GEMEENTE TILBURG AFDELING RUIMTE BESTEMMINGSPLAN Fatima 2007, 5e herz. (Fatimastraat 24-02, 24-03) Toelichting Ontwerp: 26 augustus 2014 Vaststelling: Onherroepelijk: Code: NL.IMRO.0855.BSP2014012 Inhoudsopgave Toelichting 5 Hoofdstuk 1 Inleiding 7 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling 1.2 Juridisch-planologische situatie 7 7 Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied 9 2.1 Ligging plangebied 2.2 Ruimtelijke en functionele structuur 2.3 Technische infrastructuur 9 10 10 Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader 13 3.1 3.2 3.3 3.4 13 13 15 16 Inleiding Rijk Provincie Gemeente Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders 19 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 19 19 19 22 23 25 25 Inleiding Stedenbouwkundige aspecten en welstand Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Volkshuisvesting Groen en speelruimte Verkeer en parkeren Overige onderwerpen Hoofdstuk 5 Milieuaspecten 27 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 Inleiding Milieuhinder bedrijven Externe veiligheid Vuurwerk Geluid Lucht Geur Bodem Natuur en Ecologie 27 27 27 30 30 31 31 31 32 Hoofdstuk 6 Wateraspecten 35 6.1 Bestaand watersysteem 6.2 Duurzaam waterbeheer 6.3 Watertoets 35 35 37 Hoofdstuk 7 Opzet planregels 39 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 39 39 41 42 43 Inleiding Hoofdstuk Hoofdstuk Hoofdstuk Hoofdstuk 1 van de regels: 2 van de regels: 3 van de regels: 4 van de regels: Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 2 Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid 45 8.1 Uitvoerbaarheid 45 Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg 47 9.1 9.2 9.3 9.4 47 47 47 47 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Burgerparticipatie Zienswijzen Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 3 Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 4 Toelichting Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 5 Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 6 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van 12 levensloopbestendige appartementen aan de Fatimastraat 24-02, 24-03 te Tilburg. Het betreft het perceel sectie X, nr. 01601. De locatie aan de Fatimastraat 24-02, 24-03 was voorheen in gebruik als wijk/buurtcentrum met een kinderdagverblijf en een sportruimte. Het bestaande gebouw blijft behouden en zal gerenoveerd worden, zodat het geschikt is voor 12 levensloopbestendige appartementen met een oppervlakte tussen de 50 en 65 m2. De op het terrein aanwezige bomen zullen behouden blijven. Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer. 1.2 Juridisch-planologische situatie Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Fatima 2007', vastgesteld door de gemeenteraad op 30 juni 2008 en onherroepelijk geworden op 21 november 2008. Het perceel heeft hierin de bestemmingen 'maatschappelijk' en 'groen'. Binnen deze bestemming zijn maatschappelijke instellingen en groenvoorzienigen toegestaan. Binnen deze bestemming is het echter niet mogelijk om appartementen te realiseren. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 7 Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 8 Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied 2.1 Ligging plangebied Het plangebied wordt begrensd door de Fatimastraat in het noorden, de Wethouderslaan in het oosten, de Rinbaan Zuid in het zuiden en de Kruisvaardersstraat in het westen. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 9 luchtfoto plangebied 2.2 Ruimtelijke en functionele structuur Het pand aan de Fatimastraat 24-02/24-03 betreft het voormalige wijkcentrum, dat deel uitmaakt van een stedenbouwkundige eenheid met een aantal bijzondere woonvormen (zoals St.Josephzorg). Dit blok wordt begrensd door de Fatimastraat, Wethouderslaan, Ringbaan-Zuid en Kruisvaardersstraat. Uitgangspunt is behoud en hergebruik van het voormalige wijkcentrum. Daarom worden er 12 zelfstandige levenloopbestendige appartementen met een oppervlakte tussen de 50 en 65 m2 ontwikkelt. De omvang van het gebouw wordt niet gewijzigd. Hoewel de locatie formeel buiten de hoofdstructuur valt waar beleidsmatig gezien appartementen wenselijk zijn, rechtvaardigen de bijzondere woonvorm, de stedenbouwkundige situatie en het behoud en hergebruik van gebouw de toevoeging van appartementen op deze locatie. Doordat er sprake is van levensloopbestendige appartementen met voldoende oppervlakte is de toevoeging van deze appartementen programmatisch gezien niet concurrerend net de prioriteitsgebieden in Tilburg (zoals Piushaven en Spoorzone). Bovendien bevordert dit de doorstroming in de wijk doordat gezinswoningen beschikbaar komen en ouderen in de wijk kunnen blijven wonen. 2.3 Technische infrastructuur Bestaande ondergrondse infrastructuur In het plangebied bevind zich wel ondergrondse infrastructuur. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 10 De ondergrondse infrastructuur rondom het plangebied bestaat uit kabels en leidingen van de volgende beheerders: Huisaansluitingen Water, Gas, Electra en Telecom Overzicht k&l-tekening Beleidskader Telecommunicatiewet : juridisch beleid inzake telecommunicatie- netwerken. Het verleggen van glasvezel- en/of koperkabels voor telefoon, internet en televisie is in de Telecommunicatiewet en de Telecomverordening Tilburg geregeld. De grondeigenaar is verplicht telecommunicatiekabels te gedogen (toe te staan) in zijn grond. De telecom beheerder regelt de verlegging; de kosten zijn in principe voor haar rekening (artikel 5.7. lid 1). Eventuele geschillen worden door de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) of de rechter beslecht. Privaatrechtelijke overeenkomsten met nutsbedrijven waaronder Enexis (voormalige PNEM) en Brabant Water (voormalige TWM). In verband met het ontbreken van uniforme regelgeving zijn er in het verleden door gemeente Tilburg, Berkel-Enschot en Udenhout met bovengenoemde bedrijven afzonderlijke regelingen afgesproken. Bij verleggingen moeten wij de kosten betalen, de offerte wordt door het cluster Leidingcoordinatie getoetst. Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BevB): Op 1 januari 2011 is het BevB in werking getreden. Dit is van toepassing voor leidingen met gevaarlijke stoffen waaronder aardgas. Vergunningen, toestemming (nuts) of instemmingsbesluit (telecom), ondergrondse Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 11 infrastructuur. Verantwoordelijk hiervoor is cluster Leidingcoördinatie. Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION) heeft tot doel om graafincidenten te voorkomen en de informatie uitwisseling over de ligging van kabels en leidingen te reguleren. Het Kadaster is het informatieloket en zorgt ervoor dat de informatie uitgewisseld kan worden (KLIC). Nieuwe ontwikkeling Afwegingen Binnen het plan liggen huisaansluitingen van de bestaande bebouwing. Via de website www.huisaansluitingen.nl kunnen de aansluitingen opgezegd worden. Via deze website kunnen ook de nieuwe aansluitingen aangevraagd worden voor de nieuwe bestemming. Bij eventuele ondergrondse ontwikkelingen in het plangebied dienen de financiële gevolgen te worden onderzocht en te worden getoetst op regelingen uit de privaatrechtelijke overeenkomsten en criteria uit de telecommunicatiewet door het cluster Leidingcoordinatie. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 12 Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader. 3.2 Rijk 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die gestoeld is op de SVIR. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwikkeling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) nagenoeg compleet. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat o.a. een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. Deze stappen zijn: Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 13 Met dit bestemmingsplan wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Hierna worden de bovenstaande stappen doorlopen voor dit bestemmingplan. Trede 1: Is er een regionale behoefte? De ladder voor duurzame verstedelijking beoogt dat in regionaal verband de gezamenlijke ontwikkelingsbehoefte wordt bepaald. Als meerdere locaties aangewezen worden om in die behoefte te voorzien, is het aan de regio om de behoefte te verdelen over die locaties. Als de regionale behoefte voldoende is om een beoogde locatie te ondersteunen en in regionaal verband tevens deze locatie wordt geselecteerd om in de behoefte te voorzien, dan kan dit afdoende motivering vormen in de toelichting bij het bestemmingsplan. Provincie Noord-Brabant en de regiogemeenten Hart-van-Brabant (Midden-Brabant) maken jaarlijks in het 'Regionaal Ruimtelijk Overleg'/RRO afspraken over het woningbouwprogramma. Afgesproken is dat Tilburg in de planperiode tot en met 2021 ruim 9.800 woningen mag toevoegen aan de woningvoorraad om te voorzien in de gemeentelijke woningbehoefte. Van dit aantal worden 730 woningen gerealiseerd in drie omliggende (regio)gemeenten teneinde tot 2020 een bijdrage te leveren aan hun programmadoelen. Zeker tot 2025 behelst de gemeentelijke woningbouwopgave ongeveer 1.000 woningen per jaar gemiddeld, dit gecorrigeerd voor circa 200 woningen per jaar sloop. De effectieve vraaguitgeoefend door de woonconsument- ligt momenteel lager als gevolg van de crisis, in verband waarmee een gemeentelijke bouwprogramma van gemiddel 850 woningen per jaar tot 2020 wordt aangehouden. In de paragraaf Volkshuisvesting is weergegeven hoe de regionale woonbehoefte is toebedeeld aan de gemeente Tilburg. Op lokaal niveau is behoefte aan vormen van centrum-stedelijk wonen. In dit plan wordt voorzien in de vraag naar dit woonmilieu met levensloopbestendige appartementen. Trede 2: Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied? Door hergebruik van het bestaande gebouw aan de Fatimastraat 24-02, 24-03 wordt ruimte gecreëerd in binnenstedelijk gebied. De regionale behoefte wordt daarmee opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied.Trede 3 is daarom niet meer van toepassing. Conclusie Er is sprake van een regionale behoefte, welke wordt opgevangen binnen het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is toepassing geven aan art. 3.1.6 Bro. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 14 3.3 Provincie 3.3.1 Structuurvisie Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn: 1. De kwaliteit van het landschap; 2. De ontwikkeling van het buitengebied; 3. De regionale verstedelijking. 3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2014 Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Deze verordening is op 19 maart 2014 in werking getreden. In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks. Relatie met de structuurvisie De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. Inhoud Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn: ruimtelijke kwaliteit; stedelijke ontwikkelingen; natuurgebieden en andere gebieden met waarden; agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij; overige ontwikkelingen in het buitengebied. Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten. Wijzigingen en ontheffingen In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Ook kunnen gemeenten om wijziging van de begrenzing van gebieden verzoeken, zonder dat de verordening daarvoor regels stelt: de jaarlijkse actualisering. In de Verordening ruimte 2014 is het plangebied gelegen in bestaand stedelijk gebied. Er spelen hier geen provinciale belangen. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 15 3.4 Gemeente 3.4.1 Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is een integraal ruimtelijk plan voor de gehele gemeente Tilburg. Deze visie is de opvolger van het 'Stadsbeheerplan Tilburg' uit 1990. De structuurvisie is de ruimtelijke vertaling en onderlinge afstemming van de ambities van de gemeente Tilburg op de gebieden wonen, werken, voorzieningen, recreatie, mobiliteit, natuur, water en landbouw tot 2020. 'Tilburg, stad van contrasten' vormt het leidende thema voor de ruimtelijke ontwikkeling en dus het ruimtelijk beeld in de toekomst; contrasten tussen stad en landschap, tussen de stad en de omliggende dorpen, maar ook tussen de stedelijke en de dorpse elementen in de stad. De ruimtelijke contrasten, die Tilburg karakteriseren, maken de kwaliteiten van de stad zichtbaar. Kiezen voor het benutten en versterken van deze kwaliteiten betekent een verbijzondering van Tilburg ten opzichte van de andere grote steden in Noord-Brabant: een prettige stad om in te verblijven met een goed voorzieningenniveau, woningen en arbeidsplaatsen voor alle geledingen van de bevolking en gelegen in een blijvend groene omgeving. De speerpunten van de Ruimtelijke Structuurvisie zijn de volgende: a. Het buitengebied van Tilburg is gevarieerd en wordt behouden en verder versterkt; b. Primair wordt de invulling van de verstedelijkingsopgave gezocht in het bestaand stedelijk gebied (binnen de tangenten). Soms is benutting van het buitengebied echter onvermijdelijk, bijvoorbeeld om de vereiste variatie in woonmilieus aan te bieden. Ruimtelijke ingrepen in het buitengebied zijn altijd kleinschalig en worden alleen gerealiseerd op die plaatsen die op grond van de bestaande kwaliteiten van water, bodem, ecologie en cultuurhistorie zijn geselecteerd; c. De kenmerkende ruimtelijke structuur van oude linten en historische driehoekige pleinen blijft altijd herkenbaar. Op enkele plaatsen in de stad wordt op verantwoorde wijze geïntensiveerd. Op plekken met een hoge dynamiek is hoogbouw toegestaan; d. De noodzakelijke intensivering van het stedelijk gebied mag niet ten koste gaan van het structurele groen in de stad. De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is door de gemeenteraad vastgesteld in januari 2005. 3.4.2 Structuurvisie linten in de oude stad De Structuurvisie linten is vastgesteld door de gemeenteraad op 9 september 2013, om de gewenste kwaliteit in de linten te sturen. Naast ruimtelijke aspecten (o.a. hoogte/ breedte van nieuwbouw) is ook de eenzijdige gerichtheid van ontwikkelaars op appartementen een punt van zorg. Er wordt (te) kolossaal (in hoogte en breedte) gebouwd, winkels verdwijnen, er is steeds meer leegstand, historische panden worden gesloopt en er is een gebrek aan kwaliteit van de openbare ruimte. Kortom, de linten gaan in zijn algemeenheid in sfeer en functie achteruit en de roep om meer bijsturing wordt steeds luider. Algemene wens is te komen tot een introductie van een nieuwe manier van omgaan met de linten (dit gaat niet alleen om het bouwen, maar ook om de contacten met bewoners, ondernemers, de inrichting openbare ruimte etc.). Deze manier moet meer bijdragen en beter aansluiten op het karakter en de sfeer van de linten en die een aantal problemen waar de linten nu mee kampen oplost. De linten zijn erg belangrijk voor de economie van Tilburg. De goede bereikbaarheid, de sterke menging van functies en de aanwezigheid van bekende winkels zijn sterke punten. In de structuurvisie wordt een onderscheid gemaakt tussen bedrijvige en rustige linten: Bedrijvige linten: Bedrijvige linten kenmerken zich door relatief veel doorgaand verkeer met veel bedrijven en winkels (meer dan 20%). Samen met de ringbanen vormen de 'bedrijvige linten' het huidige ontsluitingssysteem voor auto's in de Oude Stad. Rustige linten: In deze linten ligt het accent op de functie wonen (min. 80 %). De bedrijvigheid is hier ondergeschikt. Doelen Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 16 a. De doelen met betrekking tot rustige en bedrijvige linten in de Oude Stad zijn de volgende: bescherming van de historische structuur en het erfgoed, alsmede aandacht voor de historische uitstraling van de linten: naast behoud van de meest waardevolle beeldbepalende ensembles kan de historie in de linten als randvoorwaarde, inspiratiebron of referentie voor nieuwe ontwikkelingen benut worden; b. vergroten van de herkenbaarheid van de linten en hun identiteit (openbare ruimte en verkeer; c. introductie van een nieuwe manier van bouwen die meer bijdraagt aan het karakter en de sfeer van de linten en die een aantal problemen waar de linten nu mee kampen oplost; d. behoud en stimulering van de dynamiek van de bedrijvige linten: onder dynamiek wordt verstaan de combinatie van doorgaand verkeer en de aanwezigheid van een aanzienlijke hoeveelheid winkels en bedrijven (meer dan 20%); e. behoud en bevordering van de diversiteit van het wonen aan de linten met respect voor de historische perceelsgewijze bouwwijze van woningen en door beperking van de mogelijkheden van appartementenbouw. De kruising Kruisvaardersstraat/Fatimastraat is in de sturctuurvisie aangewezen als een rustig lint. De focus ligt hier met name op woonfuncties en het versterken van het bestaande woonmilieu. In principe zijn rustige linten bestemd voor grondgebonden woningen. Daarnaast geldt in algemeenheid voor de linten dat diversiteit van bebouwing en historische karakteristieken behouden en indien mogelijk versterkt dienen te worden. Dit vraagt bijzondere aandacht voor de architectuur, ontwerp en woningbouwtypologie. De Fatimastraat vormt het overgangsgebied naar de Piushaven, waardoor in deze straat ook kleinschalige andere functies dan wonen voorkomen. Rondom het plangebied bevindt zich gestapelde woningbouw in de vorm van bijzondere woonvormen. Het karakteristieke pand 'De Kubus' blijft behouden en wordt passend bij de omgeving gerenoveerd. Gelet op deze omstandigheden is het gerechtvaardigd om op deze specifieke locatie gestapelde woningbouw toe te staan. 3.4.3 Overige gemeentelijke structuurvisies Tilburg kent daarnaast één thematische structuurvisie, de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Hierin is opgenomen het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), waarin Tilburg haar beleidsmatige invulling geeft aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in de structuurvisie. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 17 Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 18 Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd. 4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 4.2.1 Welstand Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´. Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011. Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen. 4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 4.3.1 Archeologie 4.3.1.1 Nota ´Grond voor het verleden´ Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta uit 1992 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende: 1. De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder; 2. De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening. Met de komst van de wet wijzigt het archeologiebestel in Nederland met name voor de overheidsorganen sterk. De nota 'Grond voor het verleden' (2007) is het beleidsplan voor het Tilburgse archeologiebeleid. 4.3.1.2 Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek De standaard archeologische en cultuurhistorische inventarisatie ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd en is tot stand gekomen op basis van verschillende bronnen. De volgende werkinstrumenten zijn hoofdzakelijk gebruikt bij het archeologische deel van bureauonderzoek: 1. De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek; 2. De database van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (Archis, Archeologisch informatiesysteem); 3. De Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Naast deze bronnen is gebruik gemaakt van de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ARWATI) en het databestand van het Regionaal Archief Tilburg (RAT). Op grond van de Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 19 beschikbare gegevens wordt een goed beeld verkregen van de algemene archeologische verwachtingswaarde in het plangebied. Dit beeld wordt verder aangescherpt door een landschapsanalyse en door gebruik van lokale bronnen. De landschapsanalyse is opgesteld aan de hand van onder andere de geomorfologie en de bodem, maar ook door het interpreteren van bijvoorbeeld de (vroegere) infrastructuur en lokale archeologische waarnemingen. Om de historische ontwikkelingen in het plangebied in een breder kader te kunnen plaatsen, werd eerst de ontwikkelingsgeschiedenis van Tilburg in het algemeen onderzocht en vervolgens die van het plangebied in detail. De lokale bronnen omvatten onder andere historische kaarten, architectuurfoto´s en luchtfoto´s en geschreven bronnen waaronder plaatsbeschrijvingen en veldnamen, bebouwingsgegevens en veldverkenningen. Landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens werden in het onderzoek samengevoegd tot een reconstructie van de ontwikkelingsgeschiedenis van het plangebied. De reconstructie werd vervolgens vertaald naar een archeologische verwachtingswaarde voor het plangebied, die nader kon worden gespecificeerd door er bodemverstorende activiteiten zoals wegen- en huizenbouw bij te betrekken. 4.3.1.3 Historische geografie plangebied Het plangebied maakt deel uit van de noordoostelijke helling van het relatief hooggelegen centrale plateau van Tilburg, waarin zich in het noordelijke deel van het plangebied de Korvelse Waterloop ingesneden had. Vanuit het plateau stak een aantal hoge uitlopers uit in het beekdal van de Korvelse Waterloop. Vaak worden op dergelijke uitlopers de wegen, nederzettingen en grafheuvels vanaf de bronstijd verwacht. Door het zuidelijke deel van het plangebied stroomde de Oerlese Waterloop. De kaart van Diederik Zijnen uit ca. 1760 laat zien dat het plangebied destijds voornamelijk bestond uit een akkergebied dat werd doorsneden door een aantal wegen en paden (zoals ter hoogte van de huidige Stevenzandsestraat en de Kruisvaardersstraat) en waarin zich (gedeeltelijk) de nederzettingen en gehuchten 't Heike, Sevenhoek en De Kwetterij bevonden. In het beekdal van de Korvelse Waterloop ten noorden van het plangebied lagen de relatief natte gronden (graslanden). Door de opkomst van de industrie in de negentiende eeuw en de daarmee gepaard gaande groei van het aantal bewoners is het plangebied in de negentiende en begin twintigste eeuw sterk veranderd. Vanaf 1850 verdichtte de bebouwing zich langs de bestaande nederzettingslinten. Aan het eind van de negentiende eeuw voltrok de ontwikkeling zich in een steeds hoger tempo en werden o.a. rondom de oude gehuchten arbeiderswoningen gebouwd. In 1923 is ten noorden van het plangebied in het beekdal van de Korvelse Waterloop de Piushaven aangelegd. In dezelfde periode is tussen de haven, de Ringbaan Zuid en de Broekhovenseweg een wijk met volkswoningbouw aangelegd. Vanaf ongeveer 1930 wordt de directe omgeving van het plangebied steeds verder ingevuld. Aan de oostzijde met steeds uitbreidende bebouwing van de AaBe-fabriek. Na de Tweede Wereldoorlog worden aan de oostzijde van het plangebied aan de Jan van Rijzewijkstraat 22 Maycrete-woningen gebouwd en worden de onbebouwde delen van de omliggende wijk ingevuld met sociale woningbouw. Het parochiecomplex rondom de aan de Fatimastraat gelegen (in 1990 gesloopte) Fatimakerk en het verpleeghuis St. Jozefzorg worden in de jaren vanaf 1948 gebouwd en in de daaropvolgende decennia aangepast en uitgebreid. Het fraterhuis St. Denis aan de Kruisvaardersstraat komt in de jaren vanaf 1952 tot stand. Vrijwel alle gebouwen in het gebied worden ontworpen door de Tilburgse architect Jos Bedaux en diens bureau. Aan de zuidzijde van het complex wordt in de jaren vijftig van de twintigste eeuw de Ringbaan-Zuid aangelegd. Deze was in de periode daarvoor al aanwezig als een secundaire doorgangsroute. In de afgelopen jaren is er in de directe nabijheid van het plangebied veel gewijzigd. In 2010 werden de Maycretewoningen aan de Jan van Rijzewijkstraat gesloopt om plaats te maken voor een brede ontsluitingsweg. Verder werd aan de oostelijke zijde van het complex van St. Jozefzorg de hoogbouw uit de jaren zestig van de twintigste eeuw gesloopt en vervangen door een nieuw volume. Op korte termijn zal gestart worden met een herontwikkeling van het bestaande zorgcomplex waarbij aan de noordzijde gesloopt en nieuw gebouwd zal worden. 4.3.1.4 Verwachtingswaarde plangebied Het plangebied is niet gekarteerd op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 20 (IKAW) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE); Het plangebied ligt op de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ArWaTi) grotendeels, vanwege de ligging op een relatief hooggelegen dekzandrug, in een gebied met zeer hoge verwachting. Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een AMK-Terrein; Naar aanleiding van de herziening van alle beheersbestemmingsplannen is door Fontys-BILAN in 2005 cultuurhistorisch en archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hierin wordt geconcludeerd dat de bodem in het plangebied door egalisatie, bouwrijp maken en opeenvolgende sloop- en bouwcampagnes zodanig verstoord is dat de archeologische verwachting bijgesteld moet worden van zeer hoog naar geen tot laag. Recenter onderzoek (Jan van Rijzewijkstraat) onderschrijft deze afwaardering van het gebied niet Ten zuiden van het plangebied, tussen de kam van het zorgcomplex en de Ringbaan Zuid ligt een groene zone die vermoedelijk nog onverstoord is en waarvoor archeologische verwachting middelhoog tot hoog is. In 2010 is door RAAP archeologisch onderzoek (bureau-, booronderzoek en een definitieve opgraving) uitgevoerd in de Jan van Rijzewijkstraat. Daarbij zijn bewoning uit het mesolithicum en de ijzertijd aangetroffen (M.Ruijters, concept rapport). In 1946 is in de buurt van de kruising van de Hertogstraat-Fatimastraat en de Kruisvaarderstraat ijzertijd vondsten gedaan die wijze op de aanwezig van een prehistorisch urnenveld (ARCHIS waarneming 300500). Ten zuidwesten van het plangebied zijn in 2005 sporen gevonden van IJzertijd en vroegmiddeleeuwse bewoning. Voor de planrealisatie is geen of slechts in zeer geringe mate nieuwe bodemverstoring noodzakelijk omdat binnen de bestaande bebouwingscontour gebouwd wordt. Het gebouw wordt niet gesloopt, alleen verbouwd. Archeologisch onderzoek wordt voor dit plan dan ook niet noodzakelijk geacht. 4.3.2 Cultuurhistorie en monumentenzorg Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader. 4.3.2.1 Waardevolle structuren Het plangebied werd tot in het begin van de twintigste eeuw doorkruist werd door een aantal wegen en paden, die mogelijk teruggaan op een zeer oud padenpatroon. Bij de aanleg van de stadswijk is een groot deel van het netwerk van wegen en paden verloren gegaan. Het tracé van enkele van deze wegen en paden is echter nog deels herkenbaar in het huidige wegenpatroon van de Kruisvaarderstraat en de ten westen van het plangebied gelegen Groenstraat. Hstorische groenstructuren. Ten zuiden van de Ringbaan-Zuid werd in de tweede helft van de jaren dertig van de twintigste eeuw als werkverschaffingsproject het Leijpark aangelegd. Het park is ontworpen door tuinarchitect Leonard A. Springer. Uit de periode 1940-1970 zijn de volgende kenmerken van bovengemiddelde waarde in het plangebied Fatima bewaard gebleven: de Ringbaan Zuid als stedelijke hoofdroute en de interne wijkontsluitingsweg in aansluiting op het vooroorlogse Leijpark (ten zuiden van het plangebied) en de groenstrook aan de Ringbaan Zuid. 4.3.2.2 Waardevolle objecten Als één van de 100 landelijke toonbeelden van de wederopbouw is het hoofdgebouw van Sint Jozefzorg in 2012 aangewezen als rijksmonument. In de directe omgeving van het plangebied is in de wijk Fatima een groot aantal MIP-panden gelegen. De voorziene planontwikkeling heeft geen effect op deze bebouwing. In duidelijke samenhang met elkaar werden in het gebied verschillende grotere (deels) openbare gebouwen ontworpen die de identiteit van het plangebied hebben bepaald en dat voor een groot deel nog steeds doen. Het complex van Sint Jozefzorg is tussen 1950 en 1952 als pension-tehuis voor Ouden van Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 21 Dagen gebouwd naar ontwerp van architect Jos Bedaux. Het complex bestond uit drie naar de Ringbaan Zuid toe geopende hoven en een kapel met geheel omsloten binnenplaats aan de Kruisvaardersstraat. In 1953 verrees aan de Kruisvaardersstraat het klooster van de fraters van Saint Denis. Het complex dat nog geheel intact is, werd ontworpen door Jos Bedaux. Bedaux was ook de ontwerper van de gebouwen aan de kop van de Fatimastraat, een parochiehuis met pastorie, een schoolgebouw en de in 1990 gesloopte noodkerk van OLV van Fatima. Vermoedelijk om het complex van Sint Jozefzorg groter te laten lijken dan het in werkelijkheid is, werden in 1951 en 1952 eveneens naar ontwerp van Bedaux op de kop van de Ringbaan Zuid in het stuk tussen de Wethouderslaan en de Jan van Rijzewijkstraat nog woningen gebouwd (de zogenaamde officierswoningen) in dezelfde vormgeving als die van Sint Jozefzorg. 4.4 Volkshuisvesting 4.4.1 Woonvisie en Kwalitatief Woning Behoefte Onderzoek Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de vierjaarlijkse WoonVisie. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de vastgestelde Woonvisie 2011-2014 is aangegeven dat –ondanks accentverschuiving naar de bestaande woningvoorraad– de nieuwbouwopgave voor Tilburg nog steeds een belangrijk thema is, gegeven de natuurlijke aanwas, gezinsverdunning en immigratie. Centraal in de WoonVisie –met de focus op 2020– staat de gemeentelijke opgave te voorzien in een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, zodat zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften/ klantvraag wordt gebruik gemaakt van een woonmilieutypologie. Hierbij wordt –naar analogie van de rijksoverheid– onderscheid gemaakt in vijf woonmilieus: Centrum-Stedelijk, Stedelijk-buiten-centrum, Groen-Stedelijk, (Centrum-)Dorps en Landelijk. Per stadsdeel/gebied wordt aangegeven in welke richting het zich moet ontwikkelen om aan de gewenste woonmilieuvariatie te kunnen voldoen. In dit plan wordt voorzien in de vraag naar wonen in een Centrum-Stedelijk / Buiten-Centrum woonmilieu met levensloopbestendige appartementen. Het periodieke Kwalitatief WoningBehoefteOnderzoek/KWBO (elke vier jaar, meest recent 2012) toont aan dat qua woonmilieu er een overschot bestaat aan buitencentrum-stedelijk wonen, maar tekort in de andere woonmilieus (met name -vormen van- (centrum)-stedelijk wonen). 4.4.2 Woonkwaliteit Naast woonmilieudifferentiatie is meer variatie in het aanbod van nieuwbouwwoningen geboden. Enerzijds komt dit voort uit de maatschappelijke ontwikkelingen als individualisering, ontgroening & vergrijzing, anderzijds heeft dit te maken met de verander(en)de klantvraag, die ook steeds kwalitatiever van aard is. Aspecten waarop met name sturing plaatsvindt, zijn het aandeel appartementen in bouwplannen, het percentage goedkope huurwoningen, de beschikbaarheid van kavels voor (collectief) particulier opdrachtgeverschap / eigenbouw, het percentage levensloop-bestendige nieuwbouw en het voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW). 4.4.3 Toetsingskader nieuwbouw appartementen De gemeente heeft vanwege het surplus aan plannen voor de bouw van appartementen besloten nadrukkelijker sturing te geven aan de nieuwbouw van appartementen in Tilburg door bouwplannen te prioriteren. Prioritering zal plaatsvinden aan de hand van het in 2006 door de raad vastgestelde toetsingskader. Plannen worden getoetst aan het gewenst woonmilieu, ruimtelijk-stedenbouwkundige inpassing, consumentgerichtheid en de vraag of het plan onderdeel uitmaakt van een voor de gemeente prioritaire gebiedsontwikkeling. Reguliere (kleine) appartementen zijn in deze wijk niet onderscheidend genoeg en vergroten de overcapaciteit. Zeker in de nabijheid van het prioritaire project Piushaven is geen extra programma gewenst. De ontwikkeling van dergelijke appartementen zorgt voor concurrentie op geplande Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 22 projecten, waar de verkoop al moeilijk verloopt. Echter, bij onderhavig plan is sprake van levensloopbestendige appartementen met voldoende woonoppervlak. Dit bevordert de doorstroming in de wijk: gezinswoningen komen beschikbaar en ouderen kunnen in de wijk blijven wonen. Daarmee krijgt een bestaand gebouw in de wijk een nieuwe functie die de wijk ten goede komt. 4.4.4 Levensloopbestendige nieuwbouw Ter bevordering van de maatschappelijke participatie streeft de gemeente Tilburg er naar dat alle nieuwe woningen zo worden gebouwd dat ze minimaal toegankelijk (bezoekbaar) zijn voor mensen met een fysieke beperking. Verder moet -in relatie tot de vergrijzing en de zelfredzaamheid van burgers- tenminste 40% van de nieuwbouwwoningen "levensloopbestendig" worden ontwikkeld, dan wel daartoe eenvoudig aanpasbaar zijn. Dat wil zeggen dat de "primaire ruimten", i.c. woonkamer, keuken, hoofdslaapkamer en badkamer/toilet, gelijkvloers (te maken) zijn op entreeniveau van de woning. Eerder onderzoek heeft tot de conclusie geleid dat het minimumpercentage van 40% levensloopbestendige woningen in de nieuwbouwopgave moet worden voortgezet en dat er in verschillende stadsdelen/wijken een extra opgave ligt. Zie voor concrete ontwerphandreikingen de Werkwijzer Levensloopbestendigheid & toegankelijkheid 2.0. 4.4.5 Politiekeurmerk Veilig Wonen Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Het Politiekeurmerk Veilig Wonen bestaat eigenlijk uit twee keurmerken, namelijk een voor nieuwbouw en een voor bestaande bouw. Voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast (i.c. certificering plaatsvindt) zowel op woningniveau, als ook op het niveau van de woonomgeving. 4.5 Groen en speelruimte 4.5.1 Bomennota Tilburg boomT Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 23 Boomwaardezoneringskaart Maatregelen in bestemmingsplan De Bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de Bwz-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. Bomen met een hoofdwaarde, bomen van de 1e categorie en monumentale bomen zijn op een bijlagekaart (boomwaardekaart) bij dit bestemmingsplan opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. Bomen met een hoofdwaarde en bomen van de 1e categorie zijn daarop weergegeven als "potentieel waardevolle boom". Monumentale bomen staan als zodanig aangegeven. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van respectievelijk 8 en 15 m vanuit het hart van de desbetreffende boom. Bomen in het plangebied In het plangebied bevinden zich geen monumentale of potentieel waardevolle bomen. Wel bevinden zich potentieel waardevolle bomen aan de randen van het plangebied die een straal hebben die over het plangebied valt. Alle bomen blijven behouden. 4.5.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 24 2. Het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. Het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 4.6 Verkeer en parkeren 4.6.1 Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (Mobiliteit in Balans) Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. De kern van de visie is hoe de gemeente Tilburg om wil gaan met de mobiliteit. Bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen en bijbehorend processchema gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012. 4.6.2 Verkeer in het plangebied Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom in een 30 km/h gebied. Op de Fatimatraat en de Kruisvaardersstraat zit een busroute en dichtbij het plangebied ligt een bushalte. Nieuwe bouwplannen in het gebied moeten voldoen aan de, op dat moment, vastgestelde parkeernormen welke terug te vinden zijn in het Tilburgse Verkeers en Vervoers Plan (TVVP). Op basis van de parkeernormen die terug te vinden zijn in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012, moeten 12 x 1,3= 16 parkeerplaatsen worden aangelegd. Hiervan mag de bestaande parkeernorm van het wijkcentrum (400 m2= 8 parkeerplaatsen) worden afgetrokken. Formeel zouden ook de overige 8 parkeerplaasten verekend mogen worden vanwege de overige functies in het gebouw. Gelet op de grote parkeerdruk in dit gebied en om een goede parkeeroplossing te bieden is het noodzakelijk om problemen nu en in de toekomst te voorkomen. Daarom zijn de gemeente en de initiatiefnemer overeengekomen dat er ten behoeve van het bouwplan 8 parkeerplaatsten worden aangelegd in de Wethouderslaan in de vorm van langsparkeren. 4.7 Overige onderwerpen 4.7.1 UMTS Bij besluit van 12 maart 2007 heeft de raad nieuw beleid voor de plaatsing van zendmasten voor mobiele telefoons (GMS en UMTS) vastgesteld. (Internationale) gezondheidsraden geven aan dat zendmasten geen risico vormen voor de gezondheid. Desondanks wil de gemeente Tilburg zendmasten op een zo verantwoord mogelijke manier inpassen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen vergunningsvrije en vergunningsplichtige zendmasten. Zendmasten tot vijf meter mogen vergunningsvrij geplaatst worden. Jaarlijks ontvangt de gemeente een plaatsingsplan van de gezamenlijke aanbieders van mobiele telefonie. Daaruit blijkt waar reeds masten zijn geplaatst en waar masten eventueel gewenst zijn. Met aanbieders van mobiele telefonie is de afspraak gemaakt dat zij de masten zo veel mogelijk op ´niet gevoelige bestemmingen´ plaatsen, zoals kantoren, bedrijven en hoogspanningsmasten. Wanneer een aanbieder van mobiele telefonie een mast wenst te plaatsen op een woongebouw, dient dit vooraf gemeld te worden aan de gemeente. Bovendien heeft de aanbieder toestemming nodig van de eigenaar van het betreffende gebouw. Met omwonenden hoeft, volgens de regels uit het nationale zendmastenbeleid, niet gecommuniceerd te worden over de plaatsing van een zendmast. Zendmasten van vijf meter of hoger zijn vergunningsplichtig. Deze masten mogen niet in woonwijken worden geplaatst. Buiten de woonwijk wordt de meest geschikte locatie gezocht, waarbij de criteria uit de nota Zendmasten worden gehanteerd. (Zicht)hinder van masten wordt Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 25 voorkomen en er is aandacht voor landschappelijke inpassing en esthetiek. Omwonenden ontvangen een bewonersbrief en er vindt eventueel een inloopavond plaats (afhankelijk van de locatie). Wanneer het bevoegde gezag toch besluit een omgevingsvergunning te verlenen voor een zendmast in een woonwijk, dan wordt dit aan de raad gemeld. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 26 Hoofdstuk 5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.2 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Ten zuiden van het plangebied ligt een maatschappelijke bestemming terwijl er ten noorden de bestemming detailhandel is neergelegd. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied geen sprake meer van een rustige woonwijk en is het gerechtvaardigd om de richtafstand met 1 stap te verlagen. Voor de functie detailhandel wordt hierdoor aan de richtafstand voldaan. Voor de meeste functies binnen de bestemming maatschappelijk wordt eveneens aan de richtafstand voldaan. Met uitzondering van de functie Brandweer. Hiervoor geldt een richtafstand over van 30 meter ten opzichte van de nieuwe woningen (in een gemende omgeving) die niet gehaald wordt. Op dit moment zijn er geen plannen om de brandweer naar deze plek te verplaatsen. Het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied is daarmee voldoende gewaarborgd. 5.3 Externe veiligheid 5.3.1 Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Circulaire "Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" (cRnvgs), juli 2012; In 2014 wordt de cRnvgs vervangen door de Wet Basisnet; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), 1 januari 2011. De eerste en tweede kamer hebben ingestemd met het wetsvoorstel Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen, dat in 2014 van kracht wordt. In de wet worden de risicoplafonds vastgelegd veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen over weg-, spoor- en watertrajecten. De Wet Basisnet vervangt de cRnvgs. Gelijktijdig met de Wet Basisnet wordt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 27 5.3.2 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. 5.3.3 Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: 1. 2. 3. 4. de kans op een ongeval; het effect van het ongeval; het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. 5.3.4 Verantwoordingsplicht De verantwoordingsplicht draait kort gezegd om de vraag in hoeverre risico's, als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling, worden geaccepteerd en indien noodzakelijk welke veiligheidsverhogende maatregelen daarmee gepaard gaan. Met de verantwoordingsplicht worden betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid voor de maatschappij als geheel voldoende gewaarborgd wordt. Op deze manier wordt beoogd een situatie te creëren, waarbij zoveel mogelijk de risico's zijn afgewogen en geanticipeerd is op de mogelijke gevolgen van een incident. Deze afweging is kwalitatief van aard en richt zich op aspecten zoals de mogelijkheden van bestrijdbaarheid van een mogelijke calamiteit en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking. Bij de invulling van de verantwoordingsplicht dienen de volgende elementen te worden beschouwd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. het projectkader; de hoogte en toename van het groepsrisico; bronmaatregelen; ruimtelijke maatregelen te treffen maatregelen in het ruimtelijke besluit; mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit en de gevolgen daarvan; mogelijkheden tot zelfredzaamheid; mogelijkheden planontwikkeling op andere locatie; Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 28 8. mogelijkheden en voorgenomen maatregelen in de nabije toekomst. In de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (Ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken, december 2007) zijn deze onderdelen nader uitgewerkt en toegelicht. Conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) moeten alle ruimtelijke besluiten binnen het invloedsgebied van een inrichting verantwoord worden. Conform de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs) moet het bevoegd gezag verantwoording afleggen bij elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkeling. Conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling is de uitgebreidheid van de invulling van de verantwoordingsplicht afhankelijk van de hoogte en toename van het groepsrisico. Wanneer de ontwikkeling buiten de 100% letaal effectafstand ligt, kunnen de punten 3, 4, 7 en 8 buiten beschouwing gelaten worden. Hetzelfde geldt wanneer het groepsrisico 1) onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt of 2) tussen 0,1 maal en 1 maal de oriëntatiewaarde ligt én minder dan 10% toeneemt. We spreken in deze gevallen van een beperkte verantwoordingsplicht. In de andere gevallen dient de verantwoordingsplicht compleet ingevuld te worden. 5.3.5 Inrichtingen In het voorliggende plan zijn risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen binnen het plangebied uitgesloten. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour die van invloed is op het plangebied. 5.3.6 Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van buisleidingen binnen of rondom het plangebied. 5.3.7 Overig transport van gevaarlijke stoffen Het niet-leidinggebonden transport van gevaarlijke stoffen in Tilburg vindt plaats over de weg, per spoor en over het Wilhelminakanaal. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg De ontwikkeling ligt op een afstand van 1150 meter van de A58. Voor de A58 geldt conform de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs) een veiligheidsafstand van 24 meter. De ontwikkeling ligt daarbuiten. De afstand van de A58 tot het plangebied is zodanig groot dat dit niet leidt tot een toename van het groepsrisico. De A58 is daarmee verder niet relevant voor de planontwikkeling. De gemeentelijke wegen rond het plangebied maken geen onderdeel uit van de gemeentelijke routering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het vervoer over deze wegen kan alleen plaatsvinden op basis van ontheffing. De omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen is, vanwege het ontheffingssysteem, dermate klein dat geen sprake kan zijn van een plaatsgebonden risico 10-6 en geen sprake kan zijn van een overschrijding van de oriëntatiewaarde en/of significante toename van het groepsrisico. Vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor De spoorlijn Breda - Tilburg - Eindhoven/'s-Hertogenbosch loopt door de gemeente Tilburg. Hierover worden o.a. brandbare gassen en brandbare vloeistoffen vervoerd. In de Beleidsvisie externe veiligheid is vastgelegd dat, tot het moment dat het basisnet in wetgeving is vastgelegd, uitgegaan zal worden van de uitgangspunten zoals deze verwoord zijn in het beleidsdocument Koersen op veilig. Dit betekent dat, tot het van kracht worden van het Basisnet, geen nieuwe objecten mogen worden opgericht binnen 29 meter van het hart van de buitenste spoorlijn. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk binnen deze afstandsmaat. Ten aanzien van het groepsrisico geldt dat het invloedsgebied van de spoorlijn 3.000 meter is. Het Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 29 invloedsgebied valt dus over het plangebied. Uit de risicoberekeningen die ten grondslag liggen aan het Basisnet Spoor blijkt dat voor het relevante spoortraject de hoogte van het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt in de huidige situatie. Tevens maakt het bestemmingsplan geen toename van de personendichtheid mogelijk. De verantwoordingsplicht moet conform de circulaire alleen ingevuld worden bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde en/of een toename van het groepsrisico, van beide is voor dit plan geen sprake. De spoorlijn is daarmee verder niet relevant voor de planontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het Wilhelminakanaal Uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (december 2009) blijkt dat er voor het Wilhelminakanaal geen risico- en veiligheidsafstanden gelden. 5.3.8 Restrisico en conclusies Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoor. Echter op zodanige afstand dat de 12 levensloopbestendigde appartementen geen bijdrage opleveren aan het groepsrisico. De verantwoordingsplicht hoeft niet ingevuld te worden. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico. 5.4 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk. 5.5 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 5.5.1 Wegverkeerslawaai De nieuwe appartementen zijn gelegen binnen de wettelijke zone van de Ringbaan-Zuid (70 km/uur weg) en de Wethouder Baggermanlaan(50 km/uur weg). Voor nieuwe woningen geldt ingevolge de Wet geluidhinder een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. De optredende geluidbelasting ten gevolge van deze gezoneerde wegen is berekend met het geluidkarteringsmodel VL 2022 en bedraagt lager dan de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Hierbij is rekening gehouden met toepassing van de wettelijke aftrek van 2 dB voor de Ringbaan Zuid respectievelijk 5 dB voor de Wethouder Baggermanlaan ingevolge artikel 110g Wet geluidhinder. Op de overige wegen, waaronder de Fatimastraat, is de Wgh niet van toepassing omdat op deze wegen maximaal 30 km/uur gereden mag worden. Omdat voldaan wordt aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB is er geen noodzaak om hogere grenswaarden vast te stellen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de gecumuleerde geluidsbelasting berekend exclusief toepassing van de wettelijke aftrek volgens artikel 110g Wgh voor Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 30 wegverkeerslawaai. Maatgevend hierbij is de Fatimastraat. De gecumuleerde geluidbelasting varieert van 42 dB aan de zuidkant van het gebouw tot maximaal 59 dB voor de appartementen ter hoogte van de Fatimastraat. Voor een binnenstedelijke situatie wordt een geluidbelasting van maximaal 59 dB op een deel van de appartementen akoestisch gezien aanvaardbaar geacht. 5.5.2 Railverkeerslawaai De geluidbelasting ten gevolge van het et spoortraject Tilburg-Breda gebaseerd op het Geluidregister spoor bedraagt ca. 70 dB. Dit komt overeen met een zonebreedte van 600 meter. (artikel 1.4a Besluit geluidhinder) De nieuwe appartementen vallen buiten deze onderzoekszone. Dit betekent dat er geen akoestisch onderzoek hoeft plaats te vinden naar de optredende geluidsbelasting en dat er geen toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder hoeft plaats te vinden. 5.5.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. 5.5.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. 5.6 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand gehouden moet worden. De bestemming in het plangebied is getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 12 levensloopbestendige appartementen en kan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast zijn er geen luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen), aanwezig. Vanuit de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen, bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan. 5.7 Geur 5.7.1 Industriële geur In en om het plangebied wordt geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder. 5.7.2 Agrarische geur In en om het plangebied worden geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder. 5.8 Bodem Bodem Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 31 Ter hoogte van de locatie zijn in het verleden geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Nabij gelegen onderzoeken kunnen echter wel enige uitspraak doen over de te verwachten kwaliteit. Op 10 oktober 2007 is er door onderzoeksbureau Tauw vast gesteld dat er geen bijzonderheden zijn waargenomen die duiden op een eventuele verontreiniging van de bodem. Deze conclusie wordt bevestigd op 14 september 2010 wanneer er een stuk riolering vervangen dient te worden. Tijdens dit onderzoek zijn er alleen achtergrond waardes geconstateerd van o.a. zware metalen. In diverse delen van Noord-Brabant worden gehalten aan zware metalen gemeten zonder dat daarvoor een duidelijke bron en oorzaak is aan te wijzen. De oorzaak ligt in dit soort gevallen meestal in een combinatie van factoren, waarbij de aanwezigheid van kalkarme zandgronden, verschillende vormen van antropogene belasting, zoals het jarenlang gebruik van meststoffen, bodemverbeterende middelen en bestrijdingsmiddelen en zure depositie een rol spelen. In sommige gevallen betreft het van nature aanwezige componenten. Bedrijvigheid Op locatie is een voormalig wijkcentrum aanwezig. Tanks Er zijn geen tanks gelegen op locatie Demping Voor zover bekend liggen er geen dempingen binnen 10 meter van het perceel. Aanbeveling Voor hergebruik van het pand zijn geen aanvullende onderzoeken noodzakelijk. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering. 5.9 Natuur en Ecologie Natuur Inleiding Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van de Ecologische Hoofdstructuur en beschermde soorten (Flora- en faunawet). Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld. Natura 2000 Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998. Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 32 mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets. In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat. Er zijn drie mogelijkheden: 1. Er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig. 2. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden doorlopen. 3. Er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist. Analyse plangebied Het plangebied ligt in het centrum van Tilburg en daardoor op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Kampina & Oisterwijkse Vennen op een afstand van ca. 3 km. Conclusie De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot. En de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten. Ecologische Hoofdstructuur In de Verordening ruimte Noord-Brabant is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) begrensd. De EHS is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot de EHS is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot de EHS. Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor de EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken. Indien de natuur- en landschapswaarden van de EHS worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden. Analyse plangebied In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Ecologische Hoofdstructuur. De dichtstbijzijnde EHS is gelegen op ca. 720 meter afstand van het plangebied. Dit betreft de Leij met de natuurbeheertypen Rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) en Beek en bron (N03.01). Conclusie De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significante negatieve effecten hebben op de Ecologische Hoofdstructuur in de omgeving. De EHS ligt buiten het plangebied en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde EHS. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 33 Kadernota Groene Mal In de Kadernota Groene Mal is het beleid ten behoeve van behoud en ontwikkeling van een duurzaam functionerende ecologische structuur rondom de stad Tilburg en de kernen Berkel-Enschot en Udenhout vastgelegd. De Groene Mal is een doorvertaling van de EHS naar de Tilburgse situatie. Met name de ecologische verbindingen tussen bestaande bos- en natuurgebieden zijn binnen de Groene Mal sterk(er) aangezet. Doel van de Groene Mal is het sturen van de verstedelijking. Aantasting van natuurgebieden wordt zoveel mogelijk voorkómen. Onvermijdbare incidentele ingrepen zullen gecompenseerd worden, bij voorkeur in daartoe aangewezen zoekgebieden binnen de Groene Mal. Het bestemmingsplan vormt het juridisch kader voor de realisering en bescherming van de Groene Mal. Analyse plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van de Groene Mal. Conclusie Er zijn geen significante negatieve effecten op de Groene Mal aan de orde. Vanuit Groene Mal-beleid zijn geen aanvullende beschermingsmaatregelen aan de orde. Flora- en faunawet Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt. Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd. Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet. Analyse plangebied Op basis van bronnenonderzoek (NDFF en lopend onderzoek betreffende huismus, gierzwaluw en vleermuissoorten in oudere stadswijken) zijn in het plangebied geen waarnemingen van beschermde soorten bekend. Het plangebied betreft een gebouw met een plat dak; nestgelegenheden voor vogels worden niet verwacht door het ontbreken van een pannendak. De eerste etage is grotendeels bekleed met plaatmateriaal. Hoewel er in eventuele kieren/naden verblijfplaatsen van vleermuizen denkbaar zijn, worden deze toch niet verwacht. Er zijn namelijk geen waarnemingen bekend, terwijl er in 2013 in dit stadsdeel wel onderzoek heeft plaatsgevonden naar vleermuizen. Conclusie Op basis van bronnenonderzoek en deskundigenoordeel is geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Flora- en faunawet nodig voor de ontwikkelingen in het plangebied. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 34 Hoofdstuk 6 Wateraspecten Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 6.1 Bestaand watersysteem Het plangebied is gelegen in het deelstroomgebied van De Nieuwe Leij en Voorste Stroom en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap De Dommel. Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van ca. 525 m2. Het terrein ligt tussen 13,25 m + NAP en 13,50 + NAP. De maatgevende hoogste grondwaterstand ligt op ongeveer 11,80 m + NAP (GHG 11,60 m + NAP). Met een maatgevende gemiddelde hoogste grondwaterstand ruim één meter onder het maaiveld, is de ontwatering in de bestaande situatie voldoende. De grondopbouw bestaat over het algemeen uit sterk lemig, matig fijn zand. Op ongeveer 250 meter ten noorden van het plangebied ligt de Piushaven. Deze staat in directe verbinding met het Wilhelminakanaal. Het normaal peil in het kanaal is ongeveer 12,55 m + NAP. Op ongeveer 500 meter ten zuiden van het plangebied stroomt de Nieuwe Leij. In de bestaande situatie ligt een gemengd rioolstelsel langs de westelijke en oostelijke plangrens. Het afvalwater stroomt af naar het eindgemaal Moerenburg, om vervolgens door te gaan naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Tilburg. Beide installaties zijn in beheer van waterschap De Dommel. 6.2 Duurzaam waterbeheer 6.2.1 Beleidskader De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat er in tegenstelling tot vroeger, meer rekening gehouden moet worden met water. Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op een duurzaam waterbeheer. Belangrijk in deze aanpak is het realiseren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen, het niet afwentelen van knelpunten in tijd of plaats, de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren', en het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave. Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De KRW stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en grondwater in 2015. De EU stelt de normen voor prioritaire stoffen. De ecologische doelstellingen zijn regionaal vastgesteld in het Stroomgebiedbeheersplan Maas. De grondwatervoorraad moet stabiel zijn en natuurgebieden mogen niet verdrogen door een te lage grondwaterstand. In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat de watersystemen in 2015 op orde moeten zijn wat betreft waterkwantiteit (WB21), -kwaliteit en ecologie (KRW). Wat het regionale beleid betreft, beheert Rijkswaterstaat het Wilhelminakanaal, de provincie de grondwatervoorraden en de waterschappen het oppervlaktewater. Het Provinciale Waterplan 2010 2015 beschrijft het strategische waterbeleid. De uitvoering van de Europese KRW-doelstellingen is daarin opgenomen. Parallel aan het provinciale beleid, zoeken de waterpartners samen met de betrokken landbouw-, natuur- en andere organisaties samen naar passende oplossingen om deze KRW-doelstellingen te realiseren. Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Krachtig Water' 2010 - 2015 vastgesteld, in dezelfde periode als het Nationale Waterplan 2010 - 2015 en het bovengenoemde Provinciale Waterplan 2010 - 2015. Het plan beschrijft de doelen en inspanningen van het waterschap, en maakt een indeling in zes thema's: droge voeten, voldoende water, natuurlijk water, schoon water, schone waterbodem en mooi water. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel (datum intrede 22 december 2009), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in de Structuurvisie Water en Riolering Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 35 (SWR), met daarin opgenomen het GRP voor de periode 2010 - 2015, met een visie voor de komende 30 jaar. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De SWR vervangt het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002) en het Gemeentelijk Rioleringsplan (2005-2009), en werkt de nieuwe wet- en regelgeving uit, voornamelijk wat de nieuwe zorgplichten betreft voor het regen- en grondwater, en het actuele rijks-, het provinciale en het regionale beleid. De visie hanteert de in het Waterplan (1997) vastgestelde algemene doelstellingen voor de lange termijn, gebaseerd op de duurzaamheidgedachte: Streven naar een duurzaam en veerkrachtig watersysteem; Optimalisatie van de waterketen; zuinig en efficiënt gebruik van water; Vergroten van de belevings-, ecologische, economische en recreatieve waarde van water. Deze visie is samengesteld op basis van bijdragen van burgers, gemeenteraad, en betrokken waterbeheerders. Uit de visie vloeit de opgave voort voor de komende jaren. Als uitwerking van de visie zijn er opgaven geformuleerd en strategische keuzes gemaakt, die gelden als randvoorwaarden voor de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg. Deze randvoorwaarden geven onder andere invulling aan het water als ordenend principe. 6.2.2 Afwegingen De ontwikkeling betreft de herontwikkeling van de bestaande bebouwing. De omliggende tuin wordt behouden. Er is dan ook geen sprake van toenemende afvoerende oppervlakken. Conform het vigerende beleid mag er geen water op de straat ontstaan bij een bui met een herhalingstijd van twee jaar. Om hieraan te voldoen is de strategie doelgericht grootschalig afkoppelen, doch doelgericht op de gebieden die het meeste bijdragen aan dit doel: plan Blauwe Aders. Dat wil zeggen dat er gebieden zijn aangewezen waar het regenwaterafvoer afgekoppeld wordt van de gemengde riolering om problemen met water op straat te voorkomen. De regenwaterafvoer wordt aangesloten op de nieuwe regenwaterriolering: de blauwe aders. De rest van het stedelijk gebied (die dus niet afgekoppeld is) blijft afvoeren via het gemengde rioolstelsel, tenzij sprake is van stadsvernieuwing. In dat geval wordt de betrokken ontwikkeling ook afgekoppeld. Het regenwater stroomt af richting de stadsrand en wordt daar verwerkt (berging-infiltratie-afvoer op oppervlaktewater). Het plangebied bevindt zich in een afkoppelgebied; in de Fatimastraat ligt een transportleiding van het secundaire afwateringssysteem (plan Blauwe Aders) waarop de afvoer van regenwater richting de Blauwe Aders kan afstromen. Het plangebied Fatimastraat 24-02, 24-03 dient van de gemengde riolering afgekoppeld te worden en aangekoppeld te worden op de blauwe ader. De keuze voor een terreinhoogte moet voldoen aan de minimale ontwatering en aan de afvoersituatie. Verder moet het plangebied geen onacceptabele schade ondervinden bij extreme neerslag. De huidige terreinhoogte wordt niet gewijzigd en voldoet ruim aan deze eisen. In het plangebied en voor rekening van de ontwikkelende partij(en) dienen de volgende randvoorwaarden in acht genomen te worden bij het ontwikkelen van het plangebied: De terreinhoogte in het plangebied dient aan te sluiten op de bestaande terreinhoogte van het openbaar gebied; Alle ondergrondse bouwdelen dienen waterdicht te zijn; Het toepassen van uitlogende materialen is uitgesloten; Het vuil- en hemelwater wordt inpandig gescheiden ingezameld; Het vuilwater voert af richting de bestaande gemengde riolering; Het hemelwater van het dak voert af richting de Blauwe Ader gelegen aan de Fatimastraat. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 36 6.3 Watertoets Aangezien er nauwelijks sprake is van waterbelangen in het plangebied, hebben waterschap de Dommel en de gemeente besloten de watertoets maximaal verkort te volgen. Hierdoor wordt deze waterparagraaf direct verwerkt in het ontwerpplan, zoals in eerder gemaakte afspraken om het vooroverleg vereenvoudigd te volgen. Het waterschap heeft dan ook geen voorlopig wateradvies. Het advies van het waterschap in het kader van de watertoets, wordt dan ook (direct) verstrekt bij de ter inzage legging. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 37 Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 38 Hoofdstuk 7 Opzet planregels 7.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen. 7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen. 7.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit bestemmingsplan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen). 7.2.2 Bouwdiepte Conform de regeling in de Bouwverordening is de bouwdiepte gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. In het algemeen is de achterste begrenzing van het bouwvlak bepaald door de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen in het betreffende bouwblok. Indien sprake is van een bouwstrook is de bouwdiepte bepaald door de helft van de diepte van de bouwstrook, gelegen achter de voorgevelrooilijn. In beide gevallen wordt als maximum gehanteerd een diepte van 12 m. Gelet op de specifieke situatie of vanuit stedenbouwkundige overwegingen kan voor het bepalen van de achtergevelrooilijn van deze richtlijn worden afgeweken. 7.2.3 Bouwhoogte Op grond van historisch/morfologische interpretatie worden de volgende gebiedstypen onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte: 1. Hoofdstructuur oude gebieden, onderverdeeld in: Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 39 a. Linten van de 1e orde; b. Linten van de 2e orde. 2. Hoofdstructuur nieuwe gebieden; 3. Overige gebieden. Langs de 'Hoofdstructuur oude gebieden' wordt, indien sprake is van een lint van de 1e orde, een maximale hoogte toelaatbaar geacht van 15 m. Indien sprake is van een lint van de 2e orde, is de maximaal toelaatbare hoogte 11 m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15 m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10 m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen-1, Wonen-2 en Wonen-3. Ook in het buitengebied geldt een afwijkende regeling. Een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels ten behoeve van een hogere bouwhoogte is vaak mogelijk voor specifieke constructies. 7.2.4 Goothoogte De toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn is in het algemeen gerelateerd aan de straatbreedte. De toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tussen de achtergevelrooilijnen. De formule ter bepaling van de goothoogte in de voorgevelrooilijn kan als volgt worden omschreven: de straatbreedte (gemeten van gevel tot gevel) + 1 m met een maximum van: 15 m bij 15 m bij 11 m bij 10 m bij linten van de eerste orde; de hoofdstructuur nieuwe gebieden; linten van de tweede orde; de overige gebieden. In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goothoogte dan ook gelijk gesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 40 bestemd. Dit zelfde geldt voor de goothoogte in de achtergevelrooilijn. Wanneer de systematiek voor de goothoogte in de voor- en achtergevelrooilijn resulteert in verschillende hoogten, wordt de laagste goothoogte weergegeven. Middels een omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de regels ten behoeve van het bouwen in het bouwvlak kan dan een hogere goothoogte voor de andere rooilijn worden verkregen. Aanvullend op deze regeling dient langs de 'Hoofdstructuur oude en nieuwe gebieden' echter rekening te worden gehouden met de bestaande hoogte van de belendingen in de voorgevelrooilijn. Hierbij dienen de volgende uitgangspunten in acht te worden genomen: de hoogte van de bebouwing in de voorgevelrooilijn op het te bebouwen perceel mag in een strook van 5 m langs de zijdelingse perceelsgrens over een diepte tot aan de achtergevelrooilijn niet meer mag bedragen dan de feitelijk in de voorgevelrooilijn aanwezige afschuiningshoogte van de bebouwing op het naastgelegen perceel vermeerderd met 6 m; deze hoogte mag afhankelijk van de aanwezige afschuiningshoogte van de bebouwing op het naastgelegen perceel in elk geval 10 m bedragen; bebouwing op een grotere afstand dan 5 m van de zijdelingse perceelsgrens wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. In bijzondere gevallen kan, afhankelijk van het type lint, omgevingsvergunning worden verleend voor binnenplans afwijken van de bouwregels t.b.v. bebouwing in de strook van 5 m langs de zijdelingse perceelsgrens tot een maximale hoogte behorende bij het type lint. Rekening houdende met de belendingen en/of het straatbeeld kunnen uit oogpunt van een goede ruimtelijke inpassing nadere eisen worden gesteld ten aanzien van vorm, afmetingen en plaats van de bovenste bouwlaag of de bovenste twee bouwlagen. In het buitengebied gelden ten aanzien van goothoogten andere regels, die een lagere maximale goothoogte met zich brengen. 7.2.5 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied: 1. oppervlakte: a. 20 m2 indien erf kleiner is dan 50 m2; b. 40% van erf met maximum van 60 m2 bij erf tussen de 50 m2 en 500 m2; c. 80 m2 bij erf tussen de 500 m2 en 1000 m2; d. 100 m2 bij erf vanaf 1000 m2. 2. bouwhoogte: maximaal 3 m bij plat dak, bij schuin dak goothoogte maximaal 3 m en bouwhoogte maximaal 4,5 m. Met omgevingsvergunning inzake binnenplans afwijken van de bouwregels is ten behoeve van mantelzorg een grotere oppervlakte mogelijk. In het buitengebied geldt (op basis van provinciaal beleid) voor bijgebouwen bij woningen in beginsel een maximale oppervlaktemaat van 75 m², terwijl de goothoogte maximaal 3 m en bouwhoogte maximaal 4,5 m mag bedragen. 7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Vaak is daarnaast sprake van een nadere eisen-regeling, een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d. Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen, etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Nadere eisen en omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels Vaak heeft het college de bevoegdheid om met in achtneming van de daarvoor geldende Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 41 voorwaarden nadere eisen aan bouwplannen te stellen of afwijking van de bouwregels toe te staan. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming. Omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een vergunningplicht t.a.v. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde. Wijzigingsbevoegdheid Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies. 7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten: Anti-dubbeltelregel Artikel 4 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels. Algemene bouwregels Artikel 5 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen. Algemene gebruiksregels In artikel 6 staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming. Algemene aanduidingsregels In artikel 7 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld. Het betreft de gebiedsaanduiding luchtvaartverkeerzone-funnel. Algemene afwijkingsregels Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 8. Algemene wijzigingsregels Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in artikel 9, o.a. met betrekking tot reconstructie van oude complexgewijze bebouwing, schrappen van functieaanduidingen en uitwisseling van functieaanduidingen, het toelaten van diverse functies binnen de woonbestemming, wijziging van de bestemmingsgrenzen en het toelaten van utiliteitsvoorzieningen met een oppervlak groter dan 50 m2. Overige regels Naast eventuele nadere eisen per bestemming zijn burgemeester en wethouders middels artikel 11 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 42 7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 43 Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 44 Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid 8.1 Uitvoerbaarheid Het gaat hier om een bouwplan in de zin van de Grex-wet. Ingeval een toekomstige ontwikkeling een particuliere grondexploitatie betreft en er voor het realiseren van het plan voorzieningen van openbaar nut nodig zijn, schrijft de wet kostenverhaal voor. In deze gevallen, waar de gemeente zelf geen grond exploiteert en de voorzieningen en overige kosten dus niet zelf in de grondprijs kan verdisconteren, wordt doorgaans met initiatiefnemers een exploitatieovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst worden alle gemeentelijke kosten bij de initiatiefnemers in rekening gebracht, zoals de gemeentelijke plan- en apparaatskosten, de kosten 'Reserve Bovenwijkse Voorzieningen' en kosten van voorzieningen van openbaar nut, waaronder herstel van aangebrachte schade. Eveneens wordt een planschadeovereenkomst afgesloten. Door het afsluiten van een exploitatieovereenkomst en planschadeovereenkomst zijn deze plannen kosten neutraal voor de gemeente en derhalve economisch uitvoerbaar. Met de initiatiefnemer is een exploitatieovereenkomst en een overeenkomst tegemoetkoming in schade gesloten. In de overeenkomst tegemoetkoming in schade is bepaald dat schade als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op de voet van afdeling 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door ontwikkelaar. In de exploitatieovereenkomst zijn de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit bestemmingsplan opgenomen, de bijdrage voor het fonds bovenwijkse voorzieningen en beeldende kunst alsmede de kosten voor de benodigde aanpassingen in het openbaar gebied. In het openbaar gebied worden 8 parkeerplaatsen aangelegd. Daarnaast zijn door de initiatiefnemer leges betaald voor de herziening van het bestemmingsplan. Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk is, is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld. Gelet op bovenstaande is het onderhavige plan economisch uitvoerbaar. Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 45 Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 46 Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg 9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 14 juni 2014 gepubliceerd in Stadsnieuws. 9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het plangebied is gelegen in stedelijk gebied. Er zijn dan ook geen provinciale of rijksbelangen mee gemoeid. Met deze overheden is dan ook geen vooroverleg gevoerd. Met waterschap de Dommel is afgesproken om in dit geval een vereenvoudigde procedure te volgen. Dit houdt in dat het wateradvies direct na terinzagelegging van het ontwerp wordt verstrekt. 9.3 Burgerparticipatie Op 10 juni 2014 is ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie een informatieavond gehouden in het pand aan de Fatimastraat 24-02 en 24-03. Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. De initiatiefnemer heeft een verlag gemaakt van de inloopavond. Hieruit blijkt dat er ongeveer 250 uitnodigingen zijn verstuurd en 45 omwonenden de avond bezocht hebben. Over het algemeen waren de reacties over het project positief. Er zijn specifieke vragen gesteld over de veiligheid van de kinderen van de basisschool en de omgeving bij het uitvoeren van de werkzaamheden. De initiatiefnemer heeft aangegeven contact te onderhouden met de basisschool voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Door de omwonenden werd aangegeven dat de parkeerdruk in de omgevings al hoog is en gevraagd werd of er voldoende parkeerplaasten werden aangelegd voor het initiatief. Aangegeven is dat er 16 parkeerplaatsen nogdig zijn voor 12 appartementen. Deze zijn nagenoeg allemaal aanwezig bij het voormalig buurthuis, maar omdat het pand al geruime tijd leegstaat en gedeeltelijk door anderen wordt gebruikt, worden acht parkeerplaatsen aangelegd in de Wethouderslaan. 9.4 Zienswijzen pm Fatima 2007, 5e herziening (Fatimastraat 24-02, 24-03) 47
© Copyright 2025 ExpyDoc