Klassieken bij de modernen

Klassieken bij de modernen
Een aparte vorm van receptie
Overzicht
1. Moderne Latijnse poëzie
2. Dichten over dichters
3. Schnur, Decessus Poetae
1. Moderne Latijnse poëzie
A. Neolatijnse poëzie tussen Renaissance en
romantiek
B. Een nieuwe Latijnse poëzie
C. Versnovelle
D. Andere moderne Latijnse poëzie
A. Neolatijnse poëzie tussen
Renaissance en romantiek
• 17-19de eeuw: verval
• tweede helft 19de eeuw: opleving in beperkte
kring
– certamina
 certamen hoeufftianum
– tijdschriften
– dichters uit alle beroepscategorieën
– romantiek
B. Een nieuwe Latijnse poëzie
• leerdicht
• Diego Vitrioli, Xiphias
• Pascoli
– details en beschrijvingen creëren een moderne stemming
– Verg, Ecl. 4, 60:
Incipe, parve puer, risu cognoscere matrem!
– Pascoli, Thallusa, 188-191:
“Ridet!” ait Thallusa furens, oblita sui, nil
percipiens oculis aliud, nil auribus, omnis
in puero, risum lacrimans, deperdita: “Ride!
Coepisti tandem risu cognoscere matrem!”
B. Een nieuwe Latijnse poëzie
• ‘moderne’ Latijnse poëzie (vanaf eind 19de eeuw)
– klassiek Latijn, klassieke versmaten (wel ruimer
lexicon en expressiever gebruik van adjectief en klank)
– details die niet beantwoorden aan de antieke
beschouwingswijze en beschrijvingstechniek; het
wordt een moderne context, modern milieu
• bijv. Thalussa: lachen van het kind
– Verg.: met invoelen, maar ‘objectief’
– Pascoli: tragisch, ‘onklassiek’ conflict van affecten
– moderne associaties en verbindingen
• zintuiglijke waarnemingen wekken een psychisch proces op
• droom (medium om gedachten, gevoelens … uit te drukken)
C. Versnovelle
• moderne keuze van onderwerp en personages
– dieren, kinderen, vrouwen, mensen van nederige
afkomst als hoofdpersonages
• uitgangspunt: bepaalde passage, situatie bij een
klassiek auteur
• antieke personages met een moderne
gevoeligheid treden op, gaan in dialoog, …
• zo ontspint zich heel eigen verhaal: ‘romantische
versnovelle met antieke inhoud’
• tot jaren ’70 van de 20ste eeuw populair (o.i.v.
certamen Hoefftianum)
D. Andere moderne Latijnse poëzie
• polemische poëzie (vooral begin 20ste eeuw)
• lyrische poëzie (natuur, kind, liefde, …; wint
steeds meer veld)
•
•
•
•
•
– afwijkingen van de klassieke versificatie (‘los’ klassiek,
ritmisch, vrij)
satirische poëzie
didactische poëzie
epische poëzie
epigram (aan vrienden, humor, …; populair!)
poëtische vertalingen
Overzicht
1. Moderne Latijnse poëzie
2. Dichten over dichters
3. Schnur, Decessus Poetae
2. Dichten over dichters
A.
B.
C.
D.
E.
F.
Dichters
Vormen van receptie
Versnovelle: Horatius
Versnovelle: Vergilius
Versnovelle: Ovidius
Versnovelle: Catullus
A. Dichters
• ‘Voorbeeldige’ antieke dichters
– Usual suspects: Vergilius, Horatius, Ovidius
– Ook populair: Catullus
– Focus op Catullusreceptie
• Vertrouwdheid
• ‘Overzichtelijkheid’
• Moderne dichters: terugkerende namen
– Beperkt aantal (randfenomeen)
– Selectie uit betere dichters (kwaliteitsverschil)
B. Vormen van receptie
• reminiscentie
• specifieke behandeling van een bepaald
vers/metrum
• imitaties en parodieën
• lofdichten en ‘besprekingen’
• ‘vergelijkingen’
• versnovelle
Bepaald vers/metrum
• Vooral Horatius en Catullus (sleutelpositie bij
invoering en hantering lyrische metra)
– ionicus a minore (Horatius enige klassieke dichter)
– galliambe (Catullus’ carmen 63)
– hendecasyllabus phalaeceus (heel vaak gebruikt
bij imitaties van Catullus)
Imitaties en parodieën
• A. Godley, Q. Horati Flacci carminum liber quintus
– Typografie van Oxford-editie
– Aantal oden: Latijnse versie van gedichten van Rudyard
Kipling
– Overige: versies van Engelse originelen van Charles L.
Graves
– Q. Horati Flacci Carminum librum quintum, a Rudyardo
Kipling et Carolo Graves anglice redditum et variorum notis
adornatum ad fidem codicum mss. edidit Aluredus D.
Godley.
• Publicatie onder andermans naam
• Imitatie en aemulatio
• “Doctis, Iuppiter, et laboriosis”
Imitaties en parodieën
• H. C. Schnur, Iuvenalis saturae XVI
fragmentum nuperrime repertum
– 16de satire aangevuld met een nieuw fragment
– zogezegd teruggevonden in aloude codices
– uiterst getrouw en bedreven!
– als authentiek opgenomen in l’Année Philologique
(vol 41, 1972)
Imitaties en parodieën
A. Grillo, Ad amicam delectam
Catullus, carmen 1
Cui dono haud lepidum meum libellum
atque non modo pumice expolitum?
Amica, o tibi, quae suave dicis
et suave facis quod est peraptum.
Cui dono lepidum novum libellum
arida modo pumice expolitum ?
Corneli, tibi ... (Cat. 1, 1-3a)
Imitaties en parodieën
• A.E. Radke, In filiam minorem
Passer pullule, nidulo excidisti,
fracto crure iacens volare nescis!
nunc te filiola in manu tenella
servat exiguum alitem timentem.
en iam pipiat atque hiante rostro
exspectat nuculas, puella nutrix
carum illum insatiabilemque alumnum
alit, carmina cantat et magistra.
at nunc mortuus est pusillus ille
passer – desine lacrimare, ocelle!
Lofdichten
• I.M. Borovskij, In diem natalem Ovidi
• J. Eberle, De Q. Horatio Flacco
• R. Paone, Ad Catullum poetam
Lofdichten
R. Paone, Ad Catullum poetam
Vincit magnanimus Catullus omnes
vates, qui fuerant et antea et qui
futuri lyrici per omne saeclum
erant, Roma, tibi. Catullianis
doctis carminibus novisque semper
Flaccus subiacuit quoque ipse; nugas
festivas etiam recentiorum
illius recolit caterva vatum.
Adhuc Lesbia vivit; et per annos
vivit passer adhuc bonae puellae,
quamquam mortuus occidisse fertur;
vivit tam celer ille iam phaselus ...
Praestat flens elegidium Poetae
cunctis, dum insula Sirmio lacusque
Benacus resonant; nitent per urbem
Veronam atria dum superba, et alta
circi rudera ... dumque, Roma, stabis! ...
Vergelijkingen
J. Eberle, Lesbia illa ...
Miser Catulle, fuisti nec omnium primus
nec laborantium ultimus turpi amore.
Lesbiam nostram quandoque et nos invenimus,
ipsam carentem et nosmet privantem pudore (...)
(vv. 1-4)
met verwijzing naar carmen 8
Versnovellen
• antieke dichters treden op in levendige
episodes/verhalen
• inspiratie uit vers, gedicht, meerdere gedichten,
heel oeuvre, biografie, … van antieke dichter
• uitwerking van scènes in dramatische en
levendige vorm
• binnendringen in leefomgeving, gevoels- en
gedachtewereld van de antieke dichter
• verhalend - lyrisch - dramatisch
C. Versnovelle: Horatius
• G. Pascoli, Ultima linea
– typisch: dichter wordt opgevoerd aan levenseinde
– hier: ‘canus et aeger’; aan eind gedicht sterft hij
• G. Pascoli, Reditus Augusti
– Hor. Carm. 3, 14
– Horatius gaat Octavianus toejuichen bij terugkomst uit Spanje
– ‘s avonds, terug thuis, dicht Horatius Ode 3.14
• A. Bartoli, Somnium Horati
– op eind van zijn leven ziet Horatius in een droom allerlei personages
uit zijn poëzie voor ogen; in die droom verzekert Maecenas hem van
de onsterfelijkheid van zijn gedichten
• A. Galante, Flavi ludus
– Horatius vertrekt als kleine jongen uit Venusia, tot spijt van de
plaatselijke schoolmeester
D. Versnovelle: Vergilius
• G. Pascoli, Ecloga XI sive ovis peculiaris
– tijdens avondwandeling overhoort Vergilius de klacht van een oude
weggelopen slaaf; naar aanleiding daarvan overweegt hij een elfde
ecloge te schrijven
• R. Carrozzari, Amaryllis
– over de nieuwe vlam van Vergilius (na Galatea)
• R. Carrozzari, Ultimi Vergilii dies
– Vergilius wordt ziek op zeereis van Athene naar Brindisi en sterft bij
aankomst
• G. Morabito, Vergili reditus
– Vergilius wordt in de onderwereld geroepen door een sanctissima
femina om Dante te begeleiden
– Dante, Divina commedia  Inferno, II, 53 e donna mi chiamò beata e
bella (woorden van Vergilius tot Dante).
E. Versnovelle: Ovidius
• H. Weller, Natale solum
– gesprek tussen verbannen Ovidius en vreemdeling
over (al dan niet) gehechtheid aan vaderland
• N. Martinelli, Carmen et error
– wat voorafgaat aan de verbanning: in een vechtpartij
verwonden Ovidius en enkele makkers een dienaar
van Livia; dat en anti-augusteïsche gedichten van zijn
hand, leiden tot zijn verbanning
• N. Martinelli, Obitus Nasonis
• R. Carrozzari, Ultimi Ovidii dies
F. Versnovelle: Catullus
G. Pascoli, Catullocalvos
G. Pascoli, Catullocalvos
quo videor, Licini, tibi casu struma Vatini?
nam minitabundus praeter nos ire parabas.
Effluxitne animo quod heri convenit? Adesdum! (vv. 20-22)
Catullus, carmen 50, 1-6
Hesterno, Licini, die otiosi
multum lusimus in meis tabellis,
ut conuenerat esse delicatos:
scribens uersiculos uterque nostrum
ludebat numero modo hoc modo illoc,
reddens mutua per iocum atque vinum.
Pascoli de dichter
namque fenima non id est, quod ipsa est,
sed quod esse cupis, quod esse reris
tute eam. (vv. 78-80a)
F. Versnovelle: Catullus
R. Carrozzari, Lesbia
• verhalender en dramatischer dan Pascoli’s
lyrische compositie
• Clodia haalt liefdesdrank (voor Catullus) en
vergif (voor haar man) bij tovenares
• Op een feest dient ze Catullus de liefdesdrank
toe; de dichter ontvlamt onmiddellijk, begint
haar als een bezetene te kussen (link c. 5 en 7)
en smeekt haar …
F. Versnovelle: Catullus
R. Carrozzari, Lesbia
R. Carrozzari, Lesbia
“O, mea sis semper, mea sis tu, Lesbia, semper!
Vivamus coniuncti ac semper, Lesbia, amemus” (vv. 254-255),
Catullus, carmen 5
Vivamus, mea Lesbia, atque amemus (v. 1)
F. Versnovelle: Catullus
R. Carrozzari, Lesbia
• vele jaren later: Lesbia heeft met Catullus
gebroken maar wil hem terug
• Furius en Aurelius (link c. 11) nodigen Catullus
uit; zo komt Catullus weer in contact met
Lesbia
• Catullus weert haar af; hij heeft nu een ander:
Aufilena (link c. 110)
• Aangeslagen staat Lesbia op …
F. Versnovelle: Catullus
R. Carrozzari, Lesbia
R. Carrozzari, Lesbia
et “Tu serva es dignus!” ait “Si demis amores,
quid refert? alios insignis forma parabit:
at mihi semper erit memorabile Lesbia nomen;
nec versus mihi iam poteris delere dicatos
nosque futura simul celebrabunt saecula iunctos.”
Sic amor is cecidit, flos ut succisus aratro! (vv. 386-391)
Catullus, c. 11
nec meum respectet, ut ante, amorem,
qui illius culpa cecidit velut prati
ultimi flos, praeter eunte postquam
tactus aratro est.
F. Versnovelle: Catullus
R. Carrozzari, Lesbia
Vgl. Catullus, carmen 11, 21-24
nec meum respectet, ut ante, amorem,
qui illius culpa cecidit velut prati
ultimi flos, praeter eunte postquam
tactus aratro est.
F. Versnovelle: Catullus
•
•
•
•
•
•
A. Zappata, Sirmio (c. 31)
T. Ciresola, Caecilius (c. 35)
O. Pasqualetti, Sirmionis memoria (c. 31)
G. Morabito, Somnium Catulli
T. Ciresola, Frater Catulli (c. 65 - 68 – 101 – 36)
H.C. Schnur, Decessus Poetae
Overzicht
1. Moderne Latijnse poëzie
2. Dichten over dichters
3. Schnur, Decessus Poetae
3. Schnur, Decessus Poetae
• A. Harry C. Schnur
• B. Decessus Poetae
A. Harry C. Schnur
•
•
•
•
•
•
•
1907-1979
Joods; Oostenrijks-Duitse nationaliteit
1947 naar Amerika (New York, Stamford)
1952: Klassieke Filologie
schrijft zelf Latijnse proza en verzen
uitzonderlijke talenknobbel
3 volumes Latijnse poëzie: Nugulae (1957),
Pegasus Tolutarius (1962), Pegasus Claudus
(1977)
A. Harry C. Schnur
• grappige, satirische geschriften; reisverhalen;
bucolische gedichten; elegieën; vertalingen;
Menippeïsche satiren; epigrammen; …
• over zijn prostaatproblemen
Urinator eram iuvenis nandique peritus
iuverunt semper fluminei latices.
Largifluus fuerat iuveni quoque ductus aquai
postrata prostravit glandula deinde senem.
Quam tumidam exsecuisti cultro, docte cherurge,
Iuppiter Urios at fautor amicus erat.
Iam scatit, ante reses, iam prosilit amplior unda
Nurus Anurus erat, nunc Palinurus erit.
B. Decessus Poetae
• in de traditie van de versnovelle
• atypisch voor Schnur
• metrum: atypisch voor de versnovelle
– normaal dactylische hexameter
– Schnur: (zijn geliefkoosde) elegische disticha,
Ovidiaans van inslag
• inhoud: wel typisch voor de versnovelle
– laatste momenten van de dichter
B. Decessus Poetae
Structuur
• Eerste moment
– Inleiding: Catullus gekweld door ziekte, maar ook
hartepijn
– Catullus overdenkt zijn prestaties als poeta novus
• Tweede moment
– De liefde die hij uit zijn hart en gedachten achtte,
speelt terug op
– Het (liefdes)lijden was niet zinloos. Van zijn poëzie is
het vooral zijn liefdespoëzie die hem onsterfelijk zal
maken. Catullus begrijpt nu de zin van zijn lijden
– Epiloog: Catullus sterft
B. Decessus Poetae
Invloeden
• invloeden van Catullus (zijn carmina, kennis over
zijn leven) zelf in dit gedicht
• Leuke (herhalings)oefening voor leerlingen ter
afsluiting van lectuur Catullus
– Lezen gedicht in vertaling (Latijn ernaast) en proberen
de link te leggen met wat ze lazen over/van Catullus
• Ter wille van deze studiedag:
– Grondiger uitgewerkt
– Enkele spaarzame voorbeelden van invloed van
Horatius
vv. 1-4 (vroege dood)
• tussis (v. 2)
– Cat. 44. In dat gedicht is Catullus genezen van een
tussis die hem quassavit usque (v. 14)
• Nog jong ziet hij de dood voor ogen
– Hieron., Chronica, 150 H (Ol. 173, 2) en 154 H (Ol.
180, 3).
– Ovidius, die Catullus, in het gezelschap van Calvus
en Tibullus, in de Elysische velden beschrijft
hedera iuvenalia cinctus / tempora (Am. 3, 9, 6162).
vv. 1-4 (vroege dood > broer)
• richt zich tot zijn broer, die in Troje begraven
ligt. Net als zijn broer sterft ook Catullus nu
een voortijdige dood
– Innige band met broer: Cat. 65, 68 en 101.
– Dat zijn broer bij Troje begraven lag, weten we
eveneens uit het werk van Catullus (Cat. 65, 7; 68,
97-100).
• iam veniam, frater, Troia infelice sepulte (v. 3)
• Cat. 68, 99: Troia infelice sepultum <sc. fratrem>.
vv. 11-15 (wijn, feest)
• De stervende Catullus wil de pijn die hem kwelt lenigen met wijn:
Vina, puer! (...) / Caecuba prome, puer / Euge! doloris atrox ictus
decedit, hebescit (vv. 11; 12-13).
– duidelijke referentie aan Horatius (cf. infra),
– toespeling op Cat. 27,
• het enige drinkliedje uit ’s dichters oeuvre – wellicht geschreven naar
aanleiding van één of ander feestmaal –, waarin Catullus de jongen vraagt de
romers te vullen met sterke wijn. Deze toespeling lijkt des te waarschijnlijker
door de connectie die Schnur hier maakt met dergelijke feestmalen:
• het effect van de wijn doet Catullus denken aan de ‘goddelijke
feestmalen’: iuverunt semper sic Bromii latices. / O convivia
semideum, ... (vv. 14-15).
– Cat. 27
– Cat. 12 en 13
vv. 15-24 (van Verona naar Rome)
• Catullus overdenkt hoe hij, jongen van de buiten,
Verona en het lacus Benacus verliet en naar de
stad kwam.
– Dat Catullus van oorsprong van Verona is
• Hiëronymus (loc. cit.)
• Martialis (14, 195).
• Verona was gelegen in Cisalpijns Gallië (vandaar dat de jonge
Catullus rusticus genoemd wordt in v. 16)
• bij het Gardameer (dat hier door Catullus toegesproken
wordt: o Benace (v. 17) – mischien een knipoog naar Cat. 31,
waarin Sirmio wordt aangesproken?).
– Catullus vestigde zich te Rome
• Cat. 68, 34-35.
vv. 15-24 (van Verona naar Rome)
• Te Rome leerde hij verfijndheid, maar hij voelde zich
niet tot een politiek-militaire of juridische carrière
geroepen en legde zich toe op de poëzie. Bij Schnur is
Catullus nog puer (v. 16) wanneer hij te Rome aankomt
– algemene opvatting dat Catullus al op vrij jonge leeftijd
naar Rome trok
– wellicht aanvankelijk met het oog op een politieke carrière.
– Literatuur werd voor hem echter belangrijker dan politiek,
– en ook is Catullus, voor zover wij weten, niet als redenaar
voor het gerecht opgetreden (zoals bijv. zijn dichtervriend
Calvus wel had gedaan).
• In het eerste twintigtal verzen betreffen de
verwijzingen, zoals gezien, vooral het leven
van Catullus, zoals dat gekend is uit
verschillende bronnen.
• Vanaf v. 23 laat Schnur Catullus reflecteren
over zijn poëzie.
– De dichter refereert dan ook hoofdzakelijk aan de
gedichten van Catullus.
vv. 25-36 (poëtische principes)
• Callimachus en Euphorion als voorbeelden van zijn poëzie (v. 27)
– Callimachus was één van de belangrijkste vertegenwoordigers van
hellenistische poëzie en zo, samen met Euphorion, voorbeeld voor
Catullus
– Callimachus was ook een rechtstreeks voorbeeld voor Catullus:
• 66ste gedicht is een bewerking van een elegie van Callimachus;
• daarnaast zijn er in andere carmina nog losse referenties aanwijsbaar
– Dat Schnur hier ook Euphorion, eveneens een hellenistisch dichter,
noemt, is een verwijzing naar de naam waarmee Cicero (Tusc. 3, 45)
de nieuwe dichters van zijn tijd bedenkt: cantores Euphorionis.
• nova doctrina (v. 28)
– Hellenistische invloeden waren niet nieuw in de Latijnse poëzie
– het ‘nieuwe’ van de poetae novi : inzichten van de hellenistische
dichters systematisch overnemen als een ‘doctrine’
vv. 25-36 (poëtische principes)
• Poëtische principes: gedicht kort, bestudeerd en
geleerd (v. 29-36)
– een zoeken naar nieuwe of vreemde elementen
– voorkeur voor kleinere literatuurvormen (v. 29)
– oog voor detail en afwerking tot in de kleinste puntjes,
zowel in woordkeuze als metriek (v. 30)
– eis tot geleerdheid (v. 36)
– poëzie had ook geen praktisch doel: ze dichtten voor
hun eigen (intellectueel) plezier en dat van hun
collega’s, i.p.v. om het volk te onderrichten (v. 35)
vv. 25-36 (poëtische principes)
• Poëtische principes: gedicht kort, bestudeerd
en geleerd (v. 29-36)
– Catullus’ openingsgedicht: zijn libellus is lepidus,
novus en expolitus
– Ook in bijv. Cat. 95 voorkeur voor geleerdheid,
elegantie en kortheid.
vv. 37-45 (poeta doctus)
• Catullus: een waardig poeta doctus
• omschrijving van enkele zogenoemde
‘geleerde’ gedichten van Catullus,
• verscheidene lexicale referenties.
vv. 37-38 (poeta doctus)
Cat. 66, bewerking van Callimachus’ elegie.
• In dit gedicht beloofde Berenice, de koningin van
Egypte (cf. DP. 37 regis ... uxor), een lok van haar
haar als dankgift aan de goden te wijden indien
haar man veilig zou terugkeren van een militaire
expeditie (cf. DP. 37-8 quam voverat ...
caesariem).
• Bij diens terugkeer sneed zij inderdaad een lok
van haar haar: sectam (...) / a Bereniceo vertice
caesariem (DP. 37-38).
– lexicale allusie op Cat. 66, 8 e Beroniceo vertice
caesariem
vv. 39-40 (poeta doctus)
Cat. 64. epyllion
• kaderverhaal: het huwelijk van Peleus en Thetis,
– Schnur: Thetidis patri non despectos hymenaeos (v. 39).
– Vgl. Cat. 64, 20-21 tum Thetis humanos non despexit hymenaeos / tum
Thetidi pater ipse iugandum Pelea sensit.
• binnenverhaal: Theseus en Ariadne. Theseus nam Ariadne met zich
mee naar Athene, maar liet haar onderweg achter op het strand
van Naxos.
– Theseosque dolos (v. 40).
• Cat. 64 beschrijft ook uitvoerig de klacht die Ariadne onder tranen
uitsprak tot de wegvarende Theseus.
– virginis et lacrimas (v. 40).
• Met pater (v. 39) wordt hier Zeus bedoeld. Volgens (een versie van)
de mythe zou Zeus zelf Thetis bemind hebben, maar moest hij haar
opgeven omwille van een orakel dat voorspeld had dat Thetis’ zoon
groter zou zijn dan zijn vader.
vv. 41-42 (poeta doctus)
Cat. 63: Attisgedicht
• Attis, in een staat van religieuze waanzin, castreert
zichzelf om een volgeling van Cybele te worden.
– semivir (v. 41)
– Attida ... truncum (v. 93).
• De behandeling van deze stof door Catullus wordt als
uniek beschouwd.
– Quis fuit ... qui ... ausus sit prior (vv. 41-42).
• uitzonderlijke metrum van Cat. 63
– quo pede concinui (v. 42)
– galliambe: een zeldzaam en gecompliceerd metrum,
waarvan, op enkele andere fragmenten na, dit gedicht de
enige antieke getuigenis is.
vv. 43-44 (poeta doctus)
• Catullus poneert dat hij als eerste het Eolische lied naar
Rome bracht.
– duidelijke referentie aan Horatius (Hor. Carm. 3.30)
• Inderdaad dichtte Catullus in verschillende Eolische maten,
en dit (voor zover wij weten) als eerste Romeinse dichter:
–
–
–
–
voornamelijk hendecasyllabe (de meeste polymetra (Cat. 1-60))
maar ook glyconeën en pherecraten (Cat. 17; 34 en 61)
grote asclepiaden (Cat. 30)
saffische strofen (Cat. 11 en 51)
• In v. 45 komen de beginwoorden van één van de gedichten
in saffische strofen Catullus voor de geest:
– Ille deo par esse mihi (v. 45)
– Ille mi par esse deo videtur (Cat. 51, 1)
vv. 47-84 (liefde; Clodia-Lesbia)
• In de eerste 45 verzen overdacht Catullus zijn
leven en zijn dichtwerk; zijn laatste gedachten
zijn bij zijn liefdespoëzie
• In vers 46 valt Catullus in zwijm
• In vers 47 komt hij terug bij; de liefde woekert
weer in zijn hart
• verwijzingen, niet erg verbazend, vooral naar
de liefdesgedichten m.b.t. Lesbia.
vv. 49-56 (ziekelijke liefde)
• begin van die passage: liefde als een kanker,
als een ziekte
– pestiferos tumores (v. 49), aeger amor (v. 52),
rabies (v. 54), male sanus amor (v. 54)
– Cat. 76: pestem perniciemque (20) en taetrum
morbum (25).
v. 57 (Lesbia = Clodia)
• identificatie van Lesbia met Clodia (v. 57).
– Algemeen aanvaard: Lesbia = Clodia, vrouw van Q.
Caecilius Metellus Celer, die in 62-61 v. C. gouverneur
van Gallia Cisalpina was.
– In zijn gedichten noemt Catullus haar nooit bij haar
ware naam, vandaar het “ziehier, nu noem ik haar wél
bij haar naam”: en, nomen loquor (57)
• nog sterker in de verf gezet door de metrische
eigenaardigheden (hiaat voor de interjectie; diaerese na de
eerste en de derde voet).
– Voor de identificatie van Lesbia met Clodia baseert
men zich op Apuleius (Apol. 10).
v. 58 (Clodia)
• Deze Clodia, was noch divae parilis (58), noch scelerata
(58).
• divae parilis
– Cat. 51, waarin de man die tegenover Lesbia zit Catullus een god
gelijk lijkt te zijn, ja, zelfs de goden te overtreffen. Daarmee
roept Catullus de suggestie op dat Lesbia zelf (als) een godin is.
• scelerata
– Cat. 8, 15. Lesbia is scelesta (wat in het elegisch distichon
metrisch onmogelijk is; vandaar wellicht dat wij hier scelerata
vinden) omdat zij, nu zij Catulllus in de steek gelaten heeft, zelf
zal lijden wanneer zij door niemand meer gevraagd wordt.
• In Decessus poetae relativeert Catullus m.a.w. zijn eigen
extreme uitspraken over deze Clodia.
vv. 59-60 (ontrouw Clodia)
• ontrouw van Clodia aan nietsvermoedende man.
– 83ste gedicht.
– Schnur neemt halfsvers over: mule, nihil sentis? (Cat.
83, 3 - DP. 60).
• Schnur noemt hier ook de naam van Lesbia’s
man: Caecilius (v. 61; over deze identificatie, cf.
supra). Deze naam wordt evenmin genoemd in de
Catulli carmina. Catullus is hier dus ware
onthullingen aan het doen!
vv. 63-66 (ontrouw Clodia)
• Clodia was ook ontrouw aan Catullus, die van haar haar exclusieve
liefde verlangde – ondanks zijn besef dat zij met hem alleen niet
tevreden was.
– Cat. 72, 1-2: Dicebas quondam solum te nosse Catullum / Lesbia, nec
praeter me velle tenere Iovem
– DP. 63 Illam non voluisti aliquem te praeter amare?
• In datzelfde Cat. 72 merken wij ook reeds Catullus’ pijnlijke besef
van haar ontrouw
– nunc te cognovi (72, 5)
– Dit besef verwoordde Catullus ook in verschillende andere gedichten,
o.a. 37, 39, 68 en 70.
– Schnur (v. 65-66): Illam contentam solo non esse Catulllo / noveram …
– … herinnert concreet aan Cat. 68, 135 uno non est contenta Catullo.
vv. 67-68 (ontrouw Catullus)
• Catullus relativeert die ontrouw van Lesbia.
Wat hij verwijt aan Lesbia, daar is hij zelf ook
schuldig aan:
– unius haudquaquam lusor amoris eram (68).
• liefdesgedichtjes die aan anderen dan Lesbia
geadresseerd zijn
– de gedichtjes aan Iuventius (c. 24, 48, 81, 99)
– en het verzoek aan Ipsitilla (c. 32)).
– Aufilena (c. 110) (?)
vv. 81-84 (soles – lux)
• De zonnen der liefde zijn ondergegaan, het liefdeslicht is gedoofd.
Net zo dooft nu ook het levenslicht uit.
• Cat. 8
–
–
–
–
–
Schnur v. 81-82, A qui candentes quondam fulsere Catullo / soles
derde vers van Cat. 8: fulsere quondam candidi tibi soles.
Lichtmetaforen i.v.m. liefde
helderwit schijnende zonnen: het hoogtepunt van de liefde.
zonnen schijnen niet meer: de liefde heeft een dieptepunt bereikt.
• Cat. 5
– verwijzing naar Cat. 5 via brevi luci (v. 83): connectie met de dood
– In Cat. 5: lichtmetaforen gebruikt m.b.t. het leven en de dood,
• Schnur laat Catullus via de lichtmetaforen uit zijn gedichten dus een
gedachtenassociatie maken van de liefde naar de dood: zoals het
liefdeslicht gedoofd is, zo dooft nu ook het levenslicht.
vv. 85-90 (lijden > poëzie)
•
•
•
•
Al het lijden was niet vergeefs
Hij heeft het weten om te zetten in verzen
Hij zal erdoor eeuwig voortleven
Deze gedachte leidt hem tot …
vv. 91-112
• tweede reflectie van Catullus over zijn poëzie
• verschillende aspecten van die poëzie worden
overlopen.
• Deze verzen zijn dan ook voortdurend
verbonden met de Catulli carmina.
v. 91 (invectieven)
• v. 91: iambos: Catullus’ invectieve poëzie.
• Catullus schreef inderdaad jambische gedichten
– noemt ze meermaals uitdrukkelijk iambi (Cat. 36, 5; 40, 2; 54, 6).
– Hij verleent deze gedichten de traditionele opgave van de jambe, nl.
de tegenstander aanvallen, bespotten en kwetsen.
• Een deel van de in hendecasyllaben gestelde gedichten heeft echter
eveneens een uitgesproken jambisch karakter, en
– Catullus: iambi = “invectief vers”
– Schnur: lijkt eerder op het geheel van Catullus’ invectieve poëzie te
doelen dan enkel op diens invectieve jamben.
• deze invectieve poëzie gaat bij Catullus steeds gepaard met volkse
en soms zelfs obscene taal, waaraan Schnur hier refereert met
gregis sordida verba (92)
vv. 93-96 (invectieven)
•
Invectieve poëzie ter afwisseling t.o.v. de hoogdravende Attida truncum en
Berenicen (Cat. 63 en Cat. 66)
Catullus wil niet voortdurend verheven poëzie schrijven.
•
Schopt hiermee tegen conservatieve schenen.
•
– Hij houdt er immers ook van om sermone lacessere cives (v. 95).
– Deze sermo slaat, met een verwijzing naar Hor. Sat. 1, 4, 40-42, op de taal die Catullus in vele
van zijn gedichten, maar vooral in zijn satirische en invectieve poëzie, hanteert:
– En dan gebruikt hij, zoals Schnur reeds aangaf, niet zelden ook gregis sordida verba (v. 92),
zoals bijv. in Cat. 16.
– v. 96: morosi quotiens obstipuere senes.
– Catullus schept er zichtbaar genoegen in de traditionele codes te verwerpen en de
traditionalisten voor het hoofd te stoten.
– Schnur plakt er in voetnoot 6 bij de tekst de term ‘burgerij’, le bourgeois op (cf. infra)
– Cat. 5, 2-3 rumoresque senum severiorum / omnes unius aestimemus assis.
– vgl. morosi ... senes (v. 96)
– Bij Schnur zegt Catullus het zelfs nog duidelijker: ik heb het graag gedaan! Iuvit (...) austeros
sermone lacessere cives (v. 95).
vv. 97-98 (invectieven)
• verschillende gedichten waarin vertrouwelingen van Caesar, vooral
ene Mamurra uit Formiae, aangevallen en beschimpt worden. Aldus
in Cat. 29, 52, 57, 94, 98, 105 en 114.
– Caesaris in scurras inque ipsum dicere dicta (v. 97)
• Ook Caesar zelf moet het ontgelden (inque ipsum) in Cat. 57 en 93.
• ook vele anderen (o.a. de gedichten tegen Gellius (Cat. 74, 80, 88
e.a.)) het kind van de rekening, voornamelijk edele lieden.
– fatuos proceres laedere non timui (v. 98).
– fatuus: Cat. 83 en 98, twee dergelijke schimpdichten waarin
respectievelijk de man van Lesbia en ene Vectius gehekeld worden.
vv. 99-100 (beoordeling)
• Volgens hem zullen deze ‘grappen’ wel niet lang blijven voortleven.
– Deze ioca (v. 99) ziet hij geen eeuwig leven beschoren: laude perenni / vix
victura reor nec fore perpetua (v. 99-100).
• Cat. 1.
– nugas (Cat. 1, 4)
– plus uno maneat perenne saeclo (Cat. 1, 10).
• Toch zelfbewuste houding in Catullus’ openingsgedicht. Vinden wij terug
bij Schnur.
– Cat. 1: geen nood aan een traditionele oproep aan de goden om hem
inspiratie te geven voor zijn gedichten.
• Hij vermeldt slechts terloops een patrona virgo, die niet eens bij naam genoemd wordt.
Wij zien hier een Catullus die zelf goed genoeg weet wat zijn poëzie waard is.
– Schnur: Catullus heeft genoeg aan zichzelf om te oordelen hoe zijn poëzie zal
voortleven:
• ego reor (vv. 99-100). Catullus is zijn eigen criticus en weet ook hier goed wat zijn poëzie
waard is.
vv. 101-102 (geleerde poëzie)
• Pelei Thetidisque hymenaei (v. 101)
– Cat. 64, het epyllion over het huwelijk van Peleus en
Thetis.
• v. 102: inventorque Conon
– Cat. 66 (cf. supra).
– Conon was de astronoom aan het hof van Ptolemaus III die
beweerde dat Berenice’s haarlok veranderd was in een
sterrebeeld.
• v. 102 Cybeles famulo
– allusie op Cat. 63, 68 Cybeles famula (= Attis).
• Betreffende deze gedichten is Catullus al iets minder
bescheiden: Forsitan arte placent (v. 101).
vv. 103-114 (gevoelspoëzie)
• zijn gevoelspoëzie zal de eeuwen trotseren.
• omdat die de neerslag is van echte ervaringen
van de dichter
– signavi proprio sanguine namque modos (v. 104).
• Catullus overloopt de verschillende
onderwerpen van deze gevoelige poëzie.
– Broer (vv. 105-106)
– Sirmio (vv. 107-108)
– Liefde (vv. 109-114)
vv. 105-106 (Catullus’ broer)
• verschillende gedichten waarin Catullus’ innige
band met zijn vroeggestorven broer uitgedrukt
wordt:
– Cat. 65, 68 en 101.
– Deze gedichten zijn alle in elegische disticha gesteld
– Elegeia gemebat (v. 105).
• Ademptum / germanum (vv. 105-106)
– Cat. 68, 20; 68, 92 en 101, 6 waarin wij telkens
Catullus zijn broer met frater adempte horen
aanspreken.
vv. 107-108 (Sirmio)
• Cat. 31
– hartelijke begroeting van Sirmio, een landstrook aan het
Gardameer
• celebrata es (v. 107): manier waarop Catullus zich in dat
gedicht tot Sirmio richt, nl. in een heuse lofzang
• Non calamistrato ... versu (v. 107): weinig verheven
karakter van de poëzie (satire, invectieven) waarmee het
metrum waarin dit gedicht gesteld is, de choliambe,
doorgaans geassocieerd wordt.
– Catullus wendt het metrum hier aan voor nieuwe doeleinden,
nl. voor een in wezen ernstig en oprecht stukje lyrische poëzie.
– Vergelijkbare toepassing van dit metrum bij Catullus: carmen 8
vv. 109-114 (liefde)
• Zijn liefdesgedichten ziet Catullus een eeuwig
leven toegemeten.
• gedichten aan Lesbia
– Cat. 5
– vivamus, mea Lesbia (Cat. 5, 1 – DP. 111)
– Cat. 85
– Odi et amo (Cat. 51, 1 – DP. 113)
vv. 121-126
(in de aanschijn des doods)
• Catullus die de dood nu in de ogen kijkt, verwerpt
het traditionele beeld van de dood als een
eeuwige rust, een eeuwige slaap, dat hij zelf in
zijn vijfde carmen had opgepikt …
– Cat. 5, 6 nox est perpetua una dormienda
• … en waar hij weinige verzen terug nog op
zinspeelde
– v. 84 tenebrae somniferae
• Het lijkt hem nu allerminst een aeterna quies, het
is slechts tabes, immunda putredo (v. 123)
vv. 121-126
(in de aanschijn des doods)
• Verwerpt Catullus zijn opvatting over de dood van Cat. 5, de oproep
tot duizend kussen uit datzelfde gedicht blijft wel van tel.
– Cat. 5, 7 da mi basia mille
– basia mille / da mihi (DP. 125-126).
• In de duisternis die Catullus omvat (Omnia iam tenebris nigrescunt,
DP. 125), blijft Lesbia immers nog als zijn laatste licht
– mea lux, DP. 126;
– overgenomen van Cat. 68, vv. 132 en 160
• Tot haar richt hij, met de woorden waarmee hij ooit zijn gestorven
broer vaarwel zei (Cat. 101, 10), zijn allerlaatste groet: Ave atque
vale. Zo sterft Catullus onder het prevelen van zijn meest
onsterfelijke woorden… en zijn onsterfelijke geliefde Lesbia…
Kort: andere invloeden
• Staan we hier niet uitgebreid bij stil
• Heel wat klassieke invloeden (Horatius,
Vergilius, Ovidius, …)
• Ook moderne invloeden (zie voetnoten)
• Slechts enkele impressies
• Advolat umbriferis iam Mors mihi livida pinnis
(DP. 1)
• Heel klassiek beeld
• Horatius: Hor. Sat. 2, 1, 58 Mors atris
circumvolat alis.
• Vergilius: Verg. Aen. 6, 866 en 2, 360 nox atra
... circumvolat umbra.
• Caecuba prome, puer! (DP. 12))
• Caecubische wijn: meermaals bij Horatius, o.a.
– Hor. Carm. 3, 28, 2-3 prome (...) / Caecubum.
– Carm. 1, 37, 5 depromere Caecubum.
–…
• Brevis esse labora (v. 29).
– Horatius’ Ars poetica: esto brevis (v. 335).
– Ars, v. 25: brevis esse laboro.
• vv. 43-44. Primus et Aeolio meditabar carmina plectro /
Romanus.
• “Princeps Aeolium carmen etc. Hor. Od. 3, 30 (qui cum
princeps esset, primus tamen non fuit)”.
– vollediger: dicar (...) / princeps Aeolium carmen ad Italos /
deduxisse modos (vv. 10 en 13-14))
• Horatius wel de voornaamste dichter wat betreft het
‘overbrengen van het Eolisch lied naar de Italische
maten’, maar niet de eerste om dit te doen. Dit
voorrecht komt immers Catullus toe
– vgl. het nadrukkelijk opeisen van die eer door Catullus in v.
44, manet haec gloria tuta mihi; een soort poëtische
vindicatie op Horatius
• DP 7-8:
quaeque, Catulle,
extincti iuvenis fama superstes erit?
• Ov. Trist. 3, 7, 50-52
me tamen exstincto fama superstes erit,
dumque suis victrix omnem de montibus orbem
prospiciet domitum Martia Roma, legar.
• DP. 112
et meliore mei parte superstes ero
• Ov. Am. 1, 15, 41
vivam, parsque mei multa superstes erit
• DP vv. 110-112:
ore canar iuvenum
Illud vivamus, mea Lesbia vivet in aevum
et meliore mei parte superstes ero.
• slot van de Metamorphoses (15, 875-879):
parte tamen meliore mei super alta perennis
astra ferar, nomenque erit indelebile nostrum,
quaque patet domitis Romana potentia terris,
ore legar populi, perque omnia saecula fama,
si quid habent veri vatum praesagia, vivam.
Slot
• Extra info? Ppt? Cursus?
[email protected]