Juridische knelpunten collectieve zonnestroominstallaties

Juridische knelpunten collectieve
zonnestroominstallaties
bevindingen en advies expertmeeting
dr. Ronald Franken
drs. Bart Jansen
Datum
Referentie
Projectnummer
29 augustus 2014
rfr/mlo/r/14.232
1400189
Met dank aan de deelnemers van deze expertmeeting:
Niels Muller
Advocaat, belastingadviseur
Senior associate
Michel Chatelin
Advocaat
Partner
Niels Bartels
Directeur
Peter Hopmans
Adviseur Zonnig Limburg
Esther Engelen
Senior beleidsadviseur
Christiaan Bresner
Directeur
Bedenker Herman
Laurens Hidde
Jurist
René van Genugten
Senior Belangenbehartiger
Publieke Zaak
Ronald Franken
Senior adviseur duurzaamheid
& Zonnig Huren projecten
Bart Jansen
Referentie
Adviseur duurzaamheid &
Zonnig Huren projecten
I n h ou d s o p g a v e
1
Inleiding
1.1 Aanleiding
1.2 Expertmeeting ‘Juridisch Speelveld Collectieve Zonnestroominstallaties’
1
1
1
2
C o n c l u si e e n a d v i e s : p r a k t i s c he a a n pa k
2.1 Roerend of onroerend
2.2 WOZ overschrijding
2.3 Stroomverdeler in plaats van individuele systemen
2.4 Voor ‘eigen rekening en risico’
2.5 Het energielabel
2.6 Servicekosten
2.7 Saldering
2
2
2
3
4
4
5
5
3
J u r i d i sc h k a d e r ; a c h t e r g r o n d e n r e g e l s
3.1 Roerend of onroerend
3.1.1 Bestanddeel
3.1.2 Verticale natrekking
3.1.3 Definitie Belastingdienst
3.1.4 Conclusie
3.2 WOZ-overschrijdingen
3.2.1 Wat is een aansluiting
3.3 Stroomverdeler
3.4 Voor ‘eigen rekening en risico’
3.5 Het energielabel
3.6 Servicekosten
3.7 Saldering
Referentie
6
6
6
7
7
8
8
8
9
10
11
11
13
1
Inleiding
Corporaties willen graag investeren in zonnestroomsystemen om hun woningbestand te verduurzamen en de energielasten van huurders te verlagen. Een aantal woningcorporaties investeert al in
zonne-energie. Dit doen ze door zelf te investeren of via investering door derden of huurders zelf.
De zonnepanelenstroom wordt dan gesaldeerd op de particuliere of gemeenschappelijke meter als
dit voordelig is. Verrekening van dit voordeel op de energierekening vindt veelal plaats via een
huurverhoging of bij collectieve systemen in de servicekosten. In het eerste opzicht lijkt dit simpel
maar in de praktijk lopen corporaties tegen onduidelijkheden aan waardoor ze slechts een deel van
het potentieel benutten of zelfs er vanaf zien om te (laten) investeren in zonne-energie.
1.1
Aanleiding
Zoals genoemd is er door een aantal corporaties al geïnvesteerd in zonnepanelen. Vaak zijn dit individuele systemen op rijtjeshuizen, aangesloten achter de meter of een groter systeem op de collectieve aansluiting van flats. Dit zogenaamd laaghangende fruit zijn oplossingen met de minste
juridische obstakels en risico’s maar benutten slechts een beperkt deel van het potentieel van zonne-energie op huurwoningen. Vanwege het belang om voor alle huurders een goede oplossing te
bieden, worden er ook soms routes ingeslagen die juridisch nog vragen met zich meebrengen.
Marktpartijen bieden bijvoorbeeld stroomverdeleropties aan, woningcorporaties zien graag de ruimte om niet in de huur maar in de servicekosten de zonnepanelen te verrekenen. Daarnaast heeft
minister Kamp aangekondigd het criterium “voor eigen rekening en risico” concreet in te willen
voeren. Dit heeft groot effect op vele ontzorgvarianten.
Bij woningcorporaties zijn veel vragen rond deze thema. De juridisch verschillende interpretaties en
het mogelijk gebrek aan een duidelijke jurisprudentie dan wel een uitspraak van een huurcommissie geven soms ruimte voor verschil in interpretatie, daarmee onduidelijkheid en vaak afstel van
uitvoering.
1.2
Expertmeeting ‘Juridisch Speelveld Collectieve Zonn estroominstallaties’
Op initiatief van Atrivé heeft Aedes aan Atrivé gevraagd een sessie te organiseren en te leiden
waarbij we met een aantal experts, aanbieders en opdrachtgevers het juridische speelveld scherp
in beeld wilden krijgen en de knelpunten helder in kaart te brengen.
Hierbij hadden wij het volgende doel voor ogen:
Eenduidigheid over het juridisch speelveld inzake het plaatsen van zonnepanelen op corporatiebezit
en conclusies trekken over de mogelijkheden en van daaruit een adviesdocument opstellen dat gedragen wordt door de deelnemers als groep.
In het volgende hoofdstuk geven we de belangrijkste expertgroepconclusies, adviezen en praktische uitwerking met betrekking tot de knelpunten en zienswijzen weer waar wij als deelnemers van
de expertmeeting achter staan. Tot slot wordt in hoofdstuk 3 dieper ingegaan op de juridische argumentatie, achtergronden en regels.
Blad 1
2
Conclusie en advies: praktische aanpak
2.1
Roerend of onroerend
Voor woningcorporaties is het van belang te weten of zonnepanelen roerend of onroerend zijn. Dit
in verband met het wel of niet opnemen van een vergoeding voor zonnepanelen in de huur of servicekosten.
Conclusie: Uit verschillende bronnen en uitspraken kunnen we concluderen dat zonnepanelen die
op het dak zijn gelegd of geschroefd met een paar schroeven, aangemerkt kunnen worden als roerend. Geïntegreerde panelen die een onderdeel van de dakbedekking vormen (zowel bij platte als
hellende daken) worden in ieder geval door het Burgerlijk Wetboek aangemerkt als onroerend.
In de praktijk betekent dit dat zonnepanelen zowel via een huurverhoging als via de servicekosten
in rekening gebracht kunnen worden.
Advies: Hoewel de kans op natrekking van de panelen klein is, adviseren wij om bij investering
door derden een recht van opstal te vestigen. Wanneer de investeerder zelf ook eigenaar (woningcorporatie) van het dak (gebouw) is, is dit niet nodig.
2.2
WOZ overschrijding
Ten tijde van het ‘Zonnig Huren’-project (2011-2012) waren er onduidelijkheden over de WOZ in
relatie tot zonnepanelen en salderen:
bij individuele systemen op een collectief dak zou niet gesaldeerd kunnen worden omdat
het dak een andere WOZ-eenheid zou zijn dan het appartement
het virtueel salderen van de teruglevering vanuit één grote installatie via de centrale aansluiting naar de appartementen in het complex bleek niet toegestaan.
De expertmeeting trekt de volgende conclusies:

De eerste aanname klopt niet in alle gevallen. Een WOZ-overschrijding blijkt niet doorslaggevend. Relevant is de vraag of er wel sprake is van opwekking achter een aansluiting. In
dat geval is eigen zelfopwekking uitgezonderd van het betalen van energiebelasting.

De laatste klopt wel omdat er in die situatie gebruikgemaakt wordt van het net (tussen de
CVZ en de aansluitingen van de appartementen).
De werkelijke belemmering voor saldering zit dus in de netaansluiting en het leveren van zonnestroom via het net (invoeding via de ene en afname via de andere aansluiting). Vanuit de elektriciteitsnetbeheerders krijgt elk WOZ-object standaard één netaansluiting toebedeeld waardoor de
verwarring ontstond dat opwekken van zonnestroom voor eigen gebruik niet de WOZ-grenzen mag
overschrijden. Dit mag dus echter wel alleen moet er een leiding buiten het net om aangelegd worden.
Blad 2
Conclusie: Het trekken van individuele leidingen tussen de huisinstallaties en individuele zonnepaneleninstallaties op een collectief dak is toegestaan. Uiteraard dienen deze leidingen achter de me1
ter aangesloten te worden.
In de praktijk betekent dit dat op een maisonnettewoning panelen kunnen worden geïnstalleerd
voor de woning eronder die geen eigen dak heeft. De zonnestroominstallatie dient dan wel rechtstreeks aangesloten te worden achter de meter van de woning zonder dak. In dit geval gaat het
dan wel om een collectief dak en kan er voor de zekerheid recht van opstal gevestigd worden
mocht er sprake zijn van een VvE.
Een voorbeeld waarbij wel sprake is van WOZ-overschrijding maar geen sprake van levering waarover energiebelasting verschuldigd is: een bewoner heeft een set zonnepanelen op het dak van de
naastgelegen schoolgebouw rechtstreeks middels door middel van een eigen kabel aangesloten op
zijn binnenhuisinstallatie, achter de meter (dus niet via de aansluiting van de school). Ondanks het
feit dat de installatie op het dak van een ander WOZ-object ligt, wordt de leiding tussen deze installatie en de woning niet aangeduid als net en vormt de set zonnepanelen een onderdeel van de
huisinstallatie van de woning. Wel kan er sprake zijn van levering als de zonnepanelen eigendom
zijn van een ander en de bewoner niet voor eigen rekening en risico de stroom opwekt. De bewoner zal dan wel in voorkomend geval recht van opstal moeten laten vestigen om te voorkomen dat
zijn zonnepanelen door natrekking als eigendom van de school(gebouweigenaar) gezien kan worden.
Dit zou eventueel ook met een stuk land kunnen waarbij een veld met meerdere kleine systemen
wordt aangelegd. Zolang de verbinding tussen de zonnepanelen en de gebruiker rechtstreeks door
middel van een eigen kabel en achter de meter(aansluiting) gebeurt, en de zelfopwekking voor ‘eigen rekening en risico gebeurt, is er geen sprake van zogenaamde energielevering waardoor de
zonnepanelen als onderdeel van de huisinstallatie worden gezien en de salderingsregeling, zoals
voor panelen op eigen dak, geldt.
2.3
Stroomverdeler in plaats van individuele systemen
Wanneer individuele leidingen aanleggen voor individuele kleine systemen op een dak van een appartementencomplex niet kan of niet wenselijk is, kan ook gekozen worden voor één groot systeem
waarbij een stroomverdeler zorgt voor de verdeling van de zonnestroom naar de appartementen.
Conclusie: Stroomverdelers zijn toegelaten, zij moeten echter wel aan de technische eis uit de
NEN1010 voldoen: een huisinstallatie mag niet achter de meter (via een zonnestroominstallatie)
verbonden zijn met een andere (huis)installatie.
In de praktijk betekent dit dat de betreffende stroomverdeler nooit gelijktijdig aan meerdere woningen levert. Schakelen tussen de woningen is dus onder de NEN1010 mogelijk. Er zijn stroomverdelers op de markt die hier aan voldoen, ga dit na!
1
“Achter de meter” komt ook voor in het spraakgebruiken daarmee wordt hetzelfde bedoeld als “achter de
aansluiting”. Omdat echter de plaats van de meter willekeurig is, hoeft het niet samen te vallen met (het
begin van) de aansluiting. “Achter” is gezien vanuit de netbeheerder dus aan de kant van de woning.
Blad 3
2.4
Voor ‘eigen rekening en risico’
Het criterium dat eigen energieopwekking voor ‘eigen rekening en risico’ moet zijn teneinde vrijgesteld te zijn van energiebelasting, is een zienswijze van de minister. Dit zou betekenen dat men
niet per kWh mag afrekenen zoals dat bij ontzorgconstructies met derden vaak voorgesteld wordt
omdat bij deze ‘all-in’-prijs per kWh het risico niet bij de gebruiker ligt.
Conclusie: Conform de huidige wet mag men wel per kWh afrekenen. Daarbij wordt niet genoemd
of de gebruiker/opwekker ook juridisch én economisch eigenaar van de installatie moet zijn. De interpretatie van de minister is tot op dit moment dus niet juridisch houdbaar. Er is een risico dat de
minister zijn interpretatie uiteindelijk weet vast te leggen in de Wet. De minister geeft daarbij aan
dat je onder de salderingsregeling valt als de duurzame installatie onderdeel is van het huis en het
huis en installatie als één geheel aan de huurder beschikbaar worden gesteld. Dit is een tegemoetkoming voor de woningcorporatie die eigenaar is van de installatie op het dak van de huurder.
In de praktijk zijn volgende verrekenmethoden te gebruiken.
Eigenaar van het systeem
Collectief systeem
Eengezinswoning
De corporatie
Verrekening vast bedrag in de
huur
Verrekenen vast bedrag in de
huur
De corporatie
In de servicekosten per kWh,
(totale servicekosten niet meer
dan prijs*kwh)
In de servicekosten per kWh,
(totale servicekosten niet meer
dan prijs*kwh)
Een derde
Afrekenen per kWh met een escape in het contract om conform
optie 1 af te rekenen mocht het afrekenen in kWh in mogelijk latere wetgeving niet meer zijn toegestaan.
Een derde
Een vaste (maandelijkse/jaarlijkse) vergoeding vragen voor het
systeem (per paneel). Dit is in de lijn van de interpretatie van de
minister en de Belastingdienst.
Advies: Het is niettemin in alle gevallen mogelijk om met de installateur een systeemwerkingsgarantie (vaak ook onterecht opbrengstgarantie genoemd) af te spreken. Hiermee wordt
het falen van het systeem en daarmee de misgelopen kWh-en door falen, voor de eindgebruiker
afgedekt.
2.5
Het energielabel
Hoe kunnen de panelen in het energielabel meegeteld worden?
Conclusie: Zonnepanelen mogen in het energielabel worden meegeteld indien de opgewekte energie ten goede komt aan de huurder of, in het geval van een collectieve installatie, de huurder een
lager tarief betaalt voor de opgewekte stroom dan voor de ingekochte stroom van de CVZaansluiting.
In de praktijk: Bij individuele systemen en collectieve systemen met stroomverdelers op de individuele woning tellen de panelen 1-op-1 mee. Bij collectieve systemen op een collectieve aansluiting
moet het paneeloppervlak naar rato en m2 gbo over alle woningen in het gebouw worden verdeeld.
Blad 4
2.6
Servicekosten
Een corporatie kan de vergoeding voor de zonnepanelen aan de huurder door middel van servicekosten in rekening brengen. Welke randvoorwaarden zijn hieraan verbonden?
Conclusie: Wat betreft de korting die een corporatie zou moeten berekenen aan de huurder wordt
in de regelgeving geen bedrag genoemd, echter in de servicekostenregeling wordt wel gesteld dat
alleen de werkelijke kosten in rekening kunnen worden gebracht.
In de praktijk komt dat erop neer dat de doorberekende kosten lager zijn dan de bestaande kosten
van de energiemaatschappij. Er is dus een korting van enkele eurocenten per kWh ten opzichte van
prijs (inclusief de btw en de energiebelasting) van de energieleverancier.
De corporaties mogen dus de investering, als vast bedrag dan wel per kWh, in de servicekosten
verrekenen. De servicekosten kan ook voor de huurder voordeliger zijn omdat de servicekosten
niet de huurprijsstijging volgen maar in principe alleen werkelijke kosten betreffen die eventueel
die apart geïndexeerd worden.
2.7
Saldering
Salderen door middel van opwekking ‘achter’ de meter, is bij wet geregeld. De minister heeft aangekondigd in 2017 deze regeling te evalueren. Als uit de evaluatie zou blijken dat de regeling aangepast moet worden dan zal een overgangsregeling pas vanaf 2020 ingevoerd worden. Aanpassing
kan pas plaatsvinden als de slimme meter overal is uitgerold.
Conclusie: De fiscaliteit van deze regeling geeft voor langetermijninvesteringen inherent een onzekerheid. Deze onzekerheid is er altijd al geweest. De minister geeft daar nu een mogelijke maximale termijn aan; komende 6 jaar blijft salderen behouden en er een nette overgang komen. In
relatie tot de “postcoderoos” uit het energieakkoord valt een afnemende belastingkorting te verwachten als overgang. Hoe deze overgang er exact zal uitzien, en of de dan zittende minister in
een overgangsregeling rekening zal houden met de lange afschrijvingen van woningcorporaties is
niet duidelijk. We verwachten dat aan die onzekerheid tot 2017 geen verandering zal komen.
In de praktijk rekenen veel woningcorporaties hun investeringen tegen lage kapitaalkosten (3-5%)
door met een looptijd van 20-25 jaar (projectduur systeem). De woningcorporatie verdient niet op
deze investering. Het voordeel dat overblijft valt volledig ten goede van de huurders. Anders dan
bij een particulier of een ontzorger kijkt de woningcorporatie dus al jaren verder dan de 10 jaar
waarbinnen de terugverdientijd plaatsvindt.
De saldeerregeling is momenteel in Nederland de regeling die het voor huurders met hulp van woningcorporaties mogelijk maakt om mee te profiteren in de uitrol van zonne-energie. De huurders
krijgen met zonnepanelen op het dak direct een voordeel in de vorm van een verlaging van hun
maandelijkse elektriciteitskosten. De huidige systeemprijzen en hoogte van de energiebelasting
maken dat salderen genoeg voordeel geeft om huurders over de streep te trekken. De huidige saldeerregeling draagt in onze ogen bij aan een sociale energietransitie.
Advies: De woningcorporatie dient het risico in de schatten voor mogelijke aanpassing op de regeling en dient te overwegen of dat risico wel bij de huurder gelegd kan worden. Het risico bestaat
dat een huurder na 2020 minder voordeel zal krijgen op de energierekening. In de praktijk beslissen veel corporaties om dat risico niet ten kosten van de huurder te laten zijn. Bij verrekening via
servicekosten kan het tarief worden aangepast. Na een huurverhoging dient er later een correctie/verlaging plaats te vinden.
Blad 5
3
Juridisch kader; achtergrond e n regels
In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de juridische achtergrond en argumenten van de in het
voorgaande hoofdstuk genoemde onderdelen.
3.1
Roerend of onroerend
Een zonnepaneel op zichzelf kan als roerende zaak gekwalificeerd worden. Zodra het zonnepaneel
echter op een dak bevestigd wordt, rijst de vraag of dit met zich mee brengt dat het zonnepaneel
een onroerende zaak wordt en daarmee in eigendom overgaat op de eigenaar van het dak waarop
het zonnepaneel bevestigd wordt. Er zijn twee manieren waarop een zaak onroerend kan worden:
door bestanddeelvorming of verticale natrekking. Beide behandelen we hieronder.
3.1.1
Bestanddeel
Allereerst moet bepaald worden of de zonnepanelen na plaatsing op het dak van een woning als
bestanddeel van deze woning aangemerkt moeten worden. Dit is van belang aangezien een zaak
haar zelfstandigheid verliest zodra zij een bestanddeel wordt.
Criteria
Op grond van artikel 3:4 BW kan aan de hand van twee maatstaven bepaald worden of iets een
bestanddeel vormt van een zaak.
Maatschappelijk criterium
Het eerste lid verwijst naar het maatschappelijk criterium. Al hetgeen volgens verkeersopvatting
onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak. Hierbij gaat het om de vraag of de
zaak zonder het bestanddeel incompleet is.
Zo zal een woonhuis zonder zonnepanelen nog steeds een woonhuis zijn als de zonnestroominstallatie een aanvullende energiebron vormt naast de reguliere aansluiting op het elektriciteitsnet. Nu
het energiesysteem van een woonhuis ook compleet zal zijn zonder een zonnestroominstallatie,
maakt volgens verkeersopvatting deze installatie geen onderdeel uit van deze zaak en wordt het
niet als bestanddeel aangemerkt. Dat wordt anders indien blijkt dat het gebouw en de zonnestroominstallatie in constructief opzicht zodanig op elkaar zijn afgestemd dat deze moeilijk los van
elkaar zijn te zien.
Fysiek criterium
Het tweede lid verwijst naar het fysiek criterium. Al hetgeen zodanig met de hoofdzaak is verbonden dat zulks daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt
toegebracht aan één van beide zaken wordt als bestanddeel van de hoofdzaak aangemerkt.
Aan dit fysiek criterium zal niet zijn voldaan indien een zonnestroominstallatie te allen tijde zonder
noemenswaardige beschadiging van het gebouw kan worden verwijderd.
Jurisprudentie
Hoewel over dit specifieke onderwerp (nog) geen jurisprudentie is verschenen, kan wel een vergelijking worden getrokken naar een zaak waarin de Rechtbank Zwolle op 3 april 2002 uitspraak
heeft gedaan en welke de aanname dat een zonnepaneel geen bestanddeel vormt van een zaak
Blad 6
ondersteunt. In deze zaak werd overwogen dat wanneer bepaalde apparaten, zoals in dit geval een
warmtekrachteenheid, door energiebedrijven slechts aan gebruikers in huur worden gegeven en
het verhurende energiebedrijf de zorg van het onderhoud behoudt, naar verkeersopvatting een
dergelijke installatie geacht wordt voldoende zelfstandigheid te behouden om conversie tot bestanddeel te kunnen ontgaan. Voorgaande sluit aan bij de overweging van de Hoge Raad in het arrest Radio Holland (HR 16 maart 1979, NJ 1980, 600) dat het bestanddeelbegrip restrictief dient te
worden opgevat.
3.1.2
Verticale natrekking
Indien een zonnestroominstallatie niet als bestanddeel aangemerkt wordt rest de vraag of deze als
een onroerende of roerende zaak aangeduid moet worden. Op grond van artikel 3:3 BW zijn gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken, onroerend. Artikel 5:20 lid 1 sub e BW sluit hier op aan
en geeft aan dat de eigendom van de grond tevens gebouwen en werken omvat die duurzaam met
de grond zijn verenigd, al dan niet door vereniging met andere gebouwen of werken. Indien een
geplaatste zonnestroominstallatie onder de reikwijdte van dit artikel valt zou dit betekenen dat na
plaatsing de eigendom van de installatie over gaat op de eigenaar van het gebouw.
Criterium
De vraag of gebouwen en werken duurzaam met de grond zijn verenigd moet aan de hand van objectieve maatstaven worden beantwoord. Beoordeeld moet worden of het zonnepaneel naar aard
en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven, gelet op de bedoeling van de bouwer
(voor zover naar buiten kenbaar). De omvang en constructie spelen hierbij een rol.
Gezien de eenvoudige plaatsing en loskoppeling van een zonnestroominstallatie kan niet geoordeeld worden dat de installatie naar aard en inrichting in alle gevallen bestemd is om duurzaam ter
plaatse te blijven. Bijkomende omstandigheden moeten duidelijk maken wat de kenbare bedoeling
is. Wordt bijvoorbeeld een huurcontract gesloten voor bepaalde tijd met op elk moment uitstapmogelijkheden dan onderstreept dit dat de installatie niet duurzaam met het dak van de woning wordt
verenigd.
3.1.3
Definitie Belastingdienst
De staatssecretaris van Financiën heeft bij Besluit van 14 juli 2009 in het kader van de heffing van
omzetbelasting richtlijnen gegeven over onder andere de interpretatie van de het begrip roerende
zaak. Onder een onroerende zaak wordt verstaan: een zaak die vast is verbonden aan een welbepaald deel van het aardoppervlak. Een zaak is vast met de grond verbonden als de zaak niet gemakkelijk is te demonteren of te verplaatsen, hiermee wordt bedoeld dat de zaak met behoud van
de oorspronkelijke functie alleen met een aanzienlijke inzet van materiaal en/of menskracht is te
demonteren of te verplaatsen. Zaken die relatief gemakkelijk zijn te verplaatsen zijn roerend.
Meer praktisch hanteert de Belastingdienst het volgende criterium met betrekking tot zonnepanelen
bij de berekening van de eigenwoningschuld: ‘Zonnepanelen die als het ware ‘los op de daken gelegd worden’ en panelen die slechts met een viertal schroeven worden bevestigd, zijn niet onroerend geworden’.
Volgens de definitie van de Belastingdienst zal een zonnestroominstallatie al snel een roerende
zaak zijn.
Blad 7
3.1.4
Conclusie
Uit bovenstaande volgt dat een zonnestroominstallatie onder omstandigheden als roerend aangemerkt kan worden en niet onroerend wordt na plaatsing op het dak van een woning. Zowel van natrekking als gevolg van bestanddeelvorming als verticale natrekking is niet per definitie sprake. De
feitelijke situatie en de kenbare bedoeling van betrokken partijen is bepalend.
3.2
WOZ-overschrijdingen
WOZ, de Wet Waardering Onroerende Zaken heeft tot doel een waarde toe te kennen aan onroerende zaken waar vervolgens door de gemeente een heffing kan worden opgelegd (de WOZbeschikking). Deze WOZ-beschikkingen worden door de ACM als bewijs gehanteerd om te bepalen
of sprake is van een aansluitplicht. Voor de energiebelastingheffing wordt vervolgens weer gekeken
naar de levering via een aansluiting.
Is er sprake dan van WOZ-overschrijdingen indien men zonnepanelen op het gezamenlijke dak
aansluit op individuele appartementen? En is daar dan sprake van energiebelastingafdracht? Wij
concluderen dus dat een WOZ-overschrijding los staat van de verplichting om belasting af te dragen. Het maakt daarbij niet uit of er fysiek separate leidingen per systeem worden gelegd naar de
appartementen (de huisinstallaties) of dat dit middels een stroomverdeler gebeurt.
De werkelijke belemmering zit in de netaansluiting en het leveren van zonnestroom via het net
(van de ene naar de andere aansluiting). Vanuit de elektriciteitsnetbeheerders krijgt in beginsel elk
WOZ-object standaard één netaansluiting toebedeeld waardoor de verwarring ontstond dat opwekken van zonnestroom voor eigen gebruik niet de WOZ-grenzen mag overschrijden. Dit mag echter
wel alleen moet er een leiding buiten het net om aangelegd worden.
Relevant vragen zijn dus:
1. Is er sprake van een net of een installatie?
2. Wanneer dient er bij levering energiebelasting te worden afgedragen?
Aanleg van een net is de taak van de netbeheerder. Energiebelasting dient te worden afgedragen
bij levering via een aansluiting en ook bij levering achter de aansluiting. Dit laatste is uitgezonderd
indien er sprake is van zelfopwekking (voor eigen rekening en risico).
3.2.1
Wat is een aansluiting
Aansluiting
Producenten en afnemers, die elektriciteit willen transporteren via het distributienetwerk, hebben
een aansluiting nodig. Het begrip aansluiting is van belang omdat het net daar over gaat in het pri2
vate domein van de afnemer ook wel “installatie” genoemd. De bedrading “achter de aansluiting”
(in de gangbare terminologie is dat bezien vanuit de netbeheerder) behoort tot het private domein
van de afnemer of producent. Het netwerk vóór de aansluiting behoort tot het domein van de netbeheerder, die de kosten van dit net betaalt en vervolgens doorberekent in tarieven. De terminologie is echter niet geheel zuiver, omdat de aansluiting geen punt is, maar een verbinding van het
openbare net naar een woning of een bedrijf.
2
“Achter de meter” komt ook voor in het spraakgebruiken daarmee wordt hetzelfde bedoeld als “achter de
aansluiting”. Omdat echter de plaats van de meter willekeurig is, hoeft het niet samen te vallen met (het
begin van) de aansluiting.
Blad 8
Producenten en afnemers hebben een aansluiting nodig om elektriciteit via het openbare netwerk
te kunnen transporteren. Een ieder heeft recht op aansluiting binnen een redelijke termijn van
maximaal 18 weken, dus zowel om van het net af te nemen als daarop in te voeden, tenzij het
gaat om een aansluiting van meer dan 10 MVA of hoger. De (contractuele) omvang van de aansluiting is medebepalend voor de hoogte van de transportkosten. Als de productie en verbruik in grote
mate binnen de installatie of aan het particuliere net plaatsvinden, kan het transport van elektriciteit via de aansluiting op het openbare net beperkt blijven. Mogelijk valt dan met een kleine(re)
aansluiting te volstaan, wat tot uitsparing van aansluitings- en transportkosten kan leiden.
In de Elektriciteitswet wordt de aansluiting aangeduid als:
één of meer verbindingen tussen een net en een onroerende zaak. Tussen een net en een onroerende zaak kunnen echter meer verbindingen bestaan, die samen één aansluiting vormen.
De wettelijke definitie van aansluiting brengt mee dat het begrip onroerende zaak een essentiële
rol vervult bij het bepalen of sprake is van een aansluiting in de zin van de Elektriciteitswet. Soms
rijst de vraag of er sprake is van één of meer aansluitingen. Beantwoording van die vraag is mede
afhankelijk van het aantal onroerende zaken waarmee het net is verbonden. Voor de aangeslotene
is de vraag of er sprake is van één of meer aansluitingen van groot belang, omdat de transportkosten (deels) per aansluiting worden berekend en deze dus afhangen van de vraag of er één of meer
aansluitingen zijn. Het verband tussen aansluiting en onroerende zaak is echter niet eenduidig. Wij
gaan hierna in op de diverse aspecten die ACM en de bestuursrechter kennelijk bepalend achten.
Uit de definitie van aansluiting volgt dat in ieder geval één aansluiting kan bestaan uit verschillende
verbindingen tussen de onroerende zaak en het net. Bij één onroerende zaak kunnen er dus verschillende verbindingen zijn met het net, die tezamen onder één aansluiting vallen.
Dit betekent echter niet dat alle verbindingen tussen een onroerende zaak en het net altijd onder
dezelfde aansluiting vallen. Uit de jurisprudentie blijkt dat het mogelijk is dat één onroerende zaak
verschillende aansluitingen heeft met het net, die ieder apart als aansluiting worden aangemerkt.
Er zijn evenveel aansluitingen als er galvanisch van elkaar gescheiden netaansluitingspunten zijn
(HR 30 maart 2007, Prorail BV/NV Continuon Netbeheer).
De vraag kan zich dus voordoen of er sprake is van verschillende aansluitingen, doordat sprake is
van meerdere onroerende zaken, zodat de eigenaar van deze onroerende zaken over verschillende
aansluitingen transportkosten moet betalen. Dat zal veelal het geval zijn, maar niet altijd. Als er
sprake is van een samenstel van eigendommen die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik is en
die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen, is er sprake van één onroerende zaak
voor toepassing van de Elektriciteitswet (HR 30 maart 2007, Prorail BV/NV Continuon Netbeheer,
LJN AZ4063). Dan kan sprake zijn van één aansluiting. Let wel, ingeval echter sprake is van galvanisch van elkaar te scheiden netaansluitingspunten is sprake van meerdere aansluitingen. Of sprake is van één of meerdere aansluitingen is dus in een dergelijk geval vooral technisch bepaald.
3.3
Stroomverdeler
In het verleden werd aangenomen dat het salderen van opgewekte zonnestroom met individuele
gebruikers niet zou kunnen omdat er sprake zou zijn van WOZ-overschrijding en dit als belemmering om te kunnen salderen werd gezien. Uit de vorige paragraaf blijkt dat geen er sprake is van
overschrijding van WOZ-grenzen als op het collectieve dak van een complex panelen worden gelegd ten behoeve van de bewoners in het gebouw. Wat wel belangrijk is, is hoe de levering plaatsvindt of eigenlijk dat de zelfopwekking niet als levering aangemerkt wordt daar deze voor ‘eigen
rekening en risico’ geschiedt.
Blad 9
Ook was het in het verleden onduidelijk hoe de belastingdienst de levering van stroom door middel
van een stroomverdeler beoordeeld (in het kader van energiebelasting). Inmiddels heeft de Belastingdienst verklaard een stroomverdeler hetzelfde te beoordelen als ‘losse draadjes’ trekken,
waarmee ook op dit vlak de weg vrij is om de stroomverdeler op flats toe te passen waarbij de salderingsregeling voor de gebruikers van de zonnestroom van toepassing is.
Vervolgens is er een ander punt waaraan mogelijk niet alle stroomverdelers voldoen: een technische eis die uit de NEN1010 komt. Hierin wordt gesteld dat binnenhuisinstallaties niet achter de
meter aan elkaar gekoppeld mogen worden in verband met de veiligheid. In de praktijk komt het
er dus op neer dat men één zonnestroomsysteem niet aan meerdere binnenhuisinstallaties tegelijk
mag aansluiten. Let daarom wel goed op dat de stroomverdeler voldoet aan deze norm. Het salderen van de opgewekte energie met de aangesloten gebruikers (appartementen) is dan door middel
van een stroomverdeler ook mogelijk.
3.4
Voor ‘eigen rekening en risico’
Naast het verkrijgen van stroom via de aansluiting is ook over het verkrijgen van stroom achter de
aansluiting energiebelasting verschuldigd. Kortom er kan sprake zijn van levering voor de meter of
levering achter de meter. Van levering achter de meter is alleen sprake indien een derde eigenaar
is van de installatie en deze de stroom levert aan de verbruiker. Opwek van duurzame energie achter de meter door de verbruiker zelf is vrijgesteld van energiebelasting. De laatste jaren zijn zogenaamde ontzorgpartijen in de markt gekomen die installaties achter de meter installeren en
exploiteren. Dit heeft tot een debat geleid over de vraag of dergelijke ontzorgcontructies vrijgesteld
zijn van energiebelasting.
Minister Kamp heeft in dit verband het criterium voor ‘eigen rekening en risico’ geïntroduceerd voor
de opwekking van zonnestroom achter de meter door derden. In recente antwoorden aan de kamer
(6 mei) heeft de minister aangegeven vast te houden aan dit standpunt. Dit betekent indirect dat
ontzorgconstructies waarbij wordt afgerekend per geleverde kWh niet zijn vrijgesteld van energiebelasting. Het betalen van een vast bedrag per periode is wel mogelijk. Daarbij zal ook goed gelet
moeten worden op de onderliggende garanties om het risico niet alsnog weg te nemen bij de gebruiker. In recente antwoorden op de kamer (2 juli) geeft de minister aan dat je niet onder de salderingsregeling valt als je achter de meter elektriciteit aangeleverd krijgt door een ander en dat als
een duurzame installatie onderdeel is van het huis en huis en installatie als één geheel aan de
huurder beschikbaar worden gesteld, het ook mag worden toegepast. Dit is een tegemoetkoming
voor de woningcorporatie die eigenaar is van de installatie op het dak van de huurder.
In de Wet (Wet op milieubelasting Artikel 50 lid 5) wordt dit niet genoemd. Het is een interpretatie
van de minister, welke gevolgd wordt door de Belastingdienst.
Overigens valt het laten afdekken van de opbrengstgarantie, via bijvoorbeeld een verzekering, buiten de interpretatie van het ‘voor eigen risico’ door de minister, en is dus wel mogelijk.
Bovenstaande blijkt echter een interpretatie van de minister te zijn de vraag is of deze interpretatie juridisch houdbaar is. De Belastingdienst volgt in deze echter de interpretatie van de minister.
Afrekenen op basis van kWh wordt door de wet niet expliciet verboden al is de gang naar de rechter wellicht verreist om een bindende uitspraak te verkrijgen.
Blad 10
3.5
Het energielabel
Het energielabel is naast een weergave van de energetische prestatie van een woning/gebouw ook
gerelateerd aan de energiekosten. Tevens wordt het energielabel meegerekend in de huurprijsstelling (WWS) waardoor de zonnepanelen alleen mogen meetellen in het energielabel van de woningen wanneer de opwekking ook ten goede komt aan de woningen. Dit is het geval indien
bewoner/huurder dus ook een (kosten)voordeel heeft van de zonnestroominstallatie. Dat staat er
los van. PV kan meetellen in de energielabeling en het aantal WWS-punten (afhankelijk van het
start energielabel), maar of dit ook wordt doorgerekend is de keuze van de corporatie. Als de installatie bijvoorbeeld door een derde wordt geëxploiteerd en er dus op een andere manier wordt
afgerekend is een hogere huur op basis van het aantal WWS-punten niet opportuun.
In het geval van individuele systemen op eengezinswoningen wordt vaak een huurverhoging gevraagd die lager is dan het voordeel op de elektriciteitskosten van de bewoner. Tevens zou een
verhuurder met de extra punten die een verbetering in energielabel oplevert, een hogere huur voor
de woningen mogen vragen. Dit gebeurt in de praktijk alleen wanneer de woning muteert en vervangt de al in rekening gebrachte huurverhoging waarbij de huurder een deel van de energieopbrengsten afdraagt aan de corporatie/verhuurder.
Bij zittende huurders is een dergelijke huurverhoging (anders dan de jaarlijks wettelijk vastgestelde verhoging) alleen mogelijk na akkoord van de huurder.
Zoals we in eerdere paragrafen al hebben kunnen concluderen, kunnen zonnepaneleninstallaties op
flats die zijn aangesloten op individuele appartementen, al dan niet middels een stroomverdeler of
‘losse draadjes’, op dezelfde manier als bij eengezinswoningen in het energielabel worden opgenomen.
Bij zonnestroominstallaties op de collectieve aansluiting van een flat, mag deze installatie naar m 2’s
gbo rato verdeeld worden over alle woningen in het gebouw. ISSO heeft in dit geval op verzoek
van de EPA-branche enkele uitspraken gedaan die richting geven wanneer de collectieve installatie
verrekend mag worden in de energielabels van de appartementen:
1. De installatie is aangesloten op de collectieve voorziening aansluiting (CVZ)
2. De opgewekte stroom komt ten goede aan de bewoners middels vermeden stroomverbruik
voor de collectieve voorzieningen (verlichting, liften en dergelijke)
3. Of de bewoners krijgen voor het deel dat opgewekt wordt een korting op de energiekosten
in de servicekostenregeling.
Bij bovenstaande punten is het niet relevant of de corporatie/verhuurder ook daadwerkelijk de eigenaar van het systeem is. Alleen wanneer een derde investeert en de huurders hebben geen enkel voordeel (geen verrekening in de servicekosten) of de derde voorziet in een eigen aansluiting
(en gebruikt dus alleen het dak), geeft ISSO aan dat de panelen niet in het energielabel van de
woningen mogen worden verrekend.
3.6
Servicekosten
De energiekosten van de centrale voorzieningen in een (appartementen)complex worden met
huurders verrekend in de servicekostenregeling. Een vergoeding voor het zonnestroomsysteem zou
daar goed in passen. Er mogen dan uiteraard alleen werkelijke kosten worden opgevoerd. In de
praktijk komt het erop neer dat de omgerekende kWh-prijs uit de zonnepanelen lager is dan de inkoop van stroom voor de CVZ. Hierdoor kan het voorschot voor energiekosten in de servicekosten
dus verlaagd worden.
In dit kader is het ook van belang dat het doorberekende huurbedrag lager blijft dan de inkoop van
de stroom voor de CVZ-aansluiting.
Blad 11
Juist vanuit de servicekostenregeling gezien, is het dus heel logisch om per kWh af te rekenen. Deze regeling leent zich daar bij uitstek voor maar wordt zelden toegepast bij grondgebonden woningen omdat er vaak geen servicekosten zijn bij verhuur van eengezinswoningen (voor nu maakt dit
niet uit, maar dit klopt niet. De energiekosten worden inderdaad niet in de servicekosten verrekend). Nu duidelijk is dat achteraf geplaatste zonnestroomsystemen als roerend worden gezien, is
de weg vrij om ook voor eengezinswoningen de vergoeding voor de panelen in servicekosten te regelen. Bijkomend voordeel voor de huurder kan dan zijn dat de servicekosten minder hard stijgen
dan de huur nu enkele jaren steeg (en nog zal stijgen). Hiermee is de vergoeding voor de zonnepanelen dus los te koppelen van de huurprijsstelling. Daarnaast kan dan ook afgerekend worden in
euro per kWh.
Naast bovenstaande gaan er ook geluiden op dat huurders een bijdrage voor zonnestroom liever
niet in de huur opgenomen zien vanwege de huidige huurprijsstijging (4,5% en meer). De bijdrage
voor een zonnestroominstallatie stijgt dan komende jaren naar verwachting meer dan de energieprijs (gebaseerd op gemiddelde van afgelopen 3 jaar en verwachting komend jaar). Indexatie van
servicekosten staat los van de huurverhoging die corporaties mogen vragen, en zullen vragen vanwege de verhuurdersheffing.
Huurders die huursubsidie ontvangen zullen echter een deel van de huurverhoging voor zonnepanelen ook terugzien in een verhoogde huurtoeslag. Voor deze huurders is het dus (nog) wel voordelig om de zonnepanelen in de huur op te nemen.
NB!! De Herzieningswet woningcorporaties maakt geborgde financiering van duurzame energieinstallaties en derhalve ook zonnestroominstallaties mogelijk mits deze gelegen is op of in de nabijheid van de gebouwen die geëxploiteerd worden in het kader van de uitoefening van aan de woningcorporatie opgedragen dienst van algemeen economisch belang (DAEB). Dat geldt ook voor de
daarmee samenhangende levering van energie(diensten). Deze kunnen na invoering van de Herzieningswet door de woningcorporatie via de servicekosten in rekening worden gebracht.
Concept AmvB Herzieningswet, Memorie van Toelichting:
Artikel 45 van de Herzieningswet bepaalt dat tot het werkdomein van toegelaten instellingen en de
met hen verbonden ondernemingen, naast de verhuur van woningen, ook het verlenen van diensten aan bewoners (onder c), de ontwikkeling van maatschappelijk vastgoed (onder d), het bijdragen aan de leefbaarheid (onder f) en bedrijfsmatig vastgoed (onder g) wordt gerekend. Met dit
besluit worden daarbij de volgende nadere regels gesteld. Mede in verband met het verduurzamen
van de voorraad en het leveren van een bijdrage aan duurzaamheid in het algemeen, mogen toegelaten instellingen voorzieningen aan hun woningen aanbrengen waarmee op een duurzame manier voorzien kan worden in het energiegebruik in de woning (zonnepanelen, grondwarmtepompen,
warmte-koude opslaginstallaties e.d.). Dit mag ook als deze in, op of aan gebouwen zijn aangebracht in de buurt van het woningbezit, op voorwaarde dat deze voorzieningen uitsluitend ten goede komen aan de eigen huurders van de betreffende woningen. Dit type voorzieningen wordt
beschouwd als onderdeel van de infrastructuur van een woning. Het is ook toegestaan dat een toegelaten instelling huurders die dat zelf willen, ondersteunt bij het installeren van duurzame voorzieningen en de kosten verrekent via de servicekosten. Toegelaten instellingen mogen niet treden
in energieleveranties aan derde partijen. Wel is het toegelaten instellingen toegestaan, net als particuliere eigenaren van woningen en gebouwen, energie van bijvoorbeeld op de woning of het gebouw geplaatste zonnepanelen terug te leveren aan het energienet. Ook wordt ruimte geboden
voor energieleveranties bij gemengde complexen, indien de toegelaten instelling bijvoorbeeld een
deel van de woningen heeft verkocht aan voormalige huurders.
Blad 12
3.7
Saldering
De door de installatie opgewekte elektriciteit wordt op jaarbasis verrekend (weggestreept) met de
afgenomen elektriciteit van de (CVZ-)aansluiting. Dit is wat in de Wet wordt genoemd onder salderen. De elektrakosten zullen daardoor dalen.
Minister Kamp heeft recent echter gewaarschuwd dat salderen in zijn huidige vorm niet kan blijven
bestaan. Tot 2020 zal er (vermoedelijk) niet aan getornd worden. Deze uitspraak maakt echter na
2020 de business case onduidelijk.
Op 2 juli geeft de minister in antwoorden op de kamer aan dat hij door zijn uitspraak juist zekerheid wil verschaffen aan de markt. Een fiscale regeling zoals salderen is kan namelijk elk jaar in
het belastingplan worden herzien.
De minister geeft nu duidelijkheid dat in 2017 hij de saldeerregeling wil evalueren. Hij geeft daarbij
aan te verwachten dat als de regeling aangepast zal worden dat dit pas vanaf 2020 zal gebeuren
(verwachting uitrol slimme meter) en dat er na 2020 een nette overgangsregeling wordt gemaakt.
Blad 13