Dieterich Buxtehude: Membra Jesu Nostri in combinatie

J.P. Sweelinck: De Profundis, Kleinkoor Cantabile o.l.v. Ad van Unen
Dieterich Buxtehude: Membra Jesu Nostri
in combinatie met Burkhard Kinzler: Sechs Intermedien zu Dieterich Buxtehudes Membra Jesu Nostri
Gemengd Koor Cantabile o.l.v. Ad van Unen met begeleiding van Strijkorkest o.l.v. Jurriaan Klapwijk en
van kistorgel: Renske Ligtmans.
Solisten: Marjolein Dekker-Kolkert, sopraan 1
Elise van Es, sopraan 2
Lester Lardenoye, alt
Joost van Velzen, tenor
Noël Casteleyn, bas
MEMBRA JESU NOSTRI van Dieterich Buxtehude uit 1680 bestaat uit zeven kleine cantates. Muziek en teksten focussen bij
het aanschouwen van de gekruisigde heiland achtereenvolgens op de voeten, knieën, handen, zijde, borst, hart en gezicht.
Buxtehudes vocale stijl is beïnvloed door de expressieve kracht van de Venetiaanse muziek. Deze kenmerkt zich door
treffende dissonanten en pakkende tekstverwerking.
In 2010 componeerde Burkhard Kinzler korte instrumentele verbindende stukken, die de meditatieve aandacht bij de
toehoorder verder versterken. Al in de laatste maten van een cantate klinkt het Intermedium naar de volgende cantate.
Membra Jesu Nostri wordt ingeleid door De profundis van Jan Pieterszoon Sweelinck.
Korte introductie van de teksten van door koor en solisten te zingen stukken in Buxtehude’s Membra Jesu nostri
In dit stuk combineert Buxtehude in iedere cantate een bijbelcitaat met een aansluitende middeleeuwse meditatie.
Inspiratie voor iedere cantate biedt een bijbelcitaat uit het oude testament met uitzondering van de vijfde cantate gericht
op de borst, waar het nieuwe testament de bron is. Het bijbelcitaat is te beschouwen als een soort motto, dat de bedoeling
van de cantate aangeeft (Dirksen 2006). Ze worden doorgaans door het koor (en soms door een solist) zowel aan het begin
als aan het einde van een cantate gezongen. De citaten komen uit de oud-testamentische wijsheid boeken van profeten,
het hooglied en een psalm en uit de eerste brief van Petrus uit het nieuwe testament. Centrale thema’s zijn de
aankondiging van de redding van Israël en de wenselijk geestelijke vernieuwing van zijn volk en bij Petrus van de christenen.
De meditaties in de Membra Jesu nostri zijn ontleend aan het gedicht ‘Salve mundi salutare’ van Arnold von Löwen. De titel
is te vertalen als ‘Gegroet, Heiland/Redder van de wereld’. Dit gedicht is gebaseerd op een middeleeuwse cyclus van zeven
passiehymnen. Deze waren in vroeg piëtistische katholieke en protestantse kringen in Duitsland in de 17e eeuw populair.
Deze vernieuwingsbewegingen legden de nadruk op het zelf beleven van de bijbelse heilsboodschap en die in het gedrag
van alledag tot uiting brengen en verantwoorden (Dirksen, 2006). Er is zorgvuldige aandacht voor het leven van de ziel in al
haar hoogten en diepten in de relatie met God. Iedere meditatie bestaat uit drie aria’s, die ieder een strofe bevatten uit een
van de zeven hymnen. Doorgaans zingen solisten de aria’s (soms het koor).
Het contrast tussen bijbelcitaat en meditatie is typisch voor de barok. Denk maar aan de Matthäus van Bach. Daarin vertelt
de evangelist het bijbelverhaal en het koor vereenzelvigt zich nu eens met de om veroordeling vragende schriftgeleerden
en dan weer met het schreeuwende om kruisiging vragende volk. En in de koralen bijv. in ‘O Haupt voll Blut und Wunden’ –
te vergelijken met de aria in cantate 7 – is er die typische gelovige betrokkenheid die de zang van het koor kleurt. Dan
vereenzelvigt het koor zich met de kerkelijke gemeente. Zie voor verdere verduidelijking de laatste pagina.
Literatuur Dirksen, P., toelichting bij CD van de uitvoering Ned. Bach Ver. Channel Classics 2006; Pot, H., vertaling van ‘Membra Jesu nostri’
van D. Buxtehude, Capella Gabrieli 2009; Wal, A. van der, Recensie Buxtehudes Membra Jesu nostri, www.opusmuziek.nl maart 2007
In onderstaand overzicht staat per cantate het betreffende bijbelcitaat en de tekst van de meditatie in de aria’s. In de
linkerkolom staat het bijbelcitaat ingebed in de tekst vlak voor en na het citaat. Zodat duidelijk is in welke context dit staat.
Alleen de vetgedrukte cursieve latijnse tekst wordt gezongen meestal door het koor. De meditatie wordt steeds in drie aria’s
meestal door solisten ten gehore gebracht. Deze staan in het volgende overzicht van de cantates in de midden kolom in het
latijn en in de rechter kolom in NL. De nummering is die van de Carus partituur. Bij ieder stuk staat wie het uitvoert.
Bijbelcitaten en orkestmuziek in
Membra Jesu Nostri (nummering: Carus)
N.B. Cursief vetgedrukt het te zingen citaat.
Meditaties in Membra Jesu
Nostri (nummering: Carus)
Vertaling meditaties in Membra Jesu Nostri
B. Kinzler: Intermedium cantate nr. .. > (volgende) cantate nr. .. , instrument van musicus/musici
N.B. Deze meditaties verbinden twee opeenvolgende cantates om de meditatieve spanningsboog van het geheel te versterken.
I Ad pedes (Tot de voeten)
1 Sonata, strijkorkest
2 Ecce super montes, koor
3 Aria’s (Arnulf von Löwen)
3 Aria (vertaling A.Pot)
Thema van de profetie van Nahum is
bemoediging van Gods volk, dat spoedig
de val van zijn vijand zou zien en kan
rekenen op de redding door God.
(Nahum 2.1)
Hoofdstuk 1 schetst Gods wraak
tegen Ninive en 2 komst van bode.
Nah. 2.1 Zie, over de bergen komen
de voeten van de vreugdebode en
verkondiger van de vrede.
Ecce, super montes pedes evangelizantis et annunciantis pacem.
Vervolg Nah. 2.1. Juda, dank de Heer,
Vier je tempelfeesten, Kom je
beloften na aan je God, Belial zal niet
meer tegen u woeden, hij ligt
vernield! Waarachtig, Jahweh zal de
wijngaard van Jacob herstellen, als
Gods glorie ….
3a Sopraan 1
Salve mundi salutare,
salve Jesu care!
Cruci tuae me aptare
vellem vere, tu scis quare.
Da mihi tui copiam.
3a
Gegroet redder van de wereld,
gegroet, lieve Jezus!
Kon ik mij maar bij u voegen aan het kruis,
waarlijk, dat is wat ik wil, U weet waarom.
Geef mij van Uw overvloed.
3b Sopraan II
Clavos pedum, plagas duras,
et tam graves impressuras
circumplector cum affectu,
tuo pavens in aspectu,
tuorum memor vulnerum.
3b
De nagels in Uw voeten, de harde slagen
en de diepe striemen,
ik omarm ze vol overgave,
bevend voor Uw aanblik,
als ik aan Uw wonden denk.
3c Bas
Dulcis Jesu, pie Deus,
Ad te clamo, licet reus,
praebe mihi te benignum,
ne repellas me indignum
de tuis sanctis pedibus.
3c
Zoete Jezus, genadige God,
ik roep U aan. Ook al ben ik schuldig,
betoon U mild tegenover mij,
stuur mij, onwaardige, niet weg
van Uw heilige voeten.
4 Ecce super montes, koor (herhaling 2)
5 Salve mundi salutare, aanhef
tenor, koor (herhaling 3a)
B. Kinzler: Intermedium cantate I > cantate II, contrabas
II Ad Genua (Tot de knieën)
6 Sonata in tremulo, strijkorkest
7 Ad ubera portabimini, koor
Thema van de profeet Jesaja is de
verheerlijking van het vergeestelijkt
Jeruzalem (Jesaja 66, 12).
Jes. 66.12 Want de heer zegt: ‘zoals
men water naar een stad leidt, het
water van een volle beek, zo leid ik
naar Jeruzalem de vrede, naar Sion de
rijkdom van de volken: je hoeft maar
te drinken’
Vervolg 66. 12 ‘Je zult aan de borsten
gedragen worden en op de
knieën/schoot (van Jeruzalem)
geliefkoosd/vertroeteld worden’
Ad ubera portabimini, et super
genua blandientur vobis.
66.13 Zoals men door zijn moeder
getroost wordt, zal Ik u troosten, en
gij zult in Jeruzalem verkwikt worden.
8 Aria’s
8a Tenor
Salve Jesu, rex sanctorum,
spes votiva peccatorum,
crucis ligno tanquam reus,
pendens homo, verus deus,
caducis nutans genibus.
8a
Gegroet Jezus, koning van de heiligen,
de hoop die beloofd is aan de zondaars,
hangend aan het kruishout als een
schuldige, tegelijk mens en ware God,
wankelend op uw bezwijkende knieën.
8b Alt
Quid sum tibi responsurus,
actu vilis corde durus?
Quid rependam amatori,
qui elegit pro me mori,
ne dupla morte morerer.
8b
Wat zal ik U antwoorden,
ik, die laaghartig en hardvochtig ben?
Hoe zou ik degene die mij liefheeft
vergoeden,
die verkozen heeft voor mij te sterven
opdat ik geen dubbele dood* zou sterven?
8c Sopraan 1 en 2 en bas
Ut te quaeram mente pura,
sit haec mea prima cura,
non est labor nec gravabor,
sed sanabor et mundabor,
cum te complexus fuero.
8c
Dat ik U zoek, met een reine geest,
laat dat mijn eerste zorg zijn.
Dat kost mij moeite noch pijn,
maar het zal mij genezen en reinigen
als ik U zal omhelzen.
9 Ad ubera (herhaling 7), koor
*Zie toelichting op laatste pagina
B. Kinzler: Intermedium cantate II > cantate III, cello
III Ad Manus (Tot de handen)
10 Sonata, strijkorkest
11. Quid sont plagae istae, koor
Deze profeet vertelt geen leugens i.t.t.
de vele valse profeten die o.a. hun
handen verminken. (Zacharias 13,6)
13,4 Op die dag zullen alle profeten
zich schamen over hun visioenen, die
ze schouwen, en zich met de haren
mantel durven bekleden, om leugens
te spreken. 13,5 neen, hij zal zeggen:
Ik ben geen profeet, ik ben maar een
boer; ik heb een akker gehad van
kindsbeen af. 13,6 En als men hem
vraagt:
Vervolg 13,6 Waar komen dan de
wonden in uw handen vandaan? *
Quid sunt plagae istae
in medio manuum tuarum? *
Vervolg 13.6 Dan zal hij zeggen: Die
zijn mij in het huis van mijn vrienden*
geslagen.
Bij * zie voor een nadere toelichting en
mogelijke interpretatie de laatste pagina.
12 Aria’s
12a Sopraan 1
Salve Jesu, pastor bone,
fatigatus in agone,
qui per lignum es distractus
et ad lignum es compactus
expansis sanctis manibus
12a
Gegroet Jezus, goede herder,
uitgeput door de doodstrijd,
op het kruishout uitgerekt
op het kruishout vastgenageld
aan Uw uitgestrekte heilige handen.
12b Sopraan 2
Manus sanctae, vos amplector,
et gemendo condelector,
grates ago plagis tantis,
clavis duris, guttis sanctis
dans lacrymas cum osculis.
12b
Heilige handen, ik grijp jullie
en al zuchtend verheug ik mij toch over
jullie.
Ik dank de vele slagen,
de harde spijkers, de heilige bloeddruppels,
in tranen kus ik ze.
12c Alt, tenor en bas
In cruore tuo lotum
me commendo tibi totum,
tuae sanctae manus istae
me defendant, Jesu Christe,
extremis in periculis.
12c
In Uw bloed gewassen,
geef ik mij helemaal aan U over.
Moge Uw heilige handen
mij beschermen, Jezus Christus,
in doodsnood.
13 Quid sont plagae (herhaling 11), koor
B. Kinzler: Intermedium cantate III > cantate IV, theorbe
IV Ad latus (Tot de zijde)
14 Sonata, strijkorkest
15 Surge amica mea, aanhef alt, koor
In deze ‘schoonheidszang’ vertolkt God
Zijn beleving van ‘mijn vriendin’. Die is
gericht op het totaalbeeld van de
geliefde: mooi, dynamisch en verrukkelijk.
(Hooglied 2, 13 – 14)
2,13 De vijgeboom kruidt zijn
vijgeknoppen en de wijnranken zijn
een en al bloesem, zij geven geur;
2, 13-14 Sta op, jij, mijn vriendin,
mijn mooie en ga er op uit. Mijn duif
in de spelonken van de rots,
in de schuilplaats van de bergflank;
Surge, amica mea, speciosa mea, et
veni, columba mea inforaminibus
petrae, in caverna maceriae.
Vervolg 2,4: laat mij je gestalte zien, laat
mij je stem horen; want je stem is zoet en
je gestalte bevallig
16 Aria’s
16a Sopraan 1
Salve latus salvatoris,
in quo latet mel dulcoris,
in quo patet vis amoris,
ex quo scatet fons cruoris,
qui corda lavat sordid.
16a
Gegroet, zijde van de redder,
waarin de zoete honing verborgen ligt,
waarin de kracht van de liefde zich openbaart,
waaruit de bron van bloed opwelt,
die het bezoedelde hart zuivert van zonde.
16b Alt, tenor en bas
Ecce tibi appropinquo,
parce, Jesu, si delinquo,
verecunda quidem fronte,
ad te tamen veni sponte
scrutari tua vulnera.
16b
Kijk, ik kom naar U toe,
ontzie me als ik tekort schiet.
Met beschroomd gelaat
ben ik toch naar U gekomen, uit vrije wil,
om Uw wonden te onderzoeken.
16c sopraan 2
Hora mortis meus flatus
intret, Jesu, tuum latus,
hinc expirans in te vadat,
ne hunc leo trux invadat,
sed apud te permaneat.
16c
Moge, in het uur van de dood, mijn laatste
adem in Uw zijde binnendringen, o Jezus;
van hier scheidend, moge ze bij U binnen gaan,
opdat de woeste leeuw haar niet zal
bespringen, maar mijn ziel voor altijd bij U
geborgen is.
17 Surge amica mea (herhaling 15),
aanhef alt, koor
B. Kinzler: Intermedium cantate IV > cantate V, viool 1 en 2
V Ad pectus (Tot de borst)
18 Sonata, strijkorkest
19 Sicut modo geniti infantes, alt, tenor
en bas.
Thema van het tot je nemen van het
evangelie over de opstanding van Jezus
Christus, die ons herboren laat worden
in de hemel (1 Petrus 2, 2- 3).
2.1 Weg dus met elke vorm van
slechtheid en bedrog, huichelarij,
afgunst en laster
2, 2-3 Verlang als pasgeboren
zuigelingen naar de smetteloze
melk van het evangelie, opdat u
daardoor groeit en uw redding
bereikt. U hebt toch ondervonden
hoe goed de Heer is. Sicut modo
geniti infantes rationabiles, et sine
dolo concupiscite, ut in eo crescatis
in salutem. Si tamen gustastis,
quoniam dulcis est Dominus.
Daarna schetst Petrus de wenselijk
geestelijke ontwikkeling van de
christenen.
20 Aria’s
20a Alt
Salve, salus mea, deus,
Jesu dulcis, amor meus,
salve, pectus reverendum,
cum tremore contingendum,
amoris domicilium
20a
Gegroet, mijn heil, God,
zoete Jezus, mijn geliefde
gegroet, eerwaardige borst
die alleen met ontzag mag worden
aangeraakt, de woonplaats van de liefde.
20b Tenor
Pectus mihi confer mundum,
ardens, pium, gemebundum ,
voluntatem abnegatam,
tibi semper conformatam,
juncta virtutum copia
20b
Geef mij een zuivere inborst,
vurig, vroom, en nederig.
Maak dat ik mijn eigen wil negeer
en mij altijd voeg naar Uw wil,
met een overvloed aan deugden.
20c Bas
Ave, verum templum dei,
precor miserere mei,
tu totius arca boni,
fac electis me apponi,
vas dives deus omnium.
20c
Gegroet, ware tempel van God,
ik smeek u, ontferm u over mij,
Gij bewaarplaats van alle goeds,
maak dat ik tot de uitverkorenen behoor,
kostbaar vat, God van het universum.
21 Sicut modo geniti infantes (herhaling
19), alt, tenor en bas
B. Kinzler: Intermedium cantate V > cantate VI, cello
VI Ad Cor (Tot het hart)
22 Sonata, strijkorkest
23 Vulnerasti cor meum, Sopraan 1 en 2
en bas
Deze passage, Hooglied 4.9 behoort tot
de ‘Bruidszang’. Vers 4.8 schetst een
nieuw landschap dat het vorige overtreft
in hoogte en majesteit. In 4.8 nodigt God
zijn bruid uit af te dalen naar hem, want
zij heeft zijn hart gestolen.
4.8 Kom bij mij van de Libanon, bruid,
Daal af van de top van de Amanah,
van de top van de Senir, de Hermon
…
4.9 Je hebt mijn hart
verwond/geraakt/gestolen mijn
zuster bruid Vulnerasti cor meum,
soror mea, sponsa
Vervolg 4.9 Met één blik van je ogen,
met één hanger van één van je
halssnoeren. In de versen 4.10 – 11
bezingt hij haar schoonheid,
zachtheid en zoetheid.
24 Aria’s
24a Sopraan 1
Summi regis cor, aveto,
te saluto corde laeto,
te complecti me delectat
et hoc meum cor affectat,
ut ad te loquar, animes
24a
Hart van de hoogste koning, gegroet,
ik groet U, blij van hart,
het verheugt me U te mogen omhelzen!
Mijn hart verlangt ernaar
dat U mij opwekt tot U te spreken.
24b Sopraan 2
Per medullam cordis mei,
peccatoris atque rei,
tuus amor transferatur,
quo cor tuum rapiatur
languens amoris vulnere
24b
Laat tot in het diepste van mijn hart,
het hart van een zondaar,
Uw liefde binnendringen.
Om mij wordt Uw hart verscheurd,
kwijnend door de wonde van de liefde.
24c Bas
Viva cordis voce clamo,
dulce cor, te namque amo,
ad cor meum inclinare,
ut se possit applicare
devoto tibi pectore
24c
Met de levendige stem van mijn hart roep
ik u, zoet hart, want ik bemin U.
Buig U naar mijn hart toe
opdat het kan leunen,
vol toewijding, op dat van U.
25 Vulnerasti cor meum (herhaling 23),
koor
B. Kinzler: Intermedium cantate VI > cantate VII, orgel
VII Ad faciem (Tot het gezicht)
26 Sonata, strijkorkest
27 Illustra faciem tuam, koor
Psalm 31 van David is één groot loflied
en smeekgebed over het vertrouwen in
God.
31.16 Mijn lot blijft in uw handen
liggen; verlos mij van mijn vijand en
vervolgers
Ps. 31.17 Laat uw gelaat/aanschijn
stralen over mij, uw dienaar, red mij
door uw genade.
Illustra faciem tuam super servum
tuum, salvum me fac in misericordia
tua
31.18 Jahweh, laat mij toch niet
beschaamd komen staan: want ik
roep u aan. Neen, laat de bozen
worden beschaamd
29 Amen, koor
28 Aria’s
28a koor
Salve, caput cruentatum,
totum spinis coronatum,
conquassatum, vulneratum,
arundine verberatum
facie sputis illita
28a
Gegroet hoofd vol bloed,
rondom met doornen gekroond,
gekneusd, gekwetst,
geslagen met een rietstok,
het gezicht besmeurd met speeksel.
28b alt
Dum me mori est necesse,
noli mihi tunc deesse,
in tremenda mortis hora
veni, Jesu, absque mora,
tuere me et libera
28b
Wanneer ik eenmaal sterven moet,
wees dan niet ver van mij,
in het huiveringwekkende uur van de dood.
Kom Jezus, en wacht niet
bescherm en bevrijd mij.
28c koor
Cum me jubes emigrare,
Jesu care, tunc appare,
o amator amplectende,
temet ipsum tunc ostende
in cruce salutifera.
28c
Als U me beveelt deze wereld te verlaten,
lieve Jezus, verschijn dan aan me,
o, Gij liefdevolle, die ik omarmen wil.
Verschijn dan in eigen persoon,
op het redding brengend kruis.
Nadere toelichting duiding van de bijbelcitaten als ‘motto’
De bijbelcitaten hebben betrekking op een creatieve verbeelding van de relatie met de lijdende, gekruisigde Jezus. Om deze
creatieve verbeelding te kunnen begrijpen, hanteren we een allegorische duiding van het citaat en context. Bij de
allegorische uitleg interpreteert men de letterlijk tekst zo dat deze aanduiding voor ons, die niet met die beeldende taal
vertrouwd zijn, toegankelijk wordt (Deckers-Dijs, 1989, p. 27). Bijvoorbeeld in een verhaal van Rabbijn Saunders vertelt
deze het verhaal over een kapitein die een touw uitwerpt naar een drenkeling. De rabbijn duidt het verhaal allegorisch als
volgt: de kapitein, dat is God; het touw is de Tora en de drenkeling is de mensheid. Deze allegorische methode van
uitleggen is voor onze jaartelling al eeuwen lang door de Grieken beoefend en door Philo van Alexandrië (20 v. Chr.-40 na
Chr.) in de Joodse exegese ingevoerd. Kenmerkend voor de gebruikte bijbelcitaten is dat deze betrekking hebben op een
relatie tussen een Hij en een Zij. Afhankelijk van het type allegorie zijn deze Hij en Zij anders ingevuld. Zie onderstaand box.
Typen allegorie
Joods historisch: liefde tussen
ziel van volk Israël en God
Cantate 1,2,3* en 7
Bruidsmystiek in Hooglied:
Cantate 4 en 6
Christelijke liefde
Cantate 5
Aanduidingen in citaat van ‘Zij’
De vrouw als beeld van de ziel van het
volk/dochters/vergadering van Israël, mijn
geliefde, Jeruzalem, Sion
Mijn vriendin, mijn mooi meisje, duifje van
me, mijn vergrendelde tuin, bron
De christenen
Aanduidingen in citaat van ‘Hij’
De man als beeld van God: God als
geliefde, minnaar van de vergadering,
de Heer, redder/verlosser van Israël,
Hij, jij, koning en herder, mijn liefste,
lijkt op een gazel/hertenjong,
De Heer, Jezus Christus
Het citaat 11, Zacharias 13 : 4- 6 * in cantate 3, verwijst naar Jezus die door zijn eigen volk en opperpriesters als valse
profeet en godslasteraar werd aangemerkt en overgedragen aan Pilatus voor verdere berechtiging. Deze laat vervolgens
het volk kiezen wie hij moet laten kruisigen: Jezus of Barabas.
Duiding van de meditaties in aria’s
In het middeleeuwse gedicht van Arnold van Löwen staat de relatie en interactie tussen een ik-figuur en de gekruisigde
Jezus, redder van de wereld, centraal.
Type beeldspraak
Innerlijk mystiek en individuele
vroomheid in het gedicht ‘Gegroet,
Heil van de wereld’ van Arnold von
Löwen
Ik-figuur
Ik ben schuldig, onwaardig,
laaghartig en hardvochtig, ik zoek U
met reine geest, ik bemin U, vol
toewijding
U, Redder van de wereld
U, redder, mijn heil, lieve/zoete Jezus,
genadige God, tegelijk mens en God,
koning van de heiligen, goede herder,
mijn geliefde,
In de eerste cantate positioneert de ik-figuur zich bij de voeten van de gekruisigde. In de volgende cantates richt hij zich
telkens op andere ledematen. Je zou dit focussen op steeds een ander lichaamsdeel kunnen vergelijken met het bekijken
van kruiswegstaties. Die staties, bij Buxtehude lichaamsdelen, vormen dan een middel/vehikel voor een meditatie, gebed of
overweging. Bij de eerste drie cantates wil de gelovige bij zijn redder zijn en diens leven en lijden delen. De aria 8b in
cantate 2 verwoordt een bijzondere devotie in de zin: ’Hoe zou ik degene die mij liefheeft vergoeden, die verkozen heeft
voor mij te sterven, opdat ik geen dubbele dood zou sterven’. De geloofstraditie waartoe deze zin behoort gaat er van uit
dat de mens een dubbele dood zou sterven, wanneer de lichamelijke dood werkelijk het einde zou betekenen en de
gekruisigde verlosser niet de voorbode zou zijn van het eeuwige leven.
In de cantates 4 – 6 (tot de zijde, de borst en het hart) is de focus meer op de Redder. Het lijkt alsof in deze drie cantates de
ik-figuur zich minder onwaardig voelt en de relatie met de redder/God/mijn heil vreugdemomenten kent (inspiratie door
het Hooglied?). In de aria’s van cantate 7 is er weer de betrokken houding van het door de gemeente te zingen koraal ‘O
Haupt voll Blut und Wunden’ te herkennen.
Bronnen: www.biblyja.com ; Deckers-Dijs, M., Belichting van het bijbelboek Hooglied, Brugge: Tabor, 1989, p. 27.