maar het had ook zijn charme. Je was niet aan een baas
gebonden. De eerste dokwerkers vormden daardoor een merkwaardige mix: veel wanhopige armeluizen, maar ook vrijbuiters en avonturiers.’
Foremannen deelden het werk uit. ‘Terwijl arbeiders daarop
wachtten, gingen ze iets drinken in de cafés. Vaak gebeurde
het dat de cafébaas foreman werd. Er ontstond al snel een handel: de dokwerkers die ‘s morgens het meest jenever dronken,
kregen een job. ‘s Avonds werden ze in hetzelfde café uitbetaald, nadat ze weer hadden moeten consumeren. Stomdronken
wandelden ze naar huis, meestal zo goed als platzak.’
Het was een laissez-faire-economie, daar aan de kaaien. Elke
week vielen er doden: dokwerkers die in het water vielen of
geplet werden in een machine. Tussendoor moesten de anderen
52 19 NOVEMBER 2014
hun boterhammen in de regen opeten, rug aan rug. Midden in
die erbarmelijke scènes groeiden de eerste vakbewegingen. ‘De
staking van 1907 was een keerpunt’, zegt Weber. ‘Daarvoor
waren er nog al stakingen geweest, maar elke keer was de vakbond verdwenen. Nu hadden de bazen weer gewonnen, maar
niet helemaal. De rode vakbond Willen Is Kunnen bleef
bestaan. Ze zetten heel wat dingen op de agenda. Zo werden er
aanwervings- en uitbetalingslokalen gebouwd, net als wc’s en
schuilhokjes. Later dwongen ze ook het statuut af: lossen en
laden mocht voortaan alleen nog uitgevoerd worden door
erkende havenarbeiders.
Zoveel jaren later is dat statuut nog altijd relevant, vindt
Weber, ook al wordt het verketterd in neoliberale kringen.
‘Dat werk kan alleen gedaan worden door mensen die weten
wat ze doen. Niemand kan zich geklungel permitteren. Een
tanker die zinkt door een fout van een havenarbeider, dat is
een miljardenverlies.’
Het statuut zorgt er wel voor dat de dokwerkers een gesloten groep blijven: mannelijk en blank. ‘Iedereen die wil lossen
en laden, moet een ticket hebben’, zegt Weber. ‘Het probleem
is dat er maar een beperkt aantal tickets is. Nieuwe komen er
alleen als een dokwerker sterft of met pensioen gaat. Stel dat er
dan twee gelijkwaardige kandidaten zijn: Mohammed en de
zoon van Jef De Dokwerker. Natuurlijk heeft die laatste een
kleine voorsprong, want hij weet van zijn vader wat hij moet
zeggen en doen. Het zal nog wel een generatie duren voor daar
verandering in komt.’
Op hun strijdbaarheid zit alvast geen sleet. ‘Dat is wel merkwaardig’, zegt Weber. ‘Oude havenarbeiders klagen vaak:
“‘t Is niet meer zoals vroeger. Die jonge gasten weten niet meer
wat havenarbeid is.” De aard van het werk is inderdaad veranderd. Nu moeten dokwerkers vooral het dashboard van een
kraan kunnen bedienen, terwijl het vroeger vooral zware handenarbeid was.
‘Het zijn ook geen armeluizen meer. Ze verdienen meer dan
vroeger – terecht, want het is gevaarlijk en belangrijk werk.
De meesten kunnen zich ook een auto permitteren en zijn verder van de haven gaan wonen. Daardoor zijn de typische dokwerkerscafés en wijken verdwenen. Ze gaan ‘s avonds ook
geen pint meer drinken. Je zou dan verwachten dat ze als los
zand aan elkaar hangen, maar dat is niet helemaal waar. Als ze
als groep aangevallen worden, reageren ze als groep. Dat was
ook te zien op die betoging. Ze liepen daar samen. “Wij zijn de
dokwerkers.” Ze beschouwen het echt als een identiteit, voelen
zich de erfgenamen van een verleden dat veroverd is.’
Er bestaan heel wat oud-strijdersverhalen over dat veroverde verleden. Over de dokstaking van 1936, bijvoorbeeld,
na de moord op Pot en Grijp. Over die van 1907, die van
1960-1961, over zoveel stakingen. ‘Elke tien, vijftien jaar is er
wel een’, zegt Weber. Maar geen enkele is zo legendarisch als
die van 1973. Acht weken lagen de havens van Antwerpen en
Gent plat. ‘Vandaag zou dat ondenkbaar zijn. De belangen zijn
veel te groot. Er zouden economische rampen gebeuren en
doden vallen.’ Maar ook toen was dat groot nieuws, vooral
omdat de vakbonden de staking veroordeelden. ‘Dat had
vooral te maken met een generatieconflict. Aan de ene kant had
je de oude vakbondslui die na de oorlog nog de sociale zekerheid meeonderhandeld hadden. Ze hadden jarenlang ervaring
EPO
Frans Wuytack, die mee de legendarische dokstaking van 1973 leidde.
opgebouwd aan de groene tafel. “Wij zijn de baas,” riepen zij,
“wij vertegenwoordigen jullie. Kijk eens wat we weer binnengehaald hebben: zoveel procent meer loon.”
Daartegenover stonden jonge mensen die participatie en respect wilden. Zij eisten bijvoorbeeld behoorlijk sanitair, zodat
ze niet meer stinkend naar huis hoefden. Dat waren zaken waar
de traditionele vakbondslui veel minder aandacht voor hadden. Het was ook de tijd van de flowerpower. De nieuwe generatie had lang haar en speelde songs van The Beatles. De oude
vakbondslui gruwden daarvan. Zij waren opgegroeid met de
schlagers van Will Tura.’
Het ging er hard toe, tussen vakbond en dokwerkers. Op 1
mei 1973 verstoorden ze de stoet op de Grote Markt in Antwerpen. De tribune met prominenten en politici liep leeg. Eén man
bleef zitten, met de armen gekruist: ABVV-bons Louis Major.
WWW.KNACK.BE
Wuytack vergeet nooit een man in het café van Jef Van
Extergem op het Sint-Jansplein. Hij was aan het wenen. ‘“Wat
is er?” vroeg ik. “Frans, het gaat niet meer”, antwoordde hij.
“Zeven weken geen loon... Mijn kinderen willen eten. Mijn
huwelijk gaat kapot.”
“Ga werken”, zei ik. Toen hij naar buiten wandelde, riep ik
hem na. “Ik vind u geen rat, ik begrijp het.” Tegen de anderen
zei ik: “Dat is niet erg, geen enkele staking mag totalitair zijn.
We zullen er alleen dubbel zo hard tegenaan moeten gaan.”’
Wuytack zocht zijn grootvader op, een oud-dokwerker.
‘Ha, de rattenvanger van Antwerpen’, grijnsde die. ‘Ik weet
19 NOVEMBER 2014 53
▲
Op de zeepkisten van toen leidden twee mensen het verzet:
Zwarte Willy en Frans Wuytack, een voormalig priester die net
terug was uit de krottenwijken van Venezuela.
Wuytack is vandaag 80 en is al veertig jaar weg uit de
haven, maar 1973 vergeet hij nooit. ‘Het is allemaal begonnen
met een 24 uursstaking, uit solidariteit met onze collega’s in
Gent. Nadien is het uitgebreid, al lag niet alles direct plat. De
haven is gigantisch groot, tientallen kilometers lang. Niet iedereen komt ‘s morgens naar ‘t Kot. We moesten dus voortdurend
van hot naar her rijden. De Strijd om Antwerpen was vooral
een bewegingsoorlog. Op alle vlakken: in elke staking zijn er
altijd momenten van hoogspanning. De meeste leiders willen
die spanning behouden en oppoken. Ik wou dat niet. Het was
veel belangrijker om iedereen erbij te betrekken, uit te leggen
waarom we deden wat we deden. De emancipatie van de dokwerker, dáár ging het over.’
Willen is kunnen, maar gemakkelijk was het niet. ‘Omdat
de bonden niet meededen, kreeg niemand een uitkering. Dat
leidde tot drama’s: bij sommige dokwerkers kwamen ze zelfs
de elektriciteit afsluiten. We moesten ook voedselpakketten
uitdelen.’ Maar ze kregen ook steun: van studenten, van de
jonge Gentse advocaat Piet Van Eeckhaut, van veel arbeiders.
Het land brandde een beetje. En weer was het lont ontstoken
in de haven.
B
SOCIAL E STRIJD
Wuytack werd afgezonderd door
de politie en minutenlang met houten
knuppels bewerkt. Op dezelfde plaats
waar jaren eerder Pot en Grijp
vermoord werden.
▲
En zijn grootvader: ‘Frans, dat zeiden ze in mijn tijd ook.
“Er is geen alternatief voor kinderarbeid. We kunnen dat niet
afschaffen, of we verliezen de concurrentie met Engeland.”’
Vandaag wordt die angst er op dezelfde manier in geramd. Ik
revolteer als ik politici hoor vertellen: “Er is geen alternatief
voor de hogere pensioenleeftijd. Of voor de besparingen in het
onderwijs en cultuur.”’
Zou zo’n staking van acht weken vandaag mogelijk zijn?
‘Om Bart De Wever bang te maken: ja. (lacht) De regering wil
mensen het gevoel geven dat ze er alleen voor staan. Daarom
moet je gaan betogen of staken. We have a dream. Ik heb zeven
keer in de gevangenis gezeten, in allerlei regimes. Dat was niet
fijn, maar je hebt tenminste mensen
om tegen te praten. Ik heb ook drie
keer in de isoleercel gezeten. Dat was
iets helemaal anders: daar ga je kapot.’
wat het is om gene fret te hebben,
jongen. Ik heb u dikwijls verteld
over de dokstaking van 1907. Ons
Emma zei mij: “Niet plooien, Sooi.
Nooit plooien.” Ik hoop dat gij ook
Wuytack heeft de voorbije
nooit plooit.’
weken ook om een andere reden
De volgende dag liep Wuytack
aan 1973 teruggedacht. Een paar
over de Italiëlei. ‘Mannen,’ riep hij
weken geleden is Zwarte Willy
door de megafoon, ‘het is mooi weer.
gestorven, zijn medekompaan van
We gaan een wandeling maken.’ Op
toen. Geruisloos. Hij die ooit op alle
dat moment chargeerde de politie.
voorpagina’s stond, die het land
Wuytack werd afgezonderd, in
deed daveren. ‘Willy was een fanelkaar geslagen, minutenlang met
tastische man’, zegt Frans. ‘Een
houten knuppels bewerkt.
echte dokwerker.’ Hij was aan de
Op dezelfde plaats, in dezelfde
haven begonnen net voor de dokstraat, waar jaren eerder Pot en
staking van 1960-1961. Even had
Grijp vermoord werden. Hij bleef
hij gespijbeld: zeeman geworden.
bewusteloos liggen en werd afgeGeleefd tussen de bananenplukkers
voerd naar het Stuyvenbergziekenvan Ecuador, in Argentinië en
huis. ‘Ik weet nog dat er aan de
Cuba. Zijn held Che Guevara achdeur twee agenten stonden om me
terna. Maar toch teruggekeerd naar
te bewaken. Er kwam een delegatie
zijn dokken, zijn basseng.
dokwerkers op bezoek. Zwarte
Wuytack: ‘Tijdens de staking van
Willy, die mee de staking leidde,
‘73 deden we alles samen. Hij had
zei: “Frans, als we jou kwijt zijn,
een luide stem, maar ook politiek
dan is de staking gebroken.”’
inzicht. Zijn vader was nog in de
In zijn gewonde hoofd echode
dokken verongelukt. Daarom kwam
maar één zin: ‘Ik hoop dat ge nooit
hij op voor de veiligheid van de
plooit. Ik hoop dat ge nooit plooit...’
dokwerkers, dat lag hem na aan het
Frans Wuytack, vandaag.
De dokwerkers gingen met hun
hart.’
brede ruggen voor de agenten staan.
Na de staking van ‘73 gingen ze
Frans stapte uit bed, een andere dokelk hun eigen weg. Wuytack vertrok
werker ging erin liggen. Ze wisselden van kleren. ‘Ik zie al die weer naar Venezuela, waar hij lid werd van de guerrilla. Zwarte
dokwerkers nog gebogen voor het bed staan: “Amai Frans, je Willy bleef in de haven, waar hij 37 jaar werkte.
ziet er al heel goed uit.”’ (lacht) Wuytack was weg, in de auto
Af en toe zagen de oude vrienden elkaar terug. Onlangs nog,
van Zwarte Willy. Een dag later speechte hij, met een zware een paar maanden voor zijn dood. Hij was ziek, Zwarte Willy
hersenschudding, voor duizenden arbeiders op het Sint-Jans- was Grijze Willy geworden. ‘Maar toch was hij geen haar verplein. ‘Kameraden...’
anderd. De meeste mensen krijgen daarna een goed betaalde
job en zwijgen. Zo was Willy niet: hij is tot zijn laatste dag
Zoveel levens later. Frans Wuytack is nu in Andalusië, aan consequent gebleven.’
het beeldhouwen met jongeren die geplaatst werden door de
Vorig jaar gaf Zwarte Willy zijn laatste interview, aan Radio
rechter. Nog altijd dezelfde activist van weleer, maar dan Centraal. In felbewogen Antwerps vroeg hij zich af waarom
anders. De voorbije weken heeft hij vaak teruggedacht aan stakingen vandaag altijd beginnen ‘oep ne vraaidag’. En nooit
1973. Omdat dat jaar een beetje lijkt op 2014. Hij hoorde de eens ‘oep ne moandag of ne destdag’, zoals in 1973. Zodat ze niet
Gentse burgemeester Geeraard Van Den Daele weer zeggen: meteen uitdoven.
‘Door die stakers kunnen we straks bloemekes gaan planten in
Speciaal voor Zwarte Willy, daarboven: 24 november 2014, de
de haven. Geen enkel schip zal nog willen komen.’
dag dat zijn basseng weer eens in brand staat, is ne moandag.
54 19 NOVEMBER 2014